Categorieën
Fictie

De val van Renscor

Dorothea, de dochter van de graaf van Renscor, liep naar haar ouders toe. Zodra ze aan tafel zat kwam er hijgend een man binnenrennen. “Het koningshuis… ze zijn gevallen en rebellen zijn nu hiernaartoe onderweg, jullie moeten vluchten!” Haar ouders keken elkaar even met schrik aan en binnen enkele tellen rende haar moeder van tafel, iets dat ze nooit deed. “Ik hoopte dit nooit nodig te hebben!” Zei ze en pakte drie tassen uit een kast. Ze gaf iedereen een tas en snelde zich naar een dienstdeur, gevolgd door de verwarde Dorothea en haar vader.

“Moeder, waarom doen ze dit?” “Ze waren ontevreden over de monarchie, nu willen ze het vernietigen.” Antwoorde haar moeder. Toen ze buiten kwamen was in de verte de menigte al zichtbaar. “Snel! We moeten de bergen in!” Riep haar vader. En ze renden naar de achterliggende bergen. De paarden van de rebellen begonnen al hoorbaar te worden. Angstig begon Dorothea te rennen, zo hard ze kon, tot haar korset tegen haar longen begon te drukken. Uiteindelijk viel ze in de sneeuw, snel keek ze achterom. Haar ouders waren uit het zicht, net als de rebellen. Maar op de achtergrond hoorde ze een zwaardgevecht. Snel keek ze in haar langwerpige tas, hopende op een zwaard, waarmee ze goed getraind mee was.

Ze maakte de riem met het zwaard vast rond haar middel, en liep voorzichtig naar het gevecht toe. Het was alleen haar vader met nu nog één rebel. Maar vlak voordat ze wil inspringen schiet het zwaard van de rebel door haar vader heen. “NEE!” Schreeuwde ze luid. Trillend loopt ze naar de rebel toe.

“Waarom doen jullie dit?” Zei Dorothea, tranen rollen over haar wangen. “Jullie laten mensen sterven zonder reden! Executies zonder reden! Vind je dit nou echt zo gek!” Zei de rebel “wat? Dat lieg je de mensen hebben het goed!” “Je bent echt blind.” Zei de rebel en viel haar aan. Snel greep ze haar zwaard, blokkeerde de aanval. Ze gleed onder zijn arm door over de crimson rode sneeuw, swingt haar zwaard achter haar naar de man en raakt zijn onderrug. De man, die niet gedacht had dat ze echt kon vechten, buigt wat voorover en keert zich om. Ze swingt haar zwaard dat samen met het zijne botst. Ze ging door met aanvallen, en raakte hem licht over zijn been. De man werd duizelig door zijn bloedverlies, hij viel op zijn knieën en zijn zwaard viel in de sneeuw. Dorothea twijfelde maar deed toen haar zwaard weg. “Waarom eindig je me niet?” Vroeg de man verbaast. “Ik dood geen mensen die ongewapend zijn.” Zei ze. Ze liep verder de bergen in, en vocht om haar tranen terug te houden. Haar leven zou nooit meer hetzelfde zijn.

Toen ze niet meer verder kon ging ze zitten op een omgevallen boom en haalde haar tas erbij. Ze zag een schaar en kleding dat van een dienstmeid had kunnen zijn. Snel trok ze behalve haar korset en onderjurk alles uit en kleedde ze zich in de andere kleding aan. Toen ze weer in haar tas keek zag ze dat haar kleine tiara er ook nog in zat, samen met nog wat vuurstenen. Ze keek even naar de tiara en propte toen boos haar nette jurk met bloedvlekken in de tas. Ze nam de schaar en knipte haar lange haren af tot iets over haar schouders. Ze gooide het afgeknipte haar over een paar takken en zette het in de brand. Ze deed haar capuchon van haar cape op, ging liggen naast het vuur en viel in slaap.

De volgende ochtend werd ze wakker door gepraat in de verte. Snel ging ze overeind zitten, het vuur was al een tijdje uit. Ze zag een kar aankomen en twijfelde wat ze moest doen, ze had honger, maar wat als het rebellen waren die haar konden herkende? Ze besloot om te blijven zitten. Toen de wagen dichtbij was gingen de paarden langzamer rijden, tot ze tot stilstand kwamen. In de wagen zaten twee mannen, ze herkenden haar niet. “Bent u verdwaald, vrouwe?” zei één van de mannen “Ja, ik denk het wel.” Antwoorde Dorothea. “Wij gaan naar het dorp vlakbij. Het is een half uur rijden met wagen, wilt u meerijden?” “Ja graag, dank u.” Zei ze. Ze liep naar de wagen, waar één van de mannen zijn hand uitstak om haar te helpen. “Dank u.” Zei ze.

Dorothea zat stil in de wagen voor zich uit te staren tot één van de mannen haar aansprak. “Hoe heet u als ik vragen mag?” Ze dacht snel na en antwoordde: “Thea, wat zijn de uwe?” “Ik ben Nathaniel, hij is Damian. Mag ik vragen waarom u, als jonge vrouw, alleen in de bergen was met een koninklijk zwaard?” “Ik uhm, was weggevlucht, van mijn ouders. Ik vond het zwaard naast een lichaam bij de voet van de berg. Ik dacht dat het handig zou zijn indien ik moet jagen.” “ Dat zal dan wel het zwaard zijn van de gravin, het lijkt op een vrouwelijk zwaard. Hoe dan ook, het wordt druk met het feest vanavond. Laat het maar niet zichtbaar zijn, straks word je nog op het blok gelegd.” “Vanwaar het feest?” Zei ze terwijl ze voorzichtig haar zwaard in haar tas deed. “De monarchie is gevallen, alle koninklijke leden zijn dood. Op één Freule na, de dochter van de graaf. Een klein groepje zoekt haar nog, maar men ziet haar niet als een groot dreigement.” Zei hij terwijl ze het dorp binnenreden. Dorothea keek om zich heen en zag enorme armoede. Mensen zaten te bedelen om eten, kinderen zaten te huilen.

“Het is een goede dag vandaag.” Zei Nathaniel. “Hoezo goed? Mensen lijken bijna te sterven van de honger. Hoe is dit een goede dag?” Zei Dorothea. “Waar heb jij geleefd? Dit, dit dorp heeft het nog het beste. In de andere dorpen of steden is het erger, daar ruik je de geur van de mensen die verhongerd zijn en sommige plekken zijn al helemaal uitgestorven. Waarom denk je dan dat mensen in opstand gekomen zijn? Men hoefde maar naar een koninklijke te kijken of ze werden al geëxecuteerd.” Zei Nathaniel. Dorothea werd misselijk, en niet alleen van de stank, maar ook hoe ze haar hele leven voorgelogen werd door ieder om haar heen. Het feit dat haar werd verteld dat ze leefde in een land van overvloed waar niemand ook maar iets tekort kwam of te klagen had. Maar blijkbaar hebben ze dus niet eens de tijd gehad om te klagen.

Ze begon te kokhalzen en moest overgeven buiten de wagen en direct kwamen de mensen eropaf om het weer te eten. Ze voelde zich schuldig. Ze dacht dat zij al enorme honger had, maar dit… Een traan rolde van haar wang. “Gaat het wel, Thea?” zei Nathaniel toen de wagen stopte voor een klein huisje. “Wilt u anders binnen wat drinken?” “Graag, bedankt. Zou ik misschien even ergens alleen kunnen zitten?” “Tuurlijk, er is een klein schuurtje, als je door het huis loopt vind je het vanzelf.” “Dank u.” zei ze en snelde zich naar het schuurtje, maar eerst legde ze haar tas neer. Toen ze in het schuurtje kwam viel ze op haar knieën. Door alle emoties begon ze te hyperventileren en had ze haar handen in haar haren, en begon ze te huilen.

Toen vloog de deur open en snelden Nathaniel en Damian naar binnen. Nathaniel hield haar tiara omhoog. “Jij bent dus toch de Freule!” Zei hij woedend. “Lever me alsjeblieft niet uit, mijn ouders hadden gelogen. Als ik dit wist… ze zeiden dat iedereen het goed had, ik heb het slot nooit eerder verlaten. Alsjeblieft, als ik dit wist stond ik aan jullie kant, maar ik wist het niet!” “Zou je je ouders verraden?” zei Damian. “Ze zijn nu dood, maar ja.” “Had je ze dan kunnen doden?” vroeg Damian. “wat?.. n-nee, ik zou mijn eigen ouders nooit kunnen vermoorden! Het blijven mijn ouders.” “Zie je Nathaniel, ze staat niet aan onze kant.” “Damian, je vraagt ook het onmogelijke. Wij zouden het ook niet kunnen.” Zegt Nathaniel. Dan stapt Dorothea naar hem toe en grijpt de tiara, gooit het stuk tegen de muur en raapt de diamanten van de tiara op.

“Het enige wat ik wil is dat de mensen eten krijgen.” Zei ze en ze drukte de diamanten in Nathaniels handen. “Als we je laten gaan willen ze onze hoofden ervoor hebben, dat laat ik niet gebeuren.” Zei Damian en hij greep haar arm. “Nee, alsjeblieft!” Riep ze, maar Damian liep door naar de voordeur en sleurde haar mee. Toen ze voorbij haar tas kwamen rukte ze zich los en pakte snel haar zwaard, dat er nu bovenop lag. “Blijf daar!” riep ze. “Geen stap.” Ze had het nog bebloede zwaard op hun gericht en liep langzaam naar achteren. Eenmaal bij de deur zette ze het op een rennen. De bergen in, hopend ooit onderdak te vinden bij hun buurland. Welke richting dat ook op was…