Categorieën
Fictie

De uitslag

Gijs zit op een bankje in de bushalte. Een verwoede poging op tijd te zijn voor de bus is mislukt. Gelukkig is hij daardoor wel op tijd voor de eerstvolgende. Het regent flink. Starend naar de straat, ziet hij hoe er plassen ontstaan. Een voor kleine dieren vervaarlijke stroomversnelling vormt zich in de goot langs de weg. Het voert de geelbruine bladeren af die zich daar hadden verzameld, opgegeven door de takken van de kastanjebomen die gewichtig over de weg hangen.
Als hij de bus opmerkt, bindt hij zijn mondkapje voor en stapt de regen in. Druppels in zijn grijze haren, op zijn neus. Een andere druppel die zijn oorschelp binnenloopt. Hij staat aan de weg. Lijn 5. Nu de bus nabij is kan hij de verlichte koersrol lezen, ‘Ziekenhuis’ staat erop. Ondertussen passeert een ongeduldige scooterrijder op hoge snelheid de vaart minderende bus en duikt richting de stoep door een van de nieuwgevormde plassen. Het water spat op, en golft over de onderbenen van Gijs. Het gesis van de openschuivende deuren overstemt zijn zucht.

***

Als Gijs naar de voorkant van het ziekenhuis loopt, ziet hij een lange rij wachtenden. Ze staan, schuilend voor de regen, onder een provisorisch opgebouwde witte evenemententent. Hij past er net niet bij. Hij hoort hoe een jonge vrouw met een neongeel hesje repetitief haar vragen stelt. ‘Heeft u verkoudheidsklachten?’
‘Nee,’ zegt de persoon vooraan in de rij.
‘Andere gezondheidsklachten?
‘Nee, ook niet.’
Gijs vraagt zich af wat de ondervraagde persoon hier dan doet.
‘Heeft u recentelijk nog contact gehad met een besmette persoon?’
‘Nee.’
‘Hier is uw groene kaart. Tot ziens.’
De persoon zonder klachten verdwijnt door de hoofdingang. Gijs stapt de tent binnen. Doorweekt. Achter hem neemt een nieuwe persoon de ondankbare laatste plek in de regen in. Gijs voelt hoe deze persoon wel poogt overdekt te kunnen staan. Er staan toch niet voor niets strepen, denkt hij.
‘Meneer?,’ vraagt de persoon.
Hij draait zich om. Achter hem staat een vrouw gehuld in een manteljas. Hij schat haar ouder in, al is hij zelf al gepensioneerd.
‘Wilt u nog iets naar voren?’
Liever niet, dan moet hij voorbij de zorgvuldig getrokken streep de ruimte van de wachtende voor hem betreden. ‘Vooruit,’ antwoordt hij desondanks.
Gelukkig schuift de rij op tijd weer door.
‘U bent helemaal nat.’
‘Ja, het resultaat van ongeduldige mensen.’
‘Suggereert u nu iets?’
‘Nee, niets. Dit was al voordat ik hier aan kwam. De regen hielp evenmin mee.’
Ze kijkt hem bedenkelijk aan. ‘Fijn dat u nu dan overdekt staat.’
Gijs reageert niet.
‘Bent u alleen?’
‘Ja,’ antwoordt hij kortaf.
‘Niets ernstigs hoop ik?’
‘Dat weet ik nog niet.’
‘Verwacht u slecht nieuws?’
‘Helaas wel.’ Gijs vraagt zich af waarom hij de vragen zo eerlijk beantwoordt.
‘Dan is het toch fijn als er iemand voor u is?’
‘Oude olifanten worden na verloop van tijd verstoten uit hun familie.’
‘Wat een geluk dat we mensen zijn dan. Ik ben ruim op tijd. Als u het fijn vindt, kan ik wel met u mee?’
‘Dat is niet nodig.’
‘Ik sta erop. Ik ben er graag voor anderen.’

Ze volgen de bordjes van route 63 richting polikliniek Interne Geneeskunde. Gijs heeft geen idee waarom hij met het voorstel van de vrouw heeft ingestemd. Aangekomen bij de wachtruimte ziet hij hoe doorzichtige plastic schotten tussen de bankjes gepositioneerd staan. Enkele hellen over als de kastanjebomen langs de kant van de weg. Hij neemt plaats onder een van de overhangende schotten, alsof het hem bescherming biedt tegen het spreekwoordelijke zwaard dat boven zijn hoofd hangt. Zij gaat naast hem zitten. Het schot vormt nu een onnatuurlijke barrière.
Na een tijdje verbreekt ze het stilzwijgen. ‘Duurt lang, hè?’
‘Ach, ik was zelf ook al laat.’
‘Toch is het vervelend, vind je niet?’
‘Een beetje,’ antwoordt Gijs, zich afvragend wanneer het tutoyeren is begonnen.
‘Hoe voel je je?’
‘Niet veel anders dan zonet.’
‘En emotioneel?’
‘Ik ben niet verdrietig als je dat bedoelt.’
‘Maar ben je zenuwachtig?’
‘Nee, niet echt. Gezonde spanning misschien.’
‘Hoe denk je dat je reageert als het nieuws niet als gehoopt is?
‘Ik hoop niet veel. Ik heb er weinig invloed op.’
‘Je bent een opmerkelijke man.’
Hij vraagt zich af wat ze met die opmerking bedoelt.
De deur van de spreekkamer gaat open. ‘Meneer Franssen?’
Gijs steekt zijn hand op. ‘Ik ben er.’
De vrouw staat gelijktijdig met hem op en loopt mee alsof ze bij elkaar horen. Hij laat het merkwaardig genoeg gebeuren. Het voelt goed.

