Categorieën
Fictie

De vervorming

‘Daar ambtenaar, pak aan.’ Rens herinnerde zich van de aan hem gerichte verwensing enkel dit laatste deel. Nog geen halve tel later werd zijn onderlichaam slap als elastiek en bungelde hij onwennig en futloos ondersteboven. Een moment later wist hij zijn situatie te verbeteren tot een zijdelings voortbewegen. Een hersenbloeding, had Rens in zijn oneindige en altijd parate hypochondrie de toestand verklaard. Onwennig en geschrokken besloot hij na zich aan iets hards te stoten even te blijven liggen. Hij keek naar zijn collega’s maar raakte gedesoriënteerd door de vervorming waarmee hij ze waarnam. Zijn toestand trof hem niet meteen, al kon dat hem nauwelijks worden aangerekend.
Boven zich zag hij de TL verlichting, bekend terrein voor iemand die het gewoon was onder dit futloze schijnsel te werken. Hij lag op een veld van onnatuurlijk gekleurde kiezels waartussen zich een bruin vlokkige substantie verzamelde. Hij zag -en daar was de vaststelling komen opborrelen- een verkommerende waterplant drijven. Rens keek door het bolle glas naar buiten en besefte dat hij was omgetoverd tot goudvis.

Omdat deze overgang zoiets ongelooflijks was accepteerde hij de situatie alsof het een geboorte betrof. Even later hapte hij al met zwakke zin naar wat vlokvoer dat naar beneden dwarrelde.
Zijn verblijf verkennend stelde Rens vast dat hij op de archiefkast stond. Vanaf borsthoogte keek hij neer op zijn vergaderende collega’s. Uit die groep beende Richard onrustig heen en weer terwijl hij sprak. ‘We hebben zo dadelijk met de wethouder een oefensessie voor de klachtenavond maatschappelijke voorzieningen.’ De stem klonk vervormd, alsof hij Aukje beneden met haar moeder hoorde bellen als hij in bad lag. Hij beschouwde zichzelf ook in deze toestand nog altijd als specialist maatschappelijke voorzieningen. Rens kon zich inmiddels de tierende man -of tovenaar eigenlijk- weer helder voor zich halen.
Deze was in zijn scootmobiel voor de schuifdeuren van het gemeentehuis blijven steken. De sensor had kuren en door de klapdeuren had hij niet zelfstandig naar binnen gekund. Rens had hem vriendelijk geholpen, maar de man leek minstens zo verbolgen door de defecte deuren als zijn invalide toestand. ‘Zet die deuren dan gewoon open stelletje halfwassen, dit is een openbaar gebouw,’ had de man hem toegebeten.
‘U mag mij gewoon met respect behandelen meneer,’ had Rens zich netjes verweerd. ‘Ik help u toch.’

Door het oponthoud was hij aan de late kant bij het overleg aangeschoven. Plotseling had iedereen opgeschrikt naar de figuur in de deuropening gekeken. Rens dacht nog dat de man in zijn scootmobiel als ervaringsdeskundige was verschenen, als speels ingepast onderdeel van het programma. Dat zou de interruptie hebben verklaard, maar niet het opwellende speeksel dat tijdens het fulmineren op onberekenbare momenten van zijn lippen spatte.
Blijkbaar uitgeput na de krachtige spreuk had de magiër zich weer in zijn scootmobiel laten zakken.

Tot Rens zijn verbazing was de vergadering na deze opschudding -en zijn verandering- gewoon voortgezet. Alsof er een schaakstuk was weggenomen zonder dat iemand hier ook maar de minste acht op sloeg.
‘Ik ben het met de wethouder eens, we moeten blijven hameren op zorgvuldigheid van de procedures,’ dicteerde Richard.
‘Zelfs zorgvuldige procedures moeten sneller worden afgerond dan onze uit de lucht gegrepen zes weken.’ Vanachter het glas zag hij dat Renske bleef zitten terwijl ze sprak. ‘Haar wollen trui en zuinige mondje verraden een idealistische inborst,’ had Richard ooit geschamperd bij de koffieautomaat. Renske had inmiddels frontale koers uitgezet, ‘Het is niet de uitkomst, maar het transparant maken van de procedure.’ Rens keek naar de rode vlekken die zich in haar hals aftekenden. ‘Als de klant niet betrokken wordt in ons afwegingskader zijn we niet dienend bezig.’
Richard nam een gespeeld machteloze houding aan. ‘De burger kijkt naar zijn eigen belang, wij zijn er om het grotere geheel mee te wegen bij de verdeling van publieke zorggelden. Het woord “publieke” benadrukte hij alsof verkwanseling op de loer lag bij inmenging van deze groep. Zichtbaar geërgerd schudde Renske haar hoofd. ‘Als iemand een aanvraag doet, of dit nu over een traplift, een rolstoeldrempel of huishoudelijke ondersteuning gaat -de rode vlekken waren inmiddels zichtbaar tot diep in haar hals- ondersteuning van aanvraag tot afronding zou het doel moeten zijn.’
Rens luisterde bewonderend naar haar klaarheid en dacht terug aan de “meedenkdag.” Ze waren om de oren geslagen met klachten als; slechte bereikbaarheid, onduidelijkheid van de procedures en terugkoppeling die deskundige en betrokken inhoud miste. De wethouder had met een gulle toonzetting aangegeven ‘alle klachten te verzamelen en mee te nemen.’
Renske onderbrak zijn gedachten met de staart van haar betoog, Richard was inmiddels gaan zitten. ‘De ambtelijke werkwijze is een compleet abstract model geworden en traineert mensen in plaats van aan te sluiten. Dat is nu precies de woede van meneer Van der Laan, we zouden er goed aan doen zijn expertise te benutten. Als belangenbehartiger van werkgroep “onnodige drempels” weet hij waar hij over praat.’
Naast tovenaar dus ook tijd voor een nevenfunctie, dacht Rens getroffen.

