Categorieën
Fictie

De verlossing

De verlossing

Vanmorgen zijn er weer een paar blijven liggen. Dood of levend? Niemand heeft gekeken. Waarschijnlijk is uitdroging ze fataal geworden. Misschien hadden ze gisteren de tergende dorst niet meer kunnen weerstaan en hun rantsoen te snel opgemaakt. Misschien hadden ze daarna nog gebedeld om water. Tevergeefs natuurlijk, niemand geeft water weg. Straks worden de flessen weer gevuld. Elke keer is het minder. De meeste rivieren en beken die ze passeren staan droog. Af en toe vinden ze een poel met troebel water. Dat maken ze drinkbaar met pillen, waarvan de voorraad verontrustend snel slinkt.
Het kan ook zijn dat ze zijn blijven liggen omdat ze de zinloosheid van de expeditie inzagen. De eindeloze tocht naar het noorden, op zoek naar een leefbaar gebied, waar het af toe regent, waar mensen en dieren kunnen overleven, waar de aarde groen is. Bestaan zulke oases wel? Niemand weet het.
Toch gaat de karavaan verder. Nadat de waterrantsoenen zijn uitgedeeld, worden de karren opgeladen en de onwillige paarden ingespannen.
De groep bestaat uit een twintigtal mannen en vrouwen. Geen kinderen, geen bejaarden. Al maanden trekt het haveloze gezelschap door dorre, verlaten streken, steeds verder naar het noorden. De stadjes en dorpen die ze passeren zijn uitgestorven. Op de velden zwerven verwilderde kuddes koeien en schapen. Af en toe vangen ze een dier en slachten dat. Veel vlees zit er niet op de botten.
De wegen die ze volgen zitten vol kuilen en gaten. Boomwortels hebben het asfalt doen openbarsten. In de kieren staat verdord onkruid. De wagens waarmee ze hun voorraden vervoeren, werden lang geleden gebruikt voor het maken van nostalgische huifkartochten.
Ze mijden de hoofdwegen. Op veel plaatsen, vooral in de periferie van de steden, zijn deze versperd door karkassen van auto’s en vrachtwagens, die op hol sloegen toen het Systeem het definitief begaf. Gedisciplineerde verkeersstromen veranderden op slag in totale chaos. Kolossale vrachtwagencombinaties raakten van hun baan en veegden personenauto’s op een hoop alsof het dominostenen waren. Chauffeurs, die zich veilig waanden in de luxe van hun zelfsturende bolide, belandden in een inferno van verkreukeld ijzer, exploderende accu’s en laaiend vuur. Wie niet op slag dood was, stikte door de zwarte, giftige rook.
Dimitri heeft een paar wegenkaarten. Die heeft hij gevonden in een aftands winkeltje in een van de ontzielde dorpen waar ze doorheen getrokken zijn. De kaarten zijn sterk verouderd. In combinatie met de zon, die elke dag onbarmhartig schijnt maar nauwelijks warmte geeft, bieden de kaarten Dimitri toch enig houvast bij het bepalen van de route. Van tijd tot tijd kruisen ze een blauwe lijn op de kaart. Meestal blijkt het blauw in werkelijkheid geen water maar een grijze geul in het uitgedroogde land. Soms sijpelt er nog wat water tussen de stenen.
Vandaag dirigeert Dimitri de groep in de richting van een stuwmeer. Misschien is van de miljoenen kubieke meters water die de immense betonnen dam in bedwang hield, nog iets over. Tegen het middaguur passeren ze een rij hoogspanningsmasten. De kabels voerden de stroom van de waterkrachtcentrale bij de dam naar steden en dorpen in de regio. De borden met ‘hoge spanning, levensgevaarlijk’ zijn zinloze artefacten.
De karavaan stokt. Een van de paarden is blijven staan. Hij schudt met zijn kop. Yasen slaat met de teugels op de bezwete rug van het paard. In plaats van in beweging te komen, vouwt het paard zijn voorbenen, zakt door zijn achterbenen en gaat liggen. Het tuig waarmee hij aan de kar vastzit, verhindert dat hij op zijn zij gaat liggen.
Als de mensen door hebben wat er aan de hand is, gaan ze in de berm zitten. Er wordt geruzied.
‘Stomme beesten. Slobberen ons water op en geven er dan de brui aan. We kunnen ze beter opvreten.’
‘En dan neem jij de vracht zeker op je nek? Nee, zonder paarden komen we d’r niet.’
‘We komen sowieso nergens, met of zonder paarden. Vroeg of laat zakken we allemaal door onze hoeven.’
Yasen komt van de kar en maakt met moeite een paar riemen los. Voordat hij het lamoen waartussen het paard liep omhoog kan klappen, zakt het paard naar één kant, met zijn kont op een van de poten van het lamoen. Met een knal breekt de verbinding met de kar.
Nada en haar zuster Mila zijn de enigen die Yasen te hulp zijn geschoten. Mila sprenkelt wat water op de gebarsten lippen van het paard en klopt hem bemoedigend op de hals. Het dier reageert niet. Er gaat een rilling door zijn flank, alsof hij horzels van zijn lijf wil schudden. Een laatste stuiptrekking.
Weer is een paard bezweken.
De meest noodzakelijke voorraden verdelen ze over de twee overbleven wagens. De rest laten ze achter bij het dode paard.
De karavaan komt weer op gang. Met slepende tred gaan ze verder. Uitputting heeft ze afgestompt. Alleen een hardnekkig instinct om te overleven houdt deze mannen en vrouwen gaande. Ze praten nauwelijks met elkaar. Wat valt er nog te zeggen?
Door de dood van het paard zullen ze het stuwmeer vandaag niet meer bereiken.

