Categorieën
Fictie

De wesp

De wesp, vermoeid door het eindeloos proberen aan de andere kant van het glas te komen, zat stil.
Met het Nieuwe Stadsblad in de hand liep Fred op het insect af. Het uitwendige skelet kraakte als verse chips die je tussen je kaken vermaalt. Hij drukte door tot het papier helemaal tegen het raam zat. Op dat moment vond hij het een bijzonder prettig geluid.
De zachte binnenkant van de wesp had zich voor een deel gehecht aan het sufferdje, precies tussen een advertentie voor kipkluifjes en die van een uitvaartonderneming.
Het andere deel van het binnenste zat als een ondefinieerbare klodder tegen het glas van de ruit in zijn huiskamer.

Normaal zou Fred zoiets nooit gedaan hebben. Hij was een dierenliefhebber en deed nooit een vlieg kwaad. Die wesp nu dus wel. Waar kwam dat vandaan?
Hij was vrijwilliger bij de voedselbank. Hielp de oudere medemens bij hem in de flat met van alles en nog wat. Een bijzonder sympathieke gozer eigenlijk.
En normaal zou hij, als er een wesp op het raam zat, een glas pakken en een A4’tje; Glas over de wesp, papiertje schuiven tussen het glas en het raam om het beestje op deze manier de vrijheid weer terug te geven op het balkon. Zo deed hij dat normaal. Nu dus niet. Waarom kon hij nu, met kennelijk plezier ook nog, het leven uit dit insect drukken?
Ergens, diep van binnen, wist hij het wel…

In een ver verleden had hij gesolliciteerd bij Karma, het grote bouwmarktconcern en was daar gelijk aangenomen. Een stille bescheiden medewerker met hart voor de zaak. En binnen een jaar al was hij zeer verweven geraakt met het bedrijf en alles wat daar gebeurde. Zo zelfs dat zijn werk voelde als een warme jas die hij elke dag met graagte aantrok.
Elk schap, elk artikel was hem bekend. Zijn collega’s kwamen bij hem als ze iets niet wisten. Na zes jaar had hij het dan ook tot assistent-bedrijfsleider geschopt. Maar toen hem drie jaar daarna de functie van bedrijfsleider werd aangeboden had hij daar geen oren naar. Hij wilde de bijna meditatieve roes waarin hij al sinds jaren verkeerde niet verstoren door zo’n rigoureuze verandering van werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Men moest hem maar gewoon laten doen wat ie het liefste deed.
Jaar na jaar ging voorbij en Fred had het zeer naar zijn zin al die tijd.

Maar zo’n twee jaar geleden waren dingen veranderd. Er moest bezuinigd worden, zo bepaalde het hoofdkwartier. De tot dan toe gebruikelijke service aan de klant veranderde in: eerst je werk doen in de schappen en pas in tweede instantie de klant helpen.
Ook werd langzamerhand duidelijk dat men personeelsleden die wat ouder waren liever zag vertrekken. Daar was meestal geen reden voor natuurlijk want deze mensen deden gewoon hun werk zoals ze dat altijd gedaan hadden.
Toch vielen er klappen. Als er ook maar een beetje grond was om iemand te ontslaan gebeurde dat. Maar bij mensen zoals Fred, die gewoon prima hun werk deden als alle jaren ervoor kon geen reden gevonden worden om een ontslag aan te zeggen.

Op dat moment begonnen de kleine irritaties gericht op de wat oudere werknemer. Eerst nog nauwelijks opgemerkt, maar later steeds duidelijker. Ze kregen taken en opdrachten die ze nog nooit hadden gehad. Aangevraagde vrije dagen werden geweigerd. Bij een ziekmelding, griepje of zo, stond direct een bedrijfsarts met formulier voor de deur. De bedrijfsleider begon steeds venijniger commentaar te leveren op hun prestaties, ook al was daar totaal geen reden voor.

Vervolgens werd de sfeer steeds grimmiger. De nieuwe, jongere, medewerkers die nog aangenomen werden leken wel te worden geïnstrueerd om de oudere collega’s voortdurend dwars te zitten. Kleine speldenprikjes die op den duur dodelijk vermoeiend en ziekmakend waren.
Gert Voller, de bedrijfsleider waar Fred tot voor kort prima mee door de deur kon, had nu elke dag wel wat te katten op hem terwijl daar absoluut geen reden voor was. Fred begreep het niet, en ook weer wel. Het was duidelijk dat de oudere garde, die nota bene nog echte kennis in huis had van materiaal en het gebruik ervan, had afgedaan.
Het treiteren door de jongelui en het voortdurend katten van de chef begonnen hun tol te eisen. Fred werd ziek. Maar na twee weken thuis begon het toch weer te kriebelen en was hij blij om weer naar de zaak te gaan en zijn werk te doen.
Maar het consequente en strategische sarren en stangen bleef doorgaan. ’Wat doe jij hier eigenlijk. Je kan niks, zit maar een beetje koffie te drinken en bent zo traag als een slak op een teerton. Als je zo doorgaat kun je vertrekken, begrijp je?’
Men had geen poot om op te staan en er was geen reden om hem te ontslaan maar toch was dat wat uiteindelijk gebeurde.

