Categorieën
Fictie

Der Förster

Der Förster
Het bos was stil, bos was gehuld in een waas van hitte en eenzaamheid. De walm van stilte en geheimen waarde over de bomen en de ervoor gelegen akkers. Zou hij het bos ingaan? Vanuit de akker zag hij het bos in de zomerhitte. Bloemen lachten hem toe. De vogels waren stil. Geen geluid. Het water van het beekje stroomde zacht.
Tussen de bomen zag hij een licht. Een soort vuur. Maar wat was het? Was het een gedaante?
De woorden van zijn opa kwamen vaag in zijn gehoor. In grijs gehuld een pijp, walmend in de zuur geurende kamer. “Ja, ja, ja”, zei hij altijd. Op alles wat er gezegd werd. Ging het over dood of over geboorte. Hij zei: “Ja, ja, ja.” Alleen een kéér veteldde deze man een verhaal. Het verhaal van “der Förster”. Daar aan de ander kant van de grens, waar het bos begon. De boswachter rook dat het niet goed was wat er gebeurde. Met zijn geweer over zijn schouder achtervolgde hij de mannen. Plotseling waren ze weg. Hij keek overal. Nergens zag hij ook maar iets. Een verstikkende greep overmande hem. Ze sleepten hem. Voor zich zag hij de streep van zijn boots, die in het mulle zand getrokken werden. Bij een boom, een mierennest stopten ze. Hij verzette zich, het had geen zin. Aan zijn benen, aan een touw werd hij omhoog getrokken. Het rood van de ruggen van de mieren vermengde zich met zijn bloed.
Daar in de verte zag hij de man van vuur. Het rood gloeiende vuur. Als een dolle rende hij ver van het bos vandaan.