Categorieën
Fictie

De truc

Op het moment dat ik de A12 afsloeg en ik de doorgetrokken streep onder mijn banden voelde, wist ik nog niet dat ik het konijn vergeten was.
In de zwarte tas naast mij zaten verder alle attributen: de toverstaf, het kaartspel, het touw, de twee vilten hoeden, de zaag…
Ik trommelde op het stuur de maat van een countrynummer en keek ondertussen op het papier naar het adres van het kleine Waddinxveense theater waar ik wezen moest.
Het ging om een voorstelling om geld op te halen voor een één of ander team dat aan de Alpe d’HuZes zou deelnemen. Er zouden een paar honderd toeschouwers zijn.

Ik arriveerde een uur voor aanvang.
Een bruinverbrande veertiger met blond krullend haar stond met zijn handen in de zij bij de kapstokken. Naast hem stond een meisje van een jaar of vijftien.
Ik stak mijn hand op.
‘Antonio!’, zei hij met zijn luide basstem. ‘Jij moet Antonio zijn!’
Ik herkende de stem van de chef van het theater. Tijdens een telefoongesprek had ik noodgedwongen mijn mobieltje van mijn oor af moeten houden, zo luidt verzekerde hij mij ‘dat alles goed zou komen’.
Hij gaf me een hand.
‘Wat goed dat je er bent man! Staat de truc met het konijn nog op het programma?’
‘Daarvoor ben ik gekomen’, zei ik droog.
‘Geweldig! Zou ik en mijn dochter het beestje vooraf mogen bekijken?’
Ik vond het best.
‘Kom Noor!’, zei de man.

Ze volgden mij naar de parkeerplaats waar mijn zilverkleurige Picasso stond.
Met de afstandsbediening haalde ik de kofferbak van het slot.
Noor rende vooruit terwijl ik en de theaterdirecteur volgde. Hij sprak over het programma en legde uit dat mijn act het hart van de voorstelling zou zijn en vroeg mij of ik de trucs wat kon rekken. Er was een cabaretier onverwacht absent.
Voor ons opende Noor de kofferbak.
‘Er zit geen konijn in het hok!’, gilde ze.
Mijn eerste gedachte was dat ze niet goed keek. Als er weinig licht is kan de kooi leeg lijken. Taco is een zwart konijn.
Ik liep naar de auto.
Het konijnenhok besloeg bijna de hele laadruimte. Het waterreservoir was gevuld, het stro was vers, de speeltjes lagen verspreid over de bodem.
Alles leek te kloppen.
Pas toen ik zag dat de krop sla onaangeroerd was realiseerde ik mij dat ik Taco in alle haast vergeten moest zijn.

‘Ik hoop dat dit bij de truc hoort!’, zei de directeur nijdig.
Ik keek op mijn horloge.
‘Ik heb net niet genoeg tijd om terug te rijden’, mompelde ik, ‘zou ik misschien eh… een kwartiertje later…’
‘Wat denk je zelf! Ik mis al een artiest! Ooit van avondspits gehoord?’
Hij lachte vreugdeloos.
‘Je lost het maar op een andere manier op kerel, ik heb het publiek een konijn uit de hoge hoed beloofd.’
Ze liepen terug naar het theatergebouw en lieten mij op de parkeerplaats achter.
Vlak voordat de directeur binnen was draaide hij zich om.
‘Weet je hoeveel we hebben opgehaald? Bijna tienduizend piek, dan weet je het alvast.’

Ik wachtte in de kleedkamer op mijn opkomst.
Het uur daarvoor had ik gedachteloos een aantal tosti’s verorberd in het theaterrestaurant, hopend op een goed idee.
Tevergeefs.
Na de maaltijd zat ik vruchteloos in een kop cappuccino te roeren die niet wilde smaken. Uiteindelijk had ik me maar teruggetrokken in de kleedkamer.
Hoewel ik mij had omgekleed liep ik naar de doucheruimte om mijn bordeauxrode vlinderdas recht te trekken.
Ik keek in de spiegel.
Mijn gezicht zag er zelfverzekerder uit dan ik was, haast op het arrogante af.
‘Je ziet er zo glad uit als een goochelaar.’
De woorden waren van mijn wiskundeleraar. Hij had de opmerking gemaakt toen ik er een punt bij wilde sprokkelen bij een wiskundeproefwerk.
‘Het gaat dan wel over worteltrekken, maar ik kan niet zomaar een konijn uit de hoge hoed toveren. Een zeven is mooi genoeg Antonie!’
Ik trok de knoop afwisselend strakker en losser – en terwijl ik zo de knoop in mijn vlinderdas finetunede ontspon zich iets van een plan. Het moest een komedie worden… Géén levend konijn zou uit de hoed komen, maar het kleine knuffeldier op zakformaat dat in mijn tas zat.
Een zeven is goed genoeg Antonie!

Het publiek begon vanuit het halve duister te klappen bij mijn opkomst.
Ik maakte een buiging, staarde secondenlang naar de konijnenoren die in de dunne, ronde veters van mijn schoenen zaten en richtte mij met een lach tot het publiek.
‘Dames en heren, mij is gevraagd om een konijn uit de hoge hoed te toveren…’
Het publiek joelde.
‘Succes is niet gegarandeerd…’, zo liet ik er zo droog mogelijk op volgen.
De zaal lachte welwillend.
Ik keek een moment naar Jos, die op de derde rij zat. Hij schudde zijn hoofd en keek weg.
‘Om jullie ervan te doordringen dat er niet zomaar gegoocheld wordt, maar dat er ware magie in het spel is, zal ik de hoed tijdens de show laten rondgaan, zodat u het kunt inspecteren. Wees gerust, u hoeft er geen geld in te werpen.’
Ik gaf de hoed aan een vrouw vooraan, met een knalrode trui en een bril die haar halve gezicht besloeg.
‘De pet gaat pas na de voorstelling rond!’
Gelach.
De vrouw bestudeerde de hoed en gaf hem daarna door aan een man die het attribuut direct van alle kanten bekeek alsof er werkelijk iets aan te ontdekken viel.
Ik deed mijn trucs.
Ik las gedachten; ik teleporteerde een tot de draad versleten damestas; ik scheurde een briefje van € 50 van een kalende man aan stukken; ik interviewde een hond van een gehandicapt meisje die mededeelde dat hij de Bonzo brokken niet te vreten vond én – dat was de hond bijna vergeten te zeggen – dat het briefje van € 50 in de binnenzak van de kalende man zat.
De man hield het briefje van € 50 zichtbaar opgelucht in de lucht.
Het liep.
Op een gegeven moment zag ik vanuit mijn ooghoek dat vanaf de achