Categorieën
Fictie

De uitbraak

Eindelijk was er een woord voor. Maarten wist niet of hij dat gewenst had of gevreesd, maar nu hij het eenmaal kende, voelde hij na een kort moment van blijdschap dezelfde teleurstelling als altijd. Hij zou er weer met niemand over kunnen praten.

Pas toen de Albert Heijn website, waar hij eens per twee maanden zijn boodschappen bestelde, steeds trager reageerde en hij zag dat bepaalde artikelen gelimiteerd waren, was het tot hem doorgedrongen dat er iets mis was. Niet dat hij meer dan acht rollen wc-papier wilde bestellen. Met de muizenporties die hij at, kon hij met enkele velletjes per week vooruit. Maar het was vreemd dus ging hij op zoek naar de oorzaak.

Verbaasd las hij over de anderhalve meter afstand die de bezorger zou houden en over een virus dat blijkbaar erg besmettelijk was. Voor het eerst sinds een jaar bezocht hij andere websites dan die van de supermarkt. Over doden ging het en over IC-bedden. En er was een woord dat aldoor terugkwam: lockdown.

‘Lockdown,’ klonk het. Verbaasd luisterde hij naar zijn eigen stem waarvan hij de klank haast was vergeten.

Die avond nam hij, zoals altijd, zijn slaappillen en zijn antidepressiva niet in. Hij drukte ze uit hun stripjes in de glazen pot waar ooit zilveruitjes in hadden gezeten. Nog een week of twee en dan zou het deksel niet meer dicht kunnen.

In het donker vroeg hij zich voor de zoveelste keer af hoe het zou gaan. Wat als hij daarna toch wakker werd maar als een zombie? Iets in hem verzette zich, maar het leek haast een principekwestie geworden. Hij keek naar de pot: hij had A gezegd, dus moest hij ook B zeggen. Dikke kans dat hij pas na een jaar gevonden zou worden, want hij werd nooit gebeld en er kwam niemand op bezoek. Hij rilde.

Er was iets onrustigs in zijn hoofd. Anders dan anders. Maar nog voordat de volledige gedachte zijn brein had bereikt, wist hij dat het iets geniaals was. Voorzichtig, om het idee niet kwijt te raken, zoals je een droom probeert vast te houden, ging hij rechtop zitten. Na een paar uur denken had hij zijn plan voor ogen. Morgen zou hij beginnen.

Hij werd wakker met de opwinding die hij voor het laatst had gevoeld als kind, op de ochtend van zijn verjaardag. Even moest hij wennen aan zijn eigen spiegelbeeld. Zonder joggingbroek en sweater – zijn uniform van het afgelopen jaar – zag hij eruit zoals Sarah hem graag had gezien. Niet aan denken. Maar hij dacht er natuurlijk toch aan.

Nadat Sarah zo abrupt uit zijn leven was verdwenen, was hij dingen gaan vermijden. Eerst was hij gestopt met bezoekjes aan musea, theaters en concerten, toen volgden de restaurants, daarna vermeed hij supermarkten en uiteindelijk bleef hij binnen en verdwenen de mensen. Nadat hij volledig arbeidsongeschikt was verklaard, was hij vorig jaar beland in iets waarvan hij nu eindelijk wist hoe het heette: lockdown.

Hij hoorde hoe de buurvrouw haar blaffende hond suste. Hij kende haar alleen van haar stem die soms dwars door vloer heen klonk. Ze had een mooie stem.

Op straat knipperde hij met zijn ogen. Zoveel mensen, licht, fietsen en auto’s. Hij liep de Haarlemmerdijk op. Na enkele meters voelde hij zijn kuiten. Hijgend stond hij stil. Zijn voeten protesteerden onder de schoenen die ze niet meer gewend waren. De straat scheen hem onmogelijk lang, maar dit was niet het moment om af te haken. Alsof een hogere macht – waarin hij overigens niet geloofde, maar toch, je wist maar nooit – bevestigde dat hij op het juiste spoor zat, ontdekte hij een lichtblauw mondkapje dat half uit een vuilnisbak bungelde. Hij griste het eruit. Dat zou de kans op besmetting toch zeker verhogen.

Vanaf het Centraal Station zou hij tram 2 nemen tot het eindpunt in Nieuw Sloten. Daar zou hij twee supermarkten bezoeken. En dan dezelfde route terug. Met een beetje geluk had hij binnen een week de eerste verschijnselen. Uiteindelijk zou hij een ambulance bellen. In het ziekenhuis zou hij zichzelf toestaan om kort te genieten van liefdevolle verzorging en dan zou hij op de IC het bewustzijn verliezen om pijnloos geruisloos weg te zakken. Voorgoed. Hij deed zijn mondmasker op alsof het een gevechtstenue was en stapte de tram in.