Op zekere dag moest Fred bij Voller komen. “Ze hadden er lang over nagedacht”, zo zei Voller. Fred zou er de laatste maanden met de pet naar hebben gegooid. Fred zou zich niet voldoende aan kunnen passen aan de veranderende situatie. Hij zou zich ook meerdere keren niet gehouden hebben aan de opdrachten die hem door de bedrijfsleider waren gegeven. En daarom was nu de tijd gekomen om afscheid te nemen.

De aantijgingen waren onwaar natuurlijk. Maar als de chef en de leiding gezamenlijk zeggen dat iets zo is dan hebben ze altijd gelijk. Zo gaat dat…
Henk had nog twee maanden.

Zwart was het hem geworden voor de ogen. Een blinde vlek van onbegrip en onmacht. Heel even duurde dat maar. Toen was er een woede opgeborreld in hem die zijn hele lijf vulde als een giftig pus. De frustratie van de laatste twee jaar was nu rijp en transformeerde zich in een kloppend gezwel dat binnenkort als een puist zou openbarsten.
Er was geen vriendelijke Fred meer. Hij kwam naar de zaak en deed zijn werk. Meer niet.

De “nieuwe” Fred wist wat hem te doen stond. Hij had op internet wat dingen nagekeken, gewoon voor de zekerheid. Hij had een aantal pillen Temazepam fijngestampt, genoeg om een olifant in slaap te krijgen.
Hij had een datum gepland. Het zou de laatste koopavond voor zijn laatste dag gebeuren.
Koel berekenend en zonder haast ging zijn geest richting dat moment. Er was geen vraag bij hem, hij hoefde niet meer na te denken. Het was goed zo…

Een uur voor sluitingstijd begon Voller altijd al aan het opmaken van de kas. En dat deed hij te doen gebruikelijk met een bakkie “zout water”, een consumptie uit de machine die voor tomatensoep moest doorgaan.
Voor Fred was het een koud kunstje om met het brengen van de eerste kassa-la de Temazepam in de plastic beker te gooien en even vlug te roeren. Daarna liep hij naar achteren en zette de heftruck op een strategisch punt bij de bouwmaterialen. Daar stond driehoog in het schap ook een grote stalen krat van 1.20 m bij 1.20 m met een paar honderd oude nijptangen erin (de opbrengst van een inwisselactie).

Het was 21.15 uur en al het personeel was al naar huis. Alleen Fred scharrelde nog wat rond en natuurlijk zat Voller in zijn kantoor. Nou zat… Fred was op afstand gaan kijken en zag hem over zijn bureau gezakt. Het plastic bekertje was omgevallen, een klein sliertje soep lag op het bureau.
Voller was hoofdzakelijk van de wereld. Fred knevelde vakkundig de polsen en enkels van de bedrijfsleider. Hij tilde hem een beetje op en sleepte hem in de winkelwagen die hij daar had neergezet. Het gepiep van het zwaarbeladen karretje toen hij door het hoofdpad in de stille winkel reed klonk heel merkwaardig.
Fred stapte op de vorkheftruck en schoof de lepels onder de stalen krat met nijptangen en haalde die naar beneden. Achteruit reed hij de ontvangstloods in en parkeerde de truck met de achterkant tegen de muur. De lepels met de krat liet hij stijgen tot 3 meter.
Hij haalde Voller uit de winkelwagen en zette hem onder de lepels van de truck met zijn rug tegen de hals ervan waar de kettingen liepen. Met nog een paar extra kabelbinders bond hij Voller ook vast aan de truck zelf.

Fred liep naar de koffieautomaat en gooide er een munt in. Suiker, melk… Op zijn gemak ging hij op een kruk zitten tegenover Voller, dronk koffie en wachtte.
Het was een paar uur later en doodstil in de loods. Een streep maanlicht scheen door het bovenlicht. Voller werd wakker en keek versuft om zich heen, naar zijn handen en benen en omhoog. Er verscheen begrip op zijn gezicht.

Fred drukte op de knop “down” en langzaam kwamen de vorken met de stalen krat naar beneden. Nog vijftig centimeter, nog veertig, nog dertig, nog twintig, nog tien…
Het inwendig skelet kraakte als verse chips die je tussen je kaken vermaalt. De zware stalen krat drukte door tot de onderkant ervan de grond raakte.