Categorieën
Fictie

De Vos

‘De vos’
Het was dat moment van de dag dat het licht van de zon langzaam lijkt weg te sijpelen in een oceaan van duisternis. Af en toe ruisten de bladeren, maar verder was het stil. Iedere voetstap veroorzaakte een licht gekraak onder mijn zolen, alsof de aarde zacht zuchtte door de brute inbreuk op haar rust. Ik keek omhoog en zag het grijs van de schemering op het bos neerdalen. In gedachten liep ik mijn stappen van de voorgaande dag na. Tijdens het avondeten had ik gedaan alsof er niets aan de hand was. Ik had gelachen, gegeten, gepraat en geluisterd. Alsof er niets aan de hand was. Alsof er morgen niets veranderd zou zijn. Nadat ik met een excuus van tafel was gegaan, was ik naar de garage gelopen, ervoor zorgend dat mijn voeten geen spoor achterlieten. De garagedeur was met een krakend geluid open gegaan. Ik haalde diep adem en voelde mijn longen zich uitrekken. Voorzichtig had ik mijn schoenen gepakt en was ik de poort uit gelopen. Na enkele meters was ik gaan rennen, alsof mijn lichaam geen geduld meer had om de laatste paar stappen op mijn gemak te nemen. De eerste rij bomen had me als een oude vriend toegelachen en ik was er met open armen naartoe gerend. Nu stond ik hier, de geur van het bos diep in me opnemend. Een mengeling van dennen, water, rotte bladeren en een vage vleug van een dier. De warmte van de dag hing nog in de bodem onder mijn voeten en trok via mijn leren schoenen omhoog. De wind was een welkome verfrissing in mijn bezwete nek en ik sloot even mijn ogen om van haar aanraking te genieten. Mijn vingers strekten zich uit en ik voelde de huid zich om mijn vlees spannen. Ik glimlachte flauw, herinnerde me waarvoor ik hier was gekomen. De duisternis had zich verder opgetrokken, waardoor het bonzen van mijn hart extra aanwezig leek te zijn. Ik liep rustig verder, terwijl mijn hoofd zich pijnigde over wat er komen zou. Het leek zo makkelijk. Het leek altijd zo makkelijk, maar dat maakte het des te moeilijker. Ik weet dat het moest gebeuren, ik wist alleen niet hoe. Het waarom, daar begon ik niet eens aan, dan zouden mijn gedachten verdwalen in duistere doolhoven waaruit ik niet meer zou kunnen ontsnappen. Het moest gebeuren, zoals het al eeuwenlang gebeurde. Vannacht was het mijn beurt, vannacht moest ik degene zijn die de traditie voortzette.
Ik zuchtte diep en keek om me heen. De stilte van het woud leek als een vijand tegenover mijn gehijg te staan. Even dacht ik in de verte het gekraak van een andere inbreker te horen en ik spitste mijn oren. Ik hoorde echter niets dan stilte. De haren in mijn nek bleven overeind staan en ik zette behoedzaam een stap vooruit. Ik keek achter me en het woud werd gevuld met geluiden toen de donkere silhouet die ik had aangezien voor een boom plotseling tot leven kwam. Een onwillekeurige gil ontsnapte mijn keel, terwijl ik mijn voeten in de grond plantte met iedere stap. Ik rende weg in de richting van het water, zonder achterom te kijken of hij me nog volgde. In de verte zag ik het meer liggen; het water weerkaatste het flauwe schijnsel van de maan. Mijn longen deden pijn van het hijgen en de spieren van mijn benen verkrampten. Achter een grote oude spar bleef ik staan. Ik drukte mijn rug tegen de harde bast en voelde de plakkerige hars in mijn haar kleven. Ik durfde nauwelijks adem te halen, bang dat hij me zou horen. Toen ik mijn ogen weer opende, zag ik haar. Ik keek er eerst overheen, maar toen ik mijn ogen langzaam liet terugglijden, zag ik de beweging. Haar dikke, zachte vacht stak scherp af tegen de kille kleuren van het water. Behoedzaam zette zij haar poten aan de rand en keek schichtig om zich heen. Haar oren spitsten zich om ieder geluid op te vangen, en ik durfde nauwelijks adem te halen. Toen boog zij haar kleine spitse hoofd en begon van het water te drinken. Haar vacht had een ongewone kleur; in plaats van het gewoonlijke rood met wit, was zij grijs met wit. In het schijnsel van de maan leek het bijna zilver. Als versteend stond ik naar haar te kijken. Toen richtte ze haar hoofd op en voelde ik een koude rilling over mijn rug lopen. Haar ogen keken me recht aan en ik realiseerde me waarom de haren in mijn nek overeind kwamen staan. Haar ogen waren niet het vertrouwde bruin van een wild dier. De irissen waren van dezelfde kleur als haar vacht, maar werden hier en daar doorbroken met licht, als een brok graniet waar aders van zilver doorheen liepen. In het maanlicht flitsten ze fel op, met de zwarte pupillen onheilspellend in het midden. Mijn eigen ogen waren gefixeerd op de hare, alsof ik me niet kon losbreken van onze mysterieuze connectie. Ik voelde mijn ademhaling tot rust komen, ondanks de paniek in mijn hoofd. De geluiden van het bos leken zachtjes uit te doven, het ruisen van de bladeren werd verstild tot een vage ruis en het willekeurige gekras van een uil verstomde tot gefluister. Zo stond ze mij enige tijd aan te staren, voor mijn gevoel een uur, maar waarschijnlijk slechts enkele seconden. Ze schrok van een geluid, draaide zich snel om en verdween in de duisternis van het bos.
