Categorie├źn
Fictie

De vrede van de nacht

Het is donker in de lege woonkamer. In de hoek van de kamer staat een oude bank. Een van de kussens is gescheurd, de vulling prijkt uit het kussen. De vlokken hebben zich verspreid over de rest van de kussens en het versleten kleed dat voor de bank ligt. Naast de bank staat een tafellamp op de grond. De stekker ligt er verloren naast. Ze staat voor het raam en rilt. De verwarming heeft ze niet meer aangezet. Door de kou voelt de woonkamer kil aan. Ze kijkt door het raam naar buiten. De lantaarnpalen brengen schemer op de straat. Het licht voelt fel in het donker, maar geeft haar niet de warmte waar ze naar verlangt. Een man fietst door de straat. Ze ziet de buurman op zijn gemak met de hond voorbij schuifelen. Ze zucht en omklemt haar thee met haar handen. Ze snapt hem wel. Als ze een hond zou hebben gehad, zou ze ook rustig aan doen. Het is ook allemaal zo gek. Normaal maakt het haar echt niets uit. Dan komt ze thuis van een lange dag werken en wil ze niets liever dan haar schoenen uitgooien, haar pyjama aantrekken en met snacks op de bank ploffen. Onder het genot van een zak chips een komische serie kijken. En dan twijfelen of ze nog wel zal gaan douchen. Vaak probeert ze te stoppen met twijfelen door te voelen hoe schoon haar haar is, maar door het wrijven met haar vingertoppen zal ze alsnog onder de douche moeten stappen. In de douche fantaseert ze dan over het moment dat ze in bed mag gaan liggen. Eindelijk uitrusten van een lange dag.

Maar nee, vanavond zal het niet op deze manier gaan. Ze heeft een verlangen waar ze niet aan kan toegeven, haar wil om naar buiten te gaan. Ze wil door de stilte van de stad lopen zonder iemand tegen te komen, genietend van het donker van de avond. Maar ze zal het brandende verlangen een plek moeten geven. Het is niet mogelijk om er aan toe te geven. Want, ze kan niet gaan. Een onzichtbaar tijdsgebonden slot zit op haar deur. Precies op deze dag. Zuchtend sluit ze haar ogen. Ze voelt de pijn in haar lichaam. De tranen branden in haar ogen, maar ze wil er niet aan toegeven. Vol verbazing schudt ze haar hoofd. Hoe kan dit zijn gebeurd? Hoe heeft het zover kunnen komen? Ze dacht dat het allemaal goed was. Dat ze gelukkig was. Dat ze niet meer hoefde te rennen, te vechten en te overleven. Dat het goed was. Ze probeert te kalmeren, maar het verdriet raast door haar lichaam. Trillend neemt ze een slok van haar thee. Het helpt niet, het verdriet blijft als een orkaan door haar lichaam heen razen. Ze denkt aan hem. Hij heeft zijn spullen gepakt, en is weggegaan. Ze begrijpt niet waarom. Opeens ontplofte hij. Terwijl hij aan het schreeuwen was, maakte hij wilde gebaren. Hij richtte zijn blik vol haat en boosheid op haar. Ze voelde zijn afkeer, en hoorde de harde klanken van zijn woorden. Het kwam zo hard bij haar binnen, dat ze het niet aankon. Ze sloot zich af en wachtte tot het voorbij was. Opeens stopte hij met praten. Hij keek haar lang en indringend aan. Ze wist zich geen houding te geven, en keek naar de grond. Hij liep weg. Ze wilde hem tegenhouden. Zeggen dat het niet voorbij was. Dat ze beter haar best zou doen. Maar ze stond daar en keek hem na. Ze bijt op haar lip. Zuchtend zet ze haar mok op de vloer. Het maakt ook niet meer uit, want ze hielden niet meer van elkaar. Het was eerder gemak dat ze nog bij elkaar waren. Althans, samen in een huis woonden. Nu woont ze alleen in dit huis.

Ze kijkt weer naar buiten. Ze ziet geen mensen meer op straat. De tijd om naar buiten te gaan is verlopen. Iedereen is veilig thuis. Wat had ze het fijn gevonden om nu het huis te verlaten. Dwalend door de straten had ze de stilte om zich heen kunnen voelen. Geen chaos van gesprekken, geen gevoelens van mensen en geen zaken die moeten. Lopen door het donker geeft haar een veilig gevoel. Alsof ze wordt omarmd door een deken van donzen nacht. Alleen zo kan ze tot rust komen. Alleen vanavond zal het niet zo makkelijk gaan. Ze zal de wandeling in haar hoofd moeten maken. Ze kan erg genieten van de stilte van de nacht. Ze haalt diep adem. Langzaam ademt ze uit. Ze denkt aan wandelen. En dan, ziet ze het voor zich. Ze wandelt niet over straat, maar over het strand. Zachtjes hoort ze het breken van de golven op de achtergrond. Ze voelt haar voeten op het zand. En ze ruikt een vleugje van het zout. Ze kijkt omhoog en ziet de maan glanzen boven de zee. Ze voelt zich kalm worden. Nee, vandaag hoeft er niets meer. Er hoeft niets meer bereikt te worden. Er hoeven geen gevoelens meer te zijn. Ze kan haar gedachten opbergen in de kamers van haar hoofd. Haar gevoelens mogen in de hoek van haar lijf. Zolang het donker is, is de strijd gestaakt. Ze geeft zich over aan de leegte. Vandaag is voorbij en geschreven. Morgen zal het heden zijn vergeten. Ze draait zich om en gaat naar bed.