Categorieën
Fictie

De zwervende dokter

SULAMITH MET DE HAREN VAN AS

In de toekomst zijn wij allemaal zwervers

Ik ontmoette de zwervende dokter. Zijn reputatie was hem voorafgegaan, alsof bij het stappen iets zich voor hem uit bewoog, niet in te halen, dat zich versnelde met de eigen pas, iets uit een toekomst wat hij achternaliep.
Op een dag in het voorjaar kwam hij meegewaaid met de warme lucht uit het zuiden en was gestrand in onze stad. Hij moet als een trekvogel zijn blik heen en weer hebben bewogen, bij zichzelf overleggend waar te overzomeren. Nestelen was er niet bij.
Ongesproken hadden de zwervers op hem gewacht; alleen zijn uitblijven zou gesprekken hebben gevoed. Ze spraken hem vanuit een atavistisch achting aan als dokter en – omdat de tegenspraak hem zou hebben vermoeid – had hij het zich laten welgevallen. Want zo goed als bij allen roerde nog de winter, met blauwe voeten en een stugge hoest. Hij was gekomen als een gewijde belofte zoals de lente en, hoewel de kou uitentreuren had aangehouden, was hij daar opeens toch terug, als een warme dag in april.
Ze hadden zich kunnen laten verzorgen in de opvang, maar het wantrouwen was groot. Ze verfoeiden er het moraliserende geleuter, de geldhaaierij, ook al werden ze soms gratis behandeld. Dat waren de dokters van de anderen, waaraan je doodging; dat was zowat de consensus. Onze dokter liet zich nooit betalen, maar allemaal brachten ze wel iets mee, soms hun laatste halve grammetje, zelfs de allerarmsten een boterkoek.
De dokter verfoeide zijn titel, wellicht omdat het hem telkens weer herinnerde aan een verleden en hem ongewild plaatste in een hiërarchie die hem vreemd was. Maar woorden stoot je niet zomaar van hun plaats.
Hij hielp bij ingegroeide teennagels. Bij reuma. Spuitwonden. Kolieken waren overgegaan. Hij was goed bij maagklachten. Hij wist met alles wel wat raad. Tot buiten gebruik geraakte penissen, die waren verkleefd en geëtterd. Hij had altijd zo’n bidon uit de koers bij zich met ontsmettingsmiddel. Na hem had Peegie, het oeroude zwervertje weer kunnen stappen in zijn looprekje. Hij wist veel. Welke geneesmiddelen je kon afbedelen bij de verzorgers, voor een prijsje van internet halen of gewoonweg stelen.
In een tijd dat ikzelf in een nogal deplorabele toestand was beland, liet ik mij verzorgen voor een voetwonde. Hij handelde heel kundig. Daarom dat mij de vraag ontglipte die nooit werd gesteld.
Ik was het grootogige kind dat geleund tegen, half verscholen achter het been van een ouder, door niemand opgemerkt, had gesproken. Was hij dan echt een DOKTER?
Hij verzorgde mij verder en deed er het zwijgen toe. Hoe lomp van mij. Had ik het dan niet door? Neen, natuurlijk niet. Hij was dokter geworden omdat hij ooit iemand had geholpen. (Genas ook Jezus niet wonderlijk?) Er was alleen nood geweest. De nood had het woord gewekt.
Het kwam me voor dat hij vanaf toen de omgang met mij vermeed. Het was al naar het einde van de zomer toe, toen Roman de Bulgaar me kwam zoeken. Hij sprak wat gebrekkig Nederlands. Dat de dokter weer thuis was. Hij wou mij spreken. Met thuis bedoelde hij het park, waar hij hoofddealer was.
De dokter lag in een kunstgrot, die langs een vijver door een neoromantische landschapsarchitect was ontworpen. Daar plachten nogal wat zwervers te overnachten. Hij zat diep geborgen in een slaapzak. Hij was opgenomen geweest voor een overdosis. Hij was niet willen blijven. Hij was sterk afgevallen. Bijna onherkenbaar.
Met een magere, beverige hand maande hij mij naast hem te komen zitten. Er lag een veelheid van kussens. Ze verzorgden hem goed.
“Waar kan je beter zijn”, zei hij. Hij glimlachte. ”Roman heeft het beste spul”.
“Ze voerden me naar de Spoed”, ging hij verder. “Alsof je de duivel in het wijwatervat gooit”.
Hij sprak in pozen, heel erg langzaam. Alsof hij zich steeds opnieuw moest opladen.