Het is ongemakkelijk stil in de spreekkamer. De vrouw zit in een stoel links naast hem. De dokter tikt driftig op het toetsenbord en tuurt naar het scherm voor haar. Hij kan niet zien wat zij ziet. Zijn hoofd leunt in zijn opengevouwen handen terwijl hij de ruimte observeert. Ze zitten aan een bureau in het midden van de kamer. De snoertjes van de computer zijn niet netjes weggewerkt. Achter de dokter, op een lage archiefkast, liggen een bloeddrukmeter en kartonnen kotsbakjes. Hij herkent ze nog van toen hij met zijn doodzieke moeder hetzelfde ziekenhuis bezocht. De dokter zet een moeilijk gezicht op. ‘Eens even zien,’ mompelt ze zonder op te kijken van haar scherm. Geen oogcontact, dat heeft hij nou altijd. Hij kijkt naar links. Wel oogcontact met de vrouw. Hoe zou ze eigenlijk heten? Dat moet hij haar hierna nog vragen.
De dokter kijkt op. ‘Fijn dat u er bent meneer Franssen. Hoe gaat het nu met u?’
‘Niet veel anders dan de vorige keer.’
‘Wilt u de lange of de korte versie van de onderzoeksresultaten?’
‘De korte graag.’
De vrouw tikt hem venijnig met haar gehakte schoenen aan. Hij kijkt naar links. Een bozige blik. Hij heeft toch zeker niets verkeerds gezegd?
‘Ik heb helaas geen goed nieuws voor u, zowel het bloedonderzoek als de CT-scan tonen zorgwekkende ontwikkelingen van uw darmkanker.’
‘Dat verbaast me niets, dokter.’
De dokter kijkt hem onderzoekend aan. ‘Het volgende wat ik ga zeggen kan zakelijk over komen. Dat doe ik om geen ruimte voor misverstanden te creëren. De status van uw kanker, met uitgebreide uitzaaiingen, en de ervaringen met dit ziektebeeld, geven u nog enkele maanden. Drie maanden gemiddeld, soms iets meer, maar het kan ook minder zijn. Uw behandelmogelijkheden zijn louter palliatief van aard.’
‘Wat bedoelt u met dat laatste?’
‘Dat we alleen iets kunnen doen tegen de klachten en pijn die u ervaart, maar niet tegen de ziekte zelf.’
‘Dank u, dokter.’
Gijs hoort de vrouw naast hem slikken. Ze zal geschrokken zijn, maar voor hem is het geen verrassing. Hij had deze mogelijke uitkomst al op internet gelezen.

Als ze de kamer uitlopen, pakt ze plotseling zijn hand. Zijn eerste reactie is er een van schrik. Ze moeten immers afstand houden. Dan bedenkt hij zich dat hij toch al doodgaat. Daarnaast maakt het hem warm van binnen. Hand in hand lopen ze richting uitgang. Ze zeggen niets.
‘En, hoe voel je je nu?’ vraagt ze enkele minuten later.
‘Niet zo heel goed. Emotioneel dan, want lichamelijk voel ik me nog precies zoals net.’
Ze glimlacht.
‘Het is wel raar. Als je zo snel doodgaat als ik, valt de teloorgang nog best mee, toch?’
‘Dat is ook zo.’
Zonder iets te zeggen lopen ze door.

Bij de uitgang draait Gijs zich naar haar toe. Normaal zou hij zijn hand uitsteken om haar te bedanken, maar dat hoeft nu natuurlijk niet. Hij kijkt voor het eerst goed naar haar. Blauwgroene ogen, kraaienpoten ernaast. Kleine vlassige haartjes boven haar bordeauxrood gestifte bovenlip. Ouderdomsvlekjes op haar huid. Haar haar is bruin geverfd, maar wel een tijdje terug, want hij ziet het grijs er doorheen. Voor een oudere dame is ze best aantrekkelijk. Het is fijn om zulk direct contact met haar te hebben. ‘Waarom ben jij hier eigenlijk?’ vraagt hij uiteindelijk.
‘Om eenzelfde reden als jij, ben ik bang.’
‘Verwacht je ook een slechte uitslag?
‘Nee, dat niet.’
‘Dan is de reden toch niet gelijk?’
‘Nee, dat klopt wel. Het bericht van uitgezaaide kanker heb ik vorige keer al gehad. Ik ga ook dood, net zo snel als jij.’
‘Oh,’ antwoordt hij schuldbewust. ‘Zou je het fijn vinden als ik dan zo met je meega?’
‘Dat zou ik wel fijn vinden, ja.’

***

Gijs zit op een bankje voor zijn tijdelijke appartement. Bescheiden winterzonnestralen verwarmen zijn gezicht. Een zweetdruppel kriebelt op zijn bovenlip. Het zit vast onder de zuurstofslang die van zijn neus naar het karretje naast het bankje loopt. Hij voelt haar vingers tussen die van hemzelf. Hij hoort haar onregelmatige ademhalen. Als hij naar haar kijkt, valt hem op wat voor ongewone hoek haar nek maakt terwijl haar mond halfopen hangt. Hij grinnikt om de aanblik. Ze woont nu in het tijdelijke appartement naast dat van hem. Hij draait zijn gezicht terug naar de zon en sluit zijn ogen. Het kunnen weleens de laatste zonnestralen van het jaar zijn.
Dan doorbreekt de gastvrouw van het hospice de aangename rust. ‘Meneer en mevrouw Franssen? Komen jullie naar binnen? Het eten staat klaar!’