Categorieën
Fictie

De vrouw en de stad

De zon laat zich voor het eerst in dagen zien. Niet uitbundig, aarzelend zelfs, als een verlegen kind dat schoorvoetend een ruimte met onbekenden betreedt. Af en toe prikt een lichtstreep door het wolkendek en dan straalt de stad, die op zo’n moment haar bewoners liefdevol lijkt te begroeten: “Wees welkom in mijn straten en stegen, op mijn grachten en pleinen.”

Mevr. X loopt door straten en stegen en over grachten en pleinen, de route kan ze dromen, kent geen geheimen meer voor haar. Telkens wurmt ze zich door de drukte bij het stadhuis, staat tien seconden – niet negen of elf – stil bij de struikelstenen op de Zwanenburgwal, wendt haar gezicht af bij de door mannenpis uitgebeten bakstenen gevels op de Kloveniersburgwal, omzeilt routineus de losliggende klinkers op de Raamgracht en praat tegen haar lievelingsplek, als niemand haar kan horen.

“Dag Groenburgwal. Je bent mooi. Hier wil ik wonen. Later.”

Dit jaar heeft ze nog geen dag overgeslagen, vorig jaar ook niet en het jaar ervoor maar één. Mevr. X had die dag op het punt gestaan aan haar dagelijkse voettocht te beginnen, toen de politie bij haar aanbelde. Ze had twee uniformen door de deurspion gezien en wilde eerst niet opendoen, ze had toch niks verkeerds gedaan? Maar de agenten wilden haar iets belangrijks vertellen, riepen ze vanuit het trappenhuis. Iets wat niet kon wachten, iets dringends. Tijd om te bedenken wat dat dan kon zijn, kreeg ze niet. De agenten bleven aanbellen en op de deur bonken. Toen had ze de sleutel omgedraaid en de deur geopend.

Haar vader had 26 dagen op zijn keukenvloer gelegen, de buren hadden alarm geslagen toen de stank onhoudbaar werd. Dat hadden ze al vaker gedaan, dan kwamen er mensen van de GGD en de gemeente om het rottende afval te verwijderen en de woning te reinigen. Maar deze keer was het erger geweest, veel erger. De lijkgeur was ondraaglijk geweest, de buren hadden zich er later over beklaagd bij haar. Alsof zij er iets aan kon doen dat haar vader stonk. Ze had de agenten koffie aangeboden, dat leek haar in die situatie goed om te doen.

“Doet u voor ons geen moeite”, had één van beiden gezegd, de ander had instemmend geknikt. Zelf had ze toen ook niks genomen, dat leek haar het beste.

“Hoelang heeft u uw vader niet gezien?”, vroeg de ander.

“Lang”, had ze geantwoord.

Ook de beide parkieten hadden het leven gelaten, ze lagen dood in hun kooi, vertelden de agenten en daar had ze om moeten huilen. Hysterisch huilen, zoals haar moeder vroeger vaak deed. Intens verdrietig was ze geweest. Het deed er toch niet toe dat ze de diertjes nooit had gezien? Ze wist niet eens dat haar vader van vogels hield, dat hij überhaupt van iets of iemand hield. Het liefst had ze de parkieten willen begraven in een plantsoen bij haar in de buurt, dan had ze op een waardige manier afscheid kunnen nemen, maar de agenten zeiden dat dat niet meer mogelijk was. De mensen van de gemeente hadden de verhongerde vogels al meegenomen, net als haar dode vader.

“Lagen de parkieten er mooi bij?”, had ze gevraagd.

“Dat weten we niet”, had één van de agenten geantwoord, een vrouw van middelbare leeftijd met een liggend streepje op haar neus, alsof een koffiemok een restje had achtergelaten. “Ze hebben vast een mooi leven gehad”, voegde ze eraan toe.

De fletse zonnestraaltjes ketsen af op de versleten tweed jas die als een wapperende vlag om haar tengere lichaam fladdert, terwijl ze zich een weg baant door de menigte die is afgekomen op de kramen die het stadhuis omzomen en vooral bij toeristen in trek zijn. Ze ziet bekende gezichten, maar de bekende gezichten merken haar niet op. Alleen de koopman op de hoek die haar elke dag aanspreekt, hoe goed ze ook haar best doet buiten zijn blikveld te blijven.

“Dag vrouw”, buldert hij zoals hij altijd doet, zijn smerigste lach lachend, terwijl hij met één arm over een rek vol meurende kleding hangt en met de andere potentiële kopers naar zijn koopwaar wenkt, als een verkeersagent die een drukke kruising dirigeert. De jassen en jurken doen haar denken aan de kledingkast van haar moeder, waarin ze zich als kind verstopte wanneer ze niet door haar vader gevonden wilde worden. De stentorstem komt boven het rumoer van de mensenmassa uit, als een scheepshoorn die de aankomst van een schip markeert. “Zeg je morgen nou eindelijk eens iets terug?”