Nog geen half jaar eerder was Rens door de wethouder hartelijk gecomplimenteerd met zijn dossierkennis en scherpe wijze van “objectiveren en opknippen van de zorgvraag.” Glimmend als een kerstbal had hij het compliment ontvangen. Enkel die keer dat hij “zo mooi” gesproken had op de crematie van oom Jos kwam qua trots in de buurt.
Zijn studie, intellect of ijver kon geen voorspeller zijn geweest van de snelle klim door de gemeentelijke regionen. De studie sociaal werk had hij maar middelmatig afgeraffeld. Om het vervolgens te schoppen tot onderdeel van het systeem dat een ambtelijke werkelijkheid had voortgebracht. Hierin was hij slechts afgeremd door zijn transformatie tot goudvis.
Hij dreef hier al weken, misschien zelfs maanden rond. Hij keek naar het sediment dat hij liet opdwarrelen met zijn staart. Denkend aan de schoolgoudvis -een dier dat na iedere schoolvakantie zogenaamd herboren was- versomberde hij verder.
Eenmaal dacht hij in de zon van de hitte te zullen stikken en anders wel van het drijven in zijn eigen stront. Opzichtig happend aan de oppervlakte, had hij naast zuurstofopname de aandacht van zijn collega’s willen trekken. In een toevallig geluk had iemand de zonwering laten zakken.
Op vrijdag werd er vaak zoveel voer in de kom gegooid dat algengroei de overhand nam. Ze kunnen verdomme nog niet voor een goudvis zorgen, dacht Rens geïrriteerd. Door het troebele water en met alg begroeide glas keek hij de ruimte in. Zijn vergaderende collega’s leken verder weg dan ooit.

Hij dacht anders na, vrijer, meer associatief en misschien zelfs creatiever. Wellicht een bijwerking van oplopende nitraat waarden in het water, of het schommelende zuurstofpijl. De man moest wel woedend zijn geweest hem zoiets aan te doen. Dat de tovenaar kort na zijn bezwering tot goudvis de wethouder had omgetoverd in een naaktslak -beslist een nog ondraaglijker lot- ging aan Rens voorbij.

In de ochtend kreeg Rens stekende pijn in zijn vissenkop. Nog altijd hypochonder werd zijn opsomming over de diverse ziektebeelden van de goudvis ruw onderbroken. Met het geluid van knappend glas en stuiterende kiezels hing hij slap over de archiefkast. Even was het stil, waarna de ruimte zich vulde met het gegil van collega’s. Even onwennig als bij de metamorfose naar vis worstelde Rens met zijn ledematen die slap als rubber naar houvast zochten. Als een aal gleed hij van de kast waarbij hij zich aan een glasscherf sneed. Warrig en volledig naakt probeerde hij zich op te richten. Bij het staan schommelde hij als een beschonken zwerver en vond vallend steun tegen de muur. Wankel maar gelukkig met zijn menselijke gedaante vond hij langzaam zijn evenwicht. Van de tafel griste hij Nelly’s lange vest waarmee hij zich toedekte.

‘Hierbij leg ik mijn functie per onmiddellijk neer,’ riep Rens bij het weglopen. Aan hun lege en vragende blikken te oordelen vroeg hij zich af of de collega’s hem wel hadden verstaan of zelfs herkend.
Op een draf doorkruiste hij de centrale hal, de schuifdeuren naar buiten openden automatisch.

Eenmaal het gebouw uit snoof hij de buitenlucht op, gebakken vis en stroopwafels. Zich niets aantrekkend van zijn vreemde uitdossing rende hij over het marktplein.
Enkele dagen later zou hier ook de wethouder voorbij komen rennen. In verwarde toestand zou hij zich in een haag verstoppen en pas tevoorschijn komen bij invallende schemering en een motterige regen. Een weerbeeld dat hem gedurende zijn verdere leven gerust zou stellen, dit in tegenstelling tot voorbijsnellende fietsen.

Rens rende inmiddels hijgend door de zijstraat langs de sigarenboer, zo de drukte vermijdend. Na tien minuten afwisselend wandelen en rennen, stommelde hij de wijk binnen. De coniferen, de brievenbus, het parkeerplaatsje omrand met rotte houten paaltjes, de Fiat van Aukje -hoera-.
Zwetend en hijgend duwde hij het houten poortje open. Druppelend liep hij over het zeil van de bijkeuken door naar de woonkamer. Aukje keek verschrikt op vanaf de bank, ‘Waar ben jij zolang geweest?’ Haar “zolang” beoordeelde Rens als uit een ander continuüm van tijd dan dat van hem, maar blijkbaar lang genoeg om hem om de nek te vliegen.

‘Ik ben teruggekeerd naar het water en vervolgens weer aan land gekropen,’ antwoordde hij.