Ondanks haar plotselinge vertrek, voelde ik geen angst. Het was alsof ik wist dat wat er komen zou, moest gebeuren. Alsof ik mijn lot had geaccepteerd en het niet meer uitmaakte. Ik draaide mijn hoofd in de richting van de voetstappen en zag hem staan: schouders breed, hoofd rechtop. Hij keek me aan, zijn ogen zo zwart als de diepte van het meer. Mijn mondhoeken vertrokken in een flauwe glimlach en terwijl ik mijn ogen sloot, hief ik mijn handpalmen omhoog naar de zwarte hemel. Ik voelde het koude metaal scherp in mijn warme huid dringen, waar het in mijn lichaam een schreeuwende pijn veroorzaakte. Het voelde alsof mijn binnenste in brand stond, maar tegelijkertijd bevroor. De stekende pijn benam me de adem en ik opende mijn mond om naar lucht te happen die ik niet kon vinden. Toen hij het mes terug trok, verdween de kou meteen en maakte plaats voor een vloeiende warmte. Ik opende mijn ogen en keek verdoofd omlaag om te zien dat de vloeiende warmte veroorzaakt werd door mijn stromende bloed. De snee zat precies in het midden van mijn buik: een kleine wond van enkele centimeters, het mes schuin omhoog gestoken om mijn hart te raken. Zoals hij geleerd had. Zoals het altijd gedaan was. Ik keek hem nog een laatste keer in zijn ogen en bedacht me dat ze onnatuurlijk zwart waren. Toen breidde het zwart zich uit en ontnam mij mijn blik op de wereld. Ik kreeg nog vaag mee dat mijn hoofd zacht neerkwam op het dek van rotte bladeren en vervolgens was er niets meer.
Lange tijd bleef het zwart, terwijl mijn hoofd verlost was van alle angst, gedachten en gevoelens. Ik nam niets waar terwijl het niets mij waarnam. Vervolgens was er een grote explosie van licht en lawaai en voor ik heb wist opende ik mijn ogen weer. Verward knipperde ik met mijn ogen. Was dit normaal? Ik kon me niet herinneren dat er ooit iets over verteld was. De stilte van het bos om me heen leek minder stil, alsof ieder klein geluid nu verscherpt werd. Mijn keel plakte bijna dicht van de dorst. Ik draaide mijn hoofd en schrok van wat ik zag. Daar zat hij, zijn schouders nog even breed en hoofd rechtop. Hij boog zich over een lichaam dat in de bladeren lag, zijn zwarte ogen gevuld met tranen. Mijn lichaam, realiseerde ik me met een schok. Mijn hart begon sneller te slaan en ik deed onwillekeurig een stap achteruit. Het gekraak van een takje onder mijn voeten deed hem opkijken en ik rende snel weg. Ik zag een struik die tot aan het zwarte water van het meer liep en kroop hier naartoe. Ik sloot mijn ogen en boog me over het water, dat koel en zacht aanvoelde in mijn rauwe keel. Na een paar slokken stopte ik even om adem te halen. Ik opende mijn ogen en keek recht in een paar ogen van donker graniet. Weerkaatst in het oppervlak van het water, leken de aders van zilver licht te geven als het schijnsel van de maan. De taak was volbracht: Ik had mijn plaats ingenomen.