‘Goedemorgen,’ groette de conductrice. Automatisch knikte hij naar haar. Hij had het gevoel dat hij nog iets tegen haar moest zeggen, maar hij wist niet wat, dus knikte hij nog maar eens. Snel liep hij door naar een plek met vier stoelen. Er zat een smoezelig uitziende man. Toen de tram zich in beweging zette, schoof hij voorzichtig het mondkapje wat onder zijn neus en ademde diep in. Door het raam zag hij de Nieuwe Kerk waar hij ooit mooie tentoonstellingen had bezocht. De Bloemenmarkt en het Leidseplein. De Stadsschouwburg waar hij zo vaak was geweest. Ook met Sarah. Niet aan denken. Maar hij dacht er natuurlijk toch aan. Hun ruzie in de foyer. Hij zag haar nog wegrennen. Alsof het gisteren was.

Mensen gingen de tram in en uit. De man tegenover hem bleef zitten en voelde blijkbaar zijn blik, want hij keek hem ineens recht aan.

‘Komt u uit Amsterdam?’ vroeg hij.

Maarten knikte. Hij moest iets zeggen, vond hij en schraapte zijn keel. ‘Ja’ zei hij.

‘Ik ook,’ zei de man en hij knikte daar bevestigend een paar keer bij. ‘Het blijft een mooie stad, ondanks alles. Ach, ik denk maar zo: je moet er zelf wat van maken.’

Maarten knikte maar weer. Schuin links lag het Concertgebouw. Ook daar was hij met haar geweest. Deze hele stad blies herinneringen aan haar in zijn gezicht op een manier waartegen geen masker was opgewassen. De tram was pas halverwege, maar hij kon het geen seconde meer aan. Hij stond op en checkte uit. Hij zou wachten op de volgende tram. Om de tijd te overbruggen, kon hij wel even de Albert Heijn op het Museumplein in gaan en daar met diepe teugen inademen.

‘Kutbeest,’ klonk het uit een zijstraat.

Gealarmeerd keek Maarten naar rechts. Op ongeveer drie meter afstand zag hij een man die naar een graatmagere bruine hond schopte. Het dier jankte en probeerde zich te ontworstelen aan het rafelige touw dat om zijn nek zat geknoopt.

‘Hee, ‘ riep Maarten. Het was eruit voordat hij het besefte.

Woest keek de man zijn kant op. ‘Wat moet je?’ riep hij.

‘Waarom schop jij die hond?’ riep Maarten.

‘Wat heb jij daarmee te maken, idioot?’ riep de man.

Dat wist Maarten eigenlijk ook niet. Wat hij wel wist, was dat hij niet tegen dierenleed kon, dus deed hij tegen wil en dank een paar passen naar voren.

‘Als jij het zo goed weet, neem jij ‘m toch lekker mee. Ik ben hem zat. Erfenisje van mijn ex. Kutwijf, net als dat beest.’

Met een paar stappen stond de man ineens vlak voor Maartens neus.

‘Hier,’ zei hij.

Voordat Maarten iets kon zeggen, had de man het touw al in zijn hand geduwd, waarna hij weg beende. De hond blafte en draaide nerveus rond waardoor het touw om Maartens’ benen wikkelde. Om niet te vallen liet hij zich door zijn knieën zakken.

‘Hee,’ riep hij de man achterna. Maar het klonk te zacht om gehoord te worden, dat wist hij ook wel.

Maarten keek om zich heen. De straat was leeg. De hond likte zijn wang en maakte nerveuze jankgeluidjes. Maarten aaide hem over zijn kop. Nadat hij het touw uit de knoop had gehaald, kwam hij overeind. Hij had nu al overal spierpijn.

‘Wat ben je mager, jochie,’ zei hij. ‘Jij moet nodig eten.’

Hondenvoer, waar haalde hij dat zo snel vandaan? Met een hond mocht hij de supermarkt natuurlijk niet in en om het dier buiten de winkel vast te binden, vond hij een ondraaglijke gedachte. Zo’n beestje snapte niet dat je wel weer terug kwam. Je kon niet iemand die je net een sprankje hoop had gegeven diezelfde hoop weer afnemen, ook al was het maar voor even. De buurvrouw, bedacht hij. Hij kon haar een blikje te leen vragen en dan later in zijn eentje naar de supermarkt gaan voor meer.

Gewillig liep de hond mee naar de tramhalte. Het was maar goed dat hij niet meer met Sarah samenwoonde, dacht hij. Hij schrok. Had hij dat echt gedacht? Maar het was waar: ze zou zo’n hond nooit in huis willen. Ineens werd hij zich bewust van zijn mondkapje. Met een ruk trok hij het van zijn gezicht en keek naar de binnenkant. Wacht, hij had een pak zakdoekjes in zijn jaszak. In de verte hoorde hij de tram aankomen. Snel pakte hij alle zakdoekjes, duwde die tegen zijn neus en drapeerde het mondkapje er overheen. Niet te diep inademen. Als hij hondenvoer ging halen, moest hij meteen een goede multivitamine kopen, sinaasappels en veel groenten. Hij had A gezegd, dus moest hij ook B zeggen. Wat er ook gebeurde: hij mocht niet ziek worden.