De karavaan arriveert bij een kleine stad. Als ze de resten van een winkelcentrum passeren, gaat Yasen met nog twee mannen op onderzoek in wat eens een mega-supermarkt was.
Ze lopen tussen de autowrakken door naar de ingang. Het ruikt er nog steeds naar verbrand rubber. Sommige auto’s zijn met de oplaadpalen verbonden door half verkoolde kabels, navelstrengen van de dood. De glazen schuifdeuren staan wagenwijd open. Een muffe, zurige lucht walmt ze tegemoet. Binnen is de chaos compleet. Vitrines waarin de duurdere elektronica was uitgestald, zijn stuk geslagen. De schappen waar tv’s, computers, espressomachines en andere slimme huishoudelijke apparaten stonden, zijn leeg.
Alles werd geroofd in de dwaze veronderstelling dat het Systeem wel weer zou gaan functioneren. Eerdere haperingen waren immers ook van tijdelijke aard geweest. Maar een fatale, mondiale kettingreactie had het ene datacentrum na het andere vernietigd. Alle informatie die veilig opgeslagen leek in ‘the cloud’, verdween. De wereld werd op slag diep dement.
Ze banen zich een weg door de rotzooi. De inhoud van de koelvakken is overdekt met een weelderige laag groenblauwe schimmel. Van de diepvrieskippen die uit hun plastic omhulsel zijn gebarsten, resten slechts botjes en uitgedroogde, donkerbruine stukken vel. De drankenafdeling is leeg.
Ze inspecteren het magazijn, maar ook daar is geen frisdrank, bier of mineraalwater meer te vinden. Het enige wat ze meenemen zijn een paar dozen pasta, wat zakken rijst en een tiental conservenblikken. Als ze met hun buit buiten komen, is het bijna donker.
De groep neemt zijn intrek in een kerk. De banken en stoelen gooien ze op een hoop om ruimte te maken voor hun slaapmatjes. Een paar kerkbanken slaan ze stuk en stoken er vuurtjes van om de kilte te verdrijven en wat water te koken voor het eten. De rook trekt weg door de gaten in de glas-in-lood ramen.

Het ochtendritueel voltrekt zich in stilte. Nadat ze wat gegeten hebben, vult Dimitri de water-flessen. Ieder krijgt een halve liter.
‘Toe, Dimitri, meer … alsjeblieft,’ fluistert een vrouw. Ze kan nauwelijks een woord uitbrengen. Hij ziet de smekend blik in het uitgemergelde gelaat. Dimitri slaat zijn ogen neer en geeft haar de half gevulde fles.
‘Volgende.’
Nadat de rantsoenen zijn uitgedeeld, is de watervoorraad zo goed als uitgeput. De overgebleven paarden worden ingespannen en de karren opgeladen. Traag komt de karavaan op gang. De kou van de stenen vloer waarop ze hebben geslapen is in hun botten gekropen. De zon is op maar geeft nog geen warmte. Er staat een gure oostenwind. Huiverend in hun schamele jassen – sommigen hebben een deken om hun schouders geslagen – schuifelen ze achter de karren aan. De paardenhoeven tikken op het asfalt. Verder is het ijzig stil.
De weg slingert als een golvend grijs lint over een desolate hoogvlakte. Na een paar uur stuit de karavaan op een helling. Mensen en paarden duwen en trekken de karren omhoog. Aan de andere kant is het stuwmeer.
Ze houden halt op de betonnen dam die de kloof afsluit waarin zich ooit het water ophoopte. Rechts staat in de diepte de ruïne van een waterkrachtcentrale. Links strekt zich een grijsbruin maanlandschap uit van stenen en opgedroogde modder. Aan weerszijden rijzen loodrechte hellingen op. Aan de voet van de dam staat nog water. Het is een flinke plas, zo veel hebben ze in tijden niet gezien.
Zwijgend groepeert het gezelschap zich bij de balustrade. Tachtig, negentig meter onder hen glinstert het wateroppervlak. Dan klimt Dimitri over het hek en springt. Een ijselijke kreet weergalmt tegen de damwand. Het duurt niet lang voordat anderen zijn voorbeeld volgen. Als lemmingen storten zij zich van de stuwdam en slaan te pletter op het verlossende water.
Verbijsterd kijkt Yasen toe hoe de een na de andere in de diepte verdwijnt. Dan ziet hij Nada en Mila. Ze staan met hun rug naar de balustrade en klampen zich aan elkaar vast.
Op de dam schrapen de paarden onrustig met hun hoeven over het kale beton.

Sietse Postma