Categorieën
Fictie

Denkblaren (Juiste versie)

‘s Avonds lag ik met een ander lichaam in bed dan waarmee ik ‘s ochtends was opgestaan. Blaren op mijn hielen en zeurende schenen. De rest van mijn lijf onderhevig aan een uitstralende hoofdpijn die alsmaar heviger werd als ik op mijn telefoon keek en geen bericht van Matthijs zag. Waar had ik dit aan verdiend? Misschien voelde hij zich onder druk gezet om ook schoenen te kopen, en zat hij krap bij kas. Het was immers bijna kerst en kerst is duur. Maar hoe vaak had ik hem niet verteld dat ik zelfs mijn laatste halve euro met hem zou delen? Dus dat streepte ik af. En wat resteerde op het lijstje waarin mijn lichaam gewikkeld en gewurgd leek, was: onverschilligheid. Mijn wandelschoenen en de bebloede sokken en die hele pelgrimstocht, en ik. Het kon Matthijs allemaal niets schelen.
Toen ging mijn telefoon af en mijn koppijn ging liggen.
‘Hey man.’
‘Yo man, alles goed?’
‘Ja prima. Beetje niets aan het doen, en niets aan het denken.’
‘Als iemand daar goed in is…’ En ik hoorde hem aan de andere kant van de lijn lachen. Als hij bij me in mijn kamer was geweest, en ik wit was, zou hij me hebben zien blozen. Ik corrigeerde die gedachte en dat gevoel door het mannelijkste dat in me opkwam te zeggen.
‘Heb je mijn sokken gezien? Ik heb ze helemaal kapot gelopen.’
‘Huh?’
‘Heb je mijn bericht gelezen?’
‘Gezien maar nog niet geopend.
‘Ik heb gister wandelschoenen gekocht, en vandaag ingelopen.’
‘Vet man! Heb je ook voor mij gehaald?’
Hij had dus echt geen cent te makken. En ik hem dat maar inwrijven met die foto’s. Even goedmaken: ‘Ik kan morgen wel weer naar de winkel. Maat 44 had je toch?’
‘Haha, gek dat je er bent. Maar luister eens: Kathie is vandaag geland. We zijn nu bij mijn ouders en we gaan morgen naar Zeeland. Lekker strandwandelen.’
Dus hij heeft al wandelschoenen?
‘Wacht even’, zei hij, en ik hoorde hem een ander gesprek beginnen of voortzetten. Vermoedelijk op de bank in de uitbouw van zijn ouderlijke huis daar in Marken. Een gesprek van half afgemaakte zinnen, typisch voor een koppel dat elkaar lang heeft moeten missen en eerder smachtende blikken dan woorden uitwisselt. Gegiechel. En ik hoorde mijn naam en daarna nog eens mijn naam maar dan uitgesproken met een Amerikaans accent. “Spain” en “pilgrimage” kwamen ook voorbij. En toen sprak Matthijs weer tegen mij.
‘Kathie doet je de groeten. En ik moet van haar zeggen dat ze meewilt.’
‘Mee naar waar?’ probeerde ik tevergeefs.
‘Spanje man, ze wil Barcelona zien.’
Maar dat ligt niet eens op de route, dacht ik bij mezelf. En ik besloot om ons voor erger te behoeden. ‘Sorry man, moet ophangen. Mijn vriendin belt.’
‘Zij krijgt ook de groeten van Kathie!’
Ik begreep dat ik ze de tijd samen moest gunnen. Hij moest haar Marken laten zien, en Den Haag en hoe klein maar toch groot Madurodam is. En ik had ook genoeg te doen. Ik had altijd genoeg te doen. Ik kon schrijven en wandelen en wandelend schrijven of in bed blijven liggen en nadenken over wat zij zouden gaan doen zonder mij. Daar in bed blijven liggen alsof ik geen wandelschoenen had gekocht. Wandelschoenen die we samen zouden kopen, maar nu ging hij alleen maar broodjes Unox kopen voor Kathie. Lekker Nederlands voor zijn Yankee vriendin. En ik had ook een vriendin maar die zag ik vaak genoeg en veel vaker dan dat ik Matthijs zag. Ik zou hem vaker kunnen zien, af en toe appen om te gaan drinken of wat dan ook. Maar dat deed er niet toe. Bro’s before hoes, toch? Monniken begrijpen dat. Dat als je samen besluit een pelgrimstocht te maken dat je niet de een al schoenen laat kopen en inlopen en blaren laat krijgen, terwijl de ander half Nederland doorkruist met iemand die eigenlijk niet mee naar Spanje zou gaan. Ik moest ophouden. Misschien moest ik ophouden met aan Spanje denken. En aan Nederland denken. Aan al die kloosters die je ook hier hebt waar ze niet genoeg monniken voor kunnen vinden. Ze hadden vast een kamer vrij voor mij. Een nieuwe monnik. Zichzelf uit het wereldlijke leven gerukt omdat zijn maatje erin verzwolg. De zwakkeling. Diegene die mij altijd waarschuwde niet voor me dertigste aan een vaste relatie te beginnen. Hij, die aan een relatie begon met iemand van ver buiten ons vaste land. Ik moest hier niet mee in zitten. Wandelen doe je eigenlijk in je eentje. Vroeger liepen de pelgrims zo’n tocht voor de verlossing en niet als een mannen-onder-elkaar-ding. Het zijn de schoenen. En de blaren. En de stekende pijn in mijn schenen. Meer gelopen dan me lief is. En waarom? Wie had ik iets te bewijzen? Sjoerd, de schoenenverkoper? Mijn vriendin die zei dat ik even moest wachten met kopen? Of mezelf, dat ik het ook in mijn eentje leuk kan hebben. Maar is er sprake van ‘leuk’ wanneer je leuk uitspreekt en niemand naast je loopt om dat te horen?
Toen stopte ik met staren naar zijn naam op mijn beeldscherm, legde ik mijn telefoon op mijn nachtkastje en draaide ik me naar de muur. Hoofdpijn, kom maar op, ik heb de hele nacht de tijd. De slag met Kathie verloren maar ik ben klaar voor deze strijd. Maar langzamerhand drong het besef tot me door dat de pijn niet vanuit mijn hoofd emaneerde. Het kwam uit mijn hart of mijn ziel, die daar in mijn borst verscholen zaten. Die me opzadelden met een verlangen dat zich niet liet inlossen. En de rest van de nacht ging ik bij mezelf te rade waarom ik niet gewoon wegliep van zulke gevoelens. Was dat niet de eigenlijke reden om die schoenen te kopen? Om harder weg te hollen? Maar de ochtend begon op de deur te bonken en ik hoorde de eksters huppelen over het kozijn en de kraaien kraaiden de dag wakker en ik kon mezelf niet langer voor de gek houden. Toen ik die schoenen aan probeerde in de winkel was het natuurlijk Matthijs die ik voor me zag, voor me uit de weg wijzend dwars door het kille Noord-Spaanse platteland. Buiten gehoorbereik van de gedachtes die ik hardop zou denken maar dichtbij genoeg om hem te kunnen roepen wanneer ik hem het hardst nodig had. Dáárom kocht ik die schoenen, ingegeven door die beloofde beelden en het vertrouwen dat we ze waar zouden maken. Dat laat ik toch niet na één nederlaag varen? Kathie, die vliegt heus wel weer terug naar Texas. En op dat moment besloot ik nog een oog dicht te doen, want ik had er opeens het vertrouwen in dat mijn benen zo sneller zouden herstellen.