Waarom hij me had laten roepen? Voor een antwoord. Hij was dokter geweest, echt waar. Spoedarts dan nog. Eigenlijk stagiair-arts, maar in de spoed had hij gehandeld als autonoom arts, zonder veel begeleiding. De gevestigde artsen hadden gebaald van de Spoed. Veel en ondankbaar werk. Maar het was een eerste trede hogerop, voor velen toch. Dan deed hij die ervaring op die zijn verdere leven had bepaald. Ecce Homo. Zie hem. Dit was het eindpunt.
Het was er altijd hectisch. Vooral in het weekend. Ongevallen van groot tot klein. Mensen met trauma’s. Gemolesteerde vrouwen die hun dader-echtgenoot omknelden. Een kind dat bleef grienen. Hypochonders die niet weg te jagen waren.
Hij was een man met een lelijke beenwonde aan het behandelen, toen een jonge vrouw werd binnengebracht. Haar ouders hadden haar met hun eigen auto gebracht. Ze waren weer terug naar buiten gestuurd; door het raam had hij hen nog een hele tijd buiten op de parking zien wachten. Er had een gasontploffing plaatsgevonden. Een steekvlam. Ze was over haar hele lichaam verbrand. Haar bloeze, wellicht uit kunststof, was gesmolten. Het design was in haar borsten gebrand. Hij zag nog dat haar haren blond waren geweest, haar gezicht fijn besneden, mooi.
“Ik hoorde geen hartslag meer. Ik werkte verder aan de beenwonde. Een stuk huid was afgerukt. Het was omslachtig. Buiten stond nog een hele rij. Er huilde een kind. Een verpleger moest tot kalmte manen.”
Het was al heel laat. Hij had nog snel een woord gewisseld met de hoofdverpleger. Zijn auto was alleen op de parking achtergebleven.
Waarom hij mij had geroepen? Hij had dadelijk gemerkt dat ik daar niet thuis hoorde. Wat had mij daarheen kunnen voeren? Maar vooral om de vraag. De woorden die Parcifal onuitgesproken had gelaten, hadden het voor hem heel waar gemaakt.
‘s Morgen had hij zich haar bij het ontwaken herinnerd. Ze leek al die tijd bij hem te zijn geweest, alsof ze naast hem had geslapen. Met het wakker worden was ze in het niets opgelost. Hij was vergeten de verpleegster van de kelderafdeling op te bellen. Mietje de Dood. Zo noemden ze haar. Ze liet het zich niet aan het hart komen. Ze was een stevige, strenge dame met armen die de doden torsten. Ze had geen tegenspraak geduld: hier de doden, boven de anderen: Stuur mij maar de directeur! De directeur was nooit naar de kelder afgedaald.
Er was een nieuwe ploeg aan het werk, want het was zondag. Ze keken op van zijn komst. Was hij zijn portemonnee vergeten? Zij was er niet. Ook niet in de kelder, waar hij meewarig werd aangekeken. Hier was niemand opgestapt, zeker weten!
Ze was wel degelijk opgestapt. Ze had een laatste nachtbus genomen. Een dame ingewikkeld in een te grote witte doek of kiel. De chauffeur was geschrokken van haar hand. Er had niemand anders op de bus gezeten. Ze was achteraan uitgestapt.
Verder wist hij niet zo goed. Dat ze gestorven was, dat zou wel. Na een paar dagen, thuis of bij een nieuwe opname in het ziekenhuis. De ouders waren weggeteerd in verdriet. Ze hadden geweigerd een vervolging in te stellen. Aasgierige advocaten was de deur gewezen.
Het dwingende onderhoud met de directeur was uitgebleven. Hij was in zijn auto gestapt en had gereden, onbepaald, de weg van alle nomaden, tot de benzine en uiteindelijk zijn geld op waren.
Natuurlijk was er een verhaal, maar hij kende geen verder uitsluitsel. Het hoefde ook niet. Hij had geen kranten gelezen, geen televisie gekeken, niet gegoogled. Wel die holle bewering dat hij haar iets oneerbaars had aangedaan wat haar had gewekt. Hij had niet ontkend, omdat er niets was. De kou van het mortuarium zou ze niet overleefd hebben.
“Nog een paar dagen”, had hij gezegd bij het afscheid. De toekomst kwam nu snel op hem af. Roman zou hem helpen.
Hij was een man zonder vrouw gebleven, maagdelijk. Zijn bruid had hij als Orfeus uit de dood gered, zonder omkijken. Het werd een huwelijksdans; de muziek zweepte op, draaien en zwieren: hij en zij, Sulamith met de haren van as.

“dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith”
(Paul Celan, Todesfuge)