Categorieën
Fictie

DE VAL

Ik kijk op de klok. Opnieuw. De seconden, als waren ze gevangen in een web, kunnen niet vooruit. De wijzer valt steeds weer terug naar de beginstand. Takelt zich op, om dan weer krachteloos neer te zinken.

Ik kijk haar aan. Mijn lief. En ik zie hoe de beduimelde blaadjes op de leestafel háár aandacht wel hebben weten te vangen.
In mijn handen leiden ze niet af.
De veelbesproken avontuurtjes en de in het geniep genomen foto’s worden wazig onder mijn ogen, om tenslotte in het grote niets van verloren aandacht te verdwijnen. Ze worden opgeslokt door die ene peilloos diepe gedachte die alles verslindt. En die me tegelijkertijd vol stopt met vrees.

“Goedemorgen”, zegt de volgende patiënt die binnen komt.
Ik kijk op, maar zie haar niet.
Er is een omtrek, een vage gestalte, maar haar afbeelding blijft net voor mijn netvlies hangen.
Knik ik haar toe?

Als dan mijn naam klinkt, is het mijn lief die me aanstoot.
Want zelfs mijn naam blijft op afstand, klopt aan, maar wordt niet binnen geroepen.
Liever hoor ik hem hier ook niet. Mijn naam. Liever was ik zelf hier ook helemaal niet geweest.
Liever nog was ik opgegaan in een rij toevallige passanten in een willekeurige winkelstraat. Een rij die achteloos aan fel oplichtende reclameboodschappen voorbij loopt.

Ik hoef niet te horen wat ik al weet. Vermoed? Nee weet.
De inleidende woorden die het begin van een ‘ja’ zijn, van de bevestiging die ik niet wil, maar wel moet horen. Het ‘ja’ dat al meteen dat kleine beetje hoop, dat nog ergens in een hoekje verscholen ligt, ondersteboven blaast.
Of is het zelfs al die eerste licht geloken oogopslag van de arts waaruit het vonnis zich laat aflezen, nog voordat er een woord gesproken is?

Ik richt mijn blik op de uitgang. Is er nog ruimte voor een ontsnapping? Een uitweg voor de hoop dat ik hier niet ben? En ook niet hoor?
Dat ik me simpelweg heb vergist en in mijn onnozelheid de verkeerde deur heb gekozen.
Ze legt haar arm op die van mij.
‘Kom’, zeg ze, ‘we moeten naar binnen’.

Veel later, als alles al lang helder is en de perspectieven, of liever de afwezigheid daarvan, zijn geschetst, vraagt zij of ik er bang voor ben.
Ik vraag: “voor de zwarte sluier die me aan het zicht onttrekt?”
En ik zie hoe haar ogen donker kleuren en de lippen een aanvalspositie kiezen.
Gauw verontschuldig ik me met een flauwe glimlach voor mijn toon. Voor de poëzie waarmee ik het wrede, dat onvermijdelijk is, afscherm en toe dek.
Misschien ziet zij liever nog steeds ontkenning en verzet. Boosheid. Verdriet. Over het wrede lot dat me treft. Zoekt ze de opstandigheid, zodat duidelijk wordt, hoeveel ik om haar geef en hoe zwaar het afscheid me valt.
Maar het is er niet meer. De emoties zijn opgelost in het ritme van de nevel die ’s ochtends opstijgt vanaf het natte gras en even later de dag al weer toedekt in het schemerduister die steeds vroeger valt. In dat dagelijkse ritme is het verzet gesleten. Opgelost en opgenomen in de zekerheid van wat eigenlijk al voorbij is.

Zij stelt een reis voor.
Een verhuizing.
Een uitzinnig dansfeest.
Een zeewaardig jacht.
Ik zeg: “het reist overal met ons mee”.

Daarop slaat ze de kamerdeur dicht. Ik hoor de kleerhanger van de kapstok vallen als ze haar jas pakt. De ruiten trillen na van de ferme knal waarmee de voordeur dicht valt.
Ik blijf onbewogen zitten in mijn stoel.
Hoe overbrug je afstand als je al vertrokken bent?

Och mijn lief. Ik weet dat zo meteen de klik van de achterdeur te horen zal zijn als die weer open gaat. De frisse wind die dan langs mijn nekharen zal tintelen. Je lippen die mee zullen glijden als slotstuk van een lange ademtocht.
En dat je zult zeggen: “Wat dacht je van een ijsje, schat?”
En dat ik die dan vervolgens dankbaar aanvaard.

Ik heb de afweging al vele malen eerder gemaakt. Al toen het er pas was en het elk gesprek domineerde. “Hoeveel woorden wijd ik er aan?”
En al snel vroeg ik me af hoeveel het me eigenlijk waard was? Die aandacht. Of ik wel blij ben met de schaduw die mijn lot over elk gesprek werpt?
Want meestal als ik in gezelschap spreek over wat mij is toegevallen, zie ik het ongemakkelijke schuiven aan de overkant. De hand die ineens over de kin schuift. De blik die eerst weg valt en even later op mij gefixeerd wordt: onnatuurlijk en ongemakkelijk. De empathie die plotseling een plaats moet krijgen.
Gisteren nog.
“Maar hoe lang weet je het al?”
En dan dat langgerekte ‘Och……’, dat klinkt als ‘och arm’.

Ik merk dat mijn openheid over ‘hoe ik mij voel’ een eind aan de grote gebaren van de ander maakt. Een eind aan de geestdrift van mijn gesprekspartner, als hij vertelt over verre reizen, grootscheepse verbouwingen, succesvolle zaken. Enthousiasme, dat met mijn bekentenis per direct neer slaat en wordt als de walm van een daarvoor nog fel brandend vuur, dat nu gedoofd wordt onder een teveel aan nieuw net te nat hout. En mij terug werpt op die ene gedachte, die ik niet wil denken.

Nee, liever zwijg ik en aanvaard ik de pijn die er ook ligt in de perspectieven die de ander schetst en die mij confronteren met wat bij mij is weggevallen. Want los van die pijn, laaf ik me tegelijkertijd aan de levenszin van de ander. Ook al weet ik, dat mij geen weidse horizon meer rest, maar enkel nog het ravijn met de steile helling waarvoor ik nu sta. De diepte die overigens ook steeds meer lokt, omdat het aan al dat ongemak een einde maakt.

En dus koester ik me aan dat onbekommerde gesprek met degene die van niets weet en die met hartstocht vertelt over een lapje stof, wat touwtjes, een klein motortje voor de veiligheid en dan van de heuvel af de lucht in. Thermiek na thermiek mee glijden op de wind. Ver boven de weerbarstigheid van het landschap waaraan je dan ontheven ben.

En vraag ik: “wanneer gaan we?”
Ook al rest mij de volgende dag enkel het bed.

Daar zie Ik hoe de seconden zich laten vallen. Eén voor één en in een gestaag ritme. Er is geen web meer dat vertraagt en dat de tijd ophoudt.

En dan is het vandaag. Mijn lief heeft zich even afgezonderd. Ook voor haar tellen de dagen zwaar. Hoe haal je nog adem in een al vacuüm getrokken ruimte? Waar ben je nog als je lief al weg is? Als hij zich al verzoend heeft met wat voor jou onbestaanbaar is?

Ik lig hier alleen. Gelukkig. Geen gerochel van andere in ademnood verkerende patiënten. Geen tv, die boven de bedden in felle kleuren om de paar seconden van beeld verschieten. Geen spoor van bezoek dat luidruchtig uiting geeft aan goede hoop, terwijl er om stilte wordt gevraagd.

Op de witte muur hangt geen schilderijtje, geen sliert van goed bedoelde kaartjes. Nee, liever sluit ik me af, voor al die tastbare bewijzen van wat ik ga missen. De koppoters tekeningen van mijn kinderen, de stemmige bossferen van familieleden, de wolkenimpressies van mijn vrienden. De dappere pogingen om de goede toon te vinden in een naderend afscheid.
Er hangt alleen de klok die, telkens als ik mijn ogen opsla, me wijst op het verstrijken van de tijd. Onafwendbaar. Wat ooit begonnen is als een vat vol uren, loopt nu leeg. Niet eens zo zeer snel, maar wel gestaag.

Als ik mijn hoofd opzij leg en naar buiten kijk, valt er net op dat moment een blad. Niet in een rechte lijn, maar dwarrelend. Het ene moment naar beneden. Dan weer komt de wind en wordt het blad opgetild, verschuift het een eindje naar links, terug naar rechts waarna de zwaartekracht weer een rukje naar beneden geeft. De val is ook voor dit blad onvermijdelijk. In maart nog beloftevol begonnen als een klein groen knopje, heeft het in de zomer de glorie van het volgroeide blad gekend maar moet het nu, inmiddels roodbruin gekleurd, het leven weer los laten om op de grond weer aarde te worden.

Ik draai mijn hoofd naar de andere zijde.
De deur is dicht.
Dat heb ik ook het liefst. Ik wil mijn aandacht voor het verloren gaan van de seconden niet laten verstoren door taferelen op de gang. De dagelijkse wissewasjes.

Dan weer richt ik mijn blik recht voor mij op de witte muur.
Ik schrik. De wijzer stokt.