Categorieën
Fictie

De vrachtrit

Mijn baas had me nog zo gewaarschuwd, neem nooit een lifter mee in je vrachtwagen. Terwijl de laadklep met een zwaai dicht klapt hoor ik het tikken van een rolkoffer over de straatstenen dichterbij komen. Met een hese stem hoor ik ‘kan ik meerijden?’ Bedremmeld komt ze naderbij, slierten haar hangen voor haar natte gezicht. In een wijde japon, wit en feestelijk maar nu gescheurd en vol wijnvlekken. Het puntje van haar tong gaan langs haar onderlip waardoor de twee piercingringen gaan glinsteren.

Die glimmende piercings, mijn dochter heeft ze ook. En precies zo’n zwart-wit koffertje waarin ze er haar doordrukstrip met eenentwintig pillen in bewaart. Onder haar dagboek. Ik heb er weleens in gelezen.
Nu op deze verlaten parkeerplaats kijk ik naar jonge vrouw, eigenlijk een meisje nog die met me mee wil rijden. Ze knippert onregelmatig met haar ogen, die rood doorlopend zijn. ‘Ik moet naar Helmond.’
Daar moet ik ook naar toe. ‘Vooruit, stap maar in.’
Hijgend klimt ze de cabine in met het koffertje achter
haar aan. In de cabine zet zij het met een bonk neer.
Er rammelt iets. Haar handen met witte knokkels, stijf om het hengsel geklemd.
Ze werpt nog een strakke blik naar het hotel als we het parkeerterrein verlaten en ik de snelweg op draai. ‘Was het een leuk feest?’

‘Leuk? Nou nee.’ Ze trekt haar schouders op en begint te lachen. De lach gaat over in schokken, ze slaat haar handen voor haar gezicht en snikkend proest ze uit, ‘Die lul heeft me laten zitten. Wat een eikel.’ ‘Wat erg voor jou. In mijn dashboardkastje liggen wat tissues, pak ze maar.’
Mijn truck Phone gaat over, ‘Wim, je loopt je achter op je schema. De klant wacht al een uur op je.’ Dan maar harder, het zware gebrom van mijn vrachtauto vult de stilte. Uit het niets schiet een auto vlak voor mijn truck, ik word gesneden en rem keihard. Zij klapt voorover met haar hoofd tegen het koffertje. Haar lip bloed. ‘Idioot. Kan je wel rijden?’
‘Ik kon er niets aan doen, ik moest wel remmen, anders knal ik op die auto.’ Uit haar opgezwollen lip druppelt bloed. Terwijl ze het achteruitkijkspiegeltje naar haar toedraait, probeert zij het bloeden te stoppen met de tissues. Met een half geopend mond vraagt ze ‘Heb jij hier wel veiligheidsgordels? Oh, hier achter mij.’ De papieren zakdoekjes tegen haar lip kleuren rood, het bloed druppelt op de zitting.
‘Ik stop hier even, dan kan ik de verbanddoos voor je pakken.’ Ik draai mijn truck naar de kant en in de berm komt mijn truck tot stilstand. Als ik mijn hand uit strek om de verbanddoos achter haar te pakken kijkt ze mij met een rood gezicht aan. ‘Wat doet jouw hand hier?’
‘Ik heb hier een EHBO-koffer. Kijk, met dit verband zal het bloeden stoppen.’
Ze kijkt me indringend aan. ‘Wat wil jij met mij doen?’ Ze grijpt de hendel van haar rolkoffertje stevig vast. ‘Leun met je hoofd maar wat achterover, en hou dit verband op je lip.’
‘Wil je wat van mij?’ Ze zwaaide wild met haar ene arm in de lucht.
De berm ziet er verlaten uit, hier langs de kant van de weg.
‘Jij wilt ook iets van mij he?’

‘Dat bloeden moet stoppen. De zitting zit al onder.’

‘Ik weet wel wat je wilt.’ Ze gilt de woorden uit haar mond. ‘Ik wil eruit.’ Ze rukt aan de portierhendel, de deur vliegt open.
Als zij de truck uit klautert, glijdt het koffertje uit haar hand en smakt onder luid gerinkel op de grond. ‘Nee he!’ gilt ze. Zij tilt het koffertje op en met een zwiep gooit ze het de greppel in. Zij haast zich de snelweg op, haar lange jurk waait achter haar aan.
Autobanden gieren om haar te ontwijken onder wild getoeter. Zigzaggend tussen de file rijdende auto’s rent zij naar de overkant, het fietspad op, een zijstraat in.

Als ik uitgestapt ben til ik het rolkoffertje op, vol met deuken. Het geeft een hel klinkend geluid. Zou haar dagboek hier soms inzitten? Het kapotte slot klikt open. Gebroken borden, schotels en kopjes rollen eruit. Een goudgeel kaartje waait open met een tekst in sierlijke letters. ‘Deze uitzet gaat een huwelijk lang mee.’
Het begint te regenen. De natte scherven in het gras met hun boerenbonte bloemetjes zien er verminkt uit. Een kort huwelijk, gevallen in duigen Ik duik in mijn truck en druk mijn gaspedaal diep in. Weg van hier.

Na tien minuten gaat mijn truck Phone, het is mijn dochter. ‘Pa, weet jij waar mijn rolkoffer is?
‘Nee hoezo?’
‘Ik ga weg.’
‘Dat is onverwachts. Maar kijk eens in de kamer van je broer. Volgens mij staat hij daar.’ ‘Ja hoor, daar ligt het. Wat een rotjoch, hij is open gemaakt.’
Ik moet even slikken en ga wat langzamer rijden. ‘Waar gaat de reis naar toe meisje? Met je vriendje Tygo?’ ‘Hoe weet jij dat hij zo heet?’
‘Dat hoorde ik toevallig van je broer.’

‘Okay. We gaan naar Bali. Hij wil met me trouwen daar.’

Er schiet iets in mijn keel. Nog langzamer ga ik rijden. Achter mij hoor ik getoeter van een ongeduldige automobilist.

‘Hallo, ben je er nog? ik hoor je heel ver weg.’
‘Ja hoor, ik ben er weer. Ik reed net door een tunnel, maar ik ben er nu uit.
Zeg eens lieverd, is dat wel de juiste jongen voor je?’
‘Hij houd van mij Pa.’
‘Maar hoe moet ik dan aan jullie een trouwcadeau geven als jullie in Bali zijn? Als die trouwerij nou eens uitstelt? Je hebt toch geen haast? Ik wil het graag met jou vieren. Een mooi trouwcadeau is altijd handig.’
‘Dat kan je toch ook wel opsturen?’
‘Dan komt het waarschijnlijk gebroken aan. Nee dat kan niet. Stel die trouwerij maar uit liefje, dat is voor ons allemaal beter. ’
‘Misschien is dat toch wel een goed idee pap. Ik zal het met Tygo overleggen. En een goed huwelijkscadeau is nooit weg.’ Ik slaak een zucht van verlichting, en kan nog net een paar woorden uitbrengen, ‘Dag meisje van mij.’ Dag pap, tot ziens.’
Achter het stuur glimlach ik vanbinnen. Overhaaste beslissingen, ik zal het er met mijn dochter een andere keer over hebben.