Categorieën
Fictie

De werkelijkheid, de deur en de waanzin

‘De deur moet open! De deur moet open!’
Deze zin herhaalde zich als een soort mantra in mijn hoofd.

Het was vreemd dat mijn lichaam geen noodzaak voelde om vaart te maken. Alles ging in een soort slow motion aan mij voorbij. Elke stap in deze lange, duistere gang leek een eeuwigheid te duren.
Langzaam begonnen mijn ogen te wennen aan de schemering. Aan de linkerkant zag ik ongeveer om de tien meter een deur. De meeste van deze deuren hadden vroeger maar één taak: de wereld buiten houden, de mens binnen. Ze waren al een tijdje van hun taak ontheven. Met pensioen. Toch boezemden ze mij nog steeds angst in.
Het zou de elfde deur moeten zijn, zo had hij meerdere malen verteld. Ik had nog even te gaan.

Ik was niet jaloers op wat hij had meegemaakt. Ik was jaloers op zijn vertelkunst. De manier waarop hij ieder verhaal nog spannender wist te maken. Hij had nog nooit een verhaal zittend verteld. Met grote passen en met luide stem oreerde hij. Zo vertelde hij over zijn avonturen in Irak, waar hij een meisje uit een brandend huis had gered. Hij vertelde over zijn achtervolgingen met de politie, over de noodzakelijke inbraak – ‘want hé, een gezin moet gevoed worden’ – over armoede en hoe hij daar weer uit klom. En vaak vertelde hij over zijn toevallige ontmoetingen met filmsterren.
Elke vrijdagavond, de avond dat we mochten luchten, draaide hij aan zijn denkbeeldige rad van verhalen en koos er eentje uit. Soms was hij vergeten dat hij het verhaal al eens eerder had verteld en dan bleken de details anders te zijn dan de vorige keer. Hem corrigeren deed ik niet. Hem als een vertel-god aanbidden wel.
Regelmatig hief hij tijdens het oreren zijn arm op. Hij leek dan op een gepassioneerde flamencodanser die op iedere tel zijn kracht aan de wereld wilde laten zien. Zijn ogen werden dan vurig en verjongden zo zijn oude lijf.
De vrijdagavond was voor mij een groot feest. Luisteren naar verhalen die mij naar een andere wereld brachten. De eigenlijk zo troosteloze binnenplaats leek zo een podium. Een Grieks theater.
Na een uur werden we weer naar binnen geloodst en wist ik dat ik weer een week moest wachten om hem te kunnen zien. Gedurende de week vroeg ik mij regelmatig af of hij zijn verhalen zelf geloofde? Of fakete hij zijn gekte om zijn wereld binnen de vier muren voor ons aangenamer te maken?
Elke vrijdagavond eindigde hij altijd met hetzelfde verhaal. Een verhaal over een deur. Een deur die geopend moest worden. Iedere week werd dat verhaal uitgebreider, gedetailleerder. Zijn verlangen om te weten wat achter die deur zat, was groter dan zijn verlangen om te zwijgen. Haarfijn legde hij mij uit hoe ik er moest komen.
Hij had nog maar één doel in zijn leven. Die deur bereiken. Hij had al verschillende pogingen gedaan. Bij zijn laatste poging werd hij weer opgepakt. De isoleercel kreeg hij ervoor terug. Alles wat hij namelijk over die deur vertelde, althans wat daar achter zat, was volgens zijn begeleiders waanzin.
Waanzin of niet. Het was mooie waanzin. Ik was er in gaan geloven en ik deed hem een belofte. Ik zou, hoe dan ook, de deur openen.

De laatste keer dat ik hem zag; was hij suffer dan normaal. Hij leek op een dieselmotor die moeite had met opstarten. ‘Ze hebben mij meer medicijnen gegeven’, fluisterde hij.
Versuft zat hij een kwartier op zijn stoel. Ineens veerde hij op. ‘Beloof het mij! Open die deur!’ Zijn stem was net zo luid als ik van hem gewend was, zijn overtuiging ook. Hij stond op en gaf mij een knuffel. Het was de eerste keer in al die jaren dat ik een knuffel van hem kreeg. Hij vertrok en bij zijn laatste blik, keek hij mij met zijn vurige ogen aan.

Hij stierf zonder gedag te zeggen. Hij stierf aan een overdosis, zelfmoord zeiden ze.
Iemand die zo anti-drugs en anti-medicijnen was, kon niet sterven aan een overdosis, was mijn overtuiging.
Woedend werd ik toen ze het mij vertelden. Diezelfde woede had mij twee dagen later naar deze gang gebracht. Twee volle dagen had ik zijn tekeningen en plattegronden bestudeerd. Het was een totaal uitgewerkt project. Hij had vier pogingen gedaan en bij elke poging had hij de muren gescand, de vloer, de tekst op de muur, elk stofje, iedere oneffenheid. Alles had hij beschreven in zijn plan.

Lopend door de gang zag ik dat elk detail klopte. Een tekening van een hondje op een muur, een naald op de grond, het scheef hangend bordje “floormanager”, een gebroken deurklink van de vijfde deur. De geur van pis en pijn. Hoe verder ik door deze gang liep, hoe meer ik in zijn verhalen ging geloven.
Ineens hoorde ik voetstappen. In een reflex pakte ik de klink van de zesde deur. Ik stapte een kamer in. Een bijna lege ruimte waarin het spinnenrag alle vrijheid had gekregen om zich tot kleine kunstwerken te ontwikkelen. Afgebladderde groene verf op de kozijnen, een rode pen in de vensterbank, een boom die zijn wortels door de muur had geduwd, een stoel met riemen waar je iemand mee kon vastbinden. Dit waren details die er toe deden. Details die de waanzin inruilde voor de werkelijkheid. Het was dus geen waanzin geweest. Alles wat hij verteld had, was waar.
Het geluid van de voetstappen verdween in het niets. Het niets van de lange gang.
Ik wachtte nog even. Ik deed de deur open en de duisternis had plaats gemaakt voor TL verlichting.

Door een kier in de muur kon ik de volgende kamer bekijken. ‘Hier werden de kinderen naar toe gebracht, kinderen die nooit meer vrij zouden komen. Ze kregen wel blije gele kamers. ‘Sadisten zijn het hè!?’, hoorde ik hem zeggen. ‘Waarom zouden ze die kinderen blijheid willen geven als hun blijheid vervolgens met injecties werd onderdrukt?’
Ook dit was waar. Het was een kamer met sadistisch geel kinderbehang.
Deze kamers werden vroeger gebruikt, maar bij de laatste moderniseringsslag naar het “humane” beleid werden ze afgesloten. Het “humane” beleid voelde ik nog steeds op mijn rug. Littekens, die al jaren genoeg hadden van hun eigen bestaan.

Nog één deur te gaan. Ik verstarde. Was het angst om er te komen? Of de angst dat het misschien niet waar was? Teleurstelling? Valse hoop?
Iedere stap voelde loodzwaar. Mijn lichaam gaf mij alle signalen van een aankomende paniekaanval; mijn ademhaling werd hoger, kramp in mijn rechterhand en een tik die zich te pas en te onpas door mijn linkeroog werd toegeëigend.
Het lukte mij om het te onderdrukken.
Nog tien stappen en dan wist ik of de waanzin óf de werkelijkheid mij had bereikt.
Nog vijf.
Nog drie.
Mijn hand greep de klink.
Mijn andere hand greep naar de sleutel in mijn broekzak. Hij had hem nagemaakt. Eerst gestolen, toen zorgvuldig nagemaakt en weer teruggehangen. Bij het geven van de knuffel had hij de sleutel in mijn zak laten rollen. Zonder uitleg.
Ik stopte de sleutel in het slot.
Bij de omdraaiing van de sleutel, werd een ijzeren pin opgetild.
Mijn lijf trok aan de oude zware deur.
Ik schrok van mijn eigen kracht, die ineens uit mijn lichaam ontsnapte.
De deur ging open.
Het felle licht liet mijn ogen knipperen.
Het duurde even tot het tot mij doordrong.
De werkelijkheid, nee ZIJN werkelijkheid, bereikte mijn netvlies.
Ik gooide mijn arm als een flamencodanseres, gepassioneerd de lucht in.
Mijn benen begonnen te rennen. Ze renden zijn verhaal in, ZIJN prachtige waanzin.

‘Dank je wel!’ hoorde ik mijn stem zeggen. ‘Dank je wel!’

Vijftien jaar later keken twee grote heldhaftige ogen mij aan. Ik gaf haar de sleutel. ‘Beloof het mij! Open die deur en blijf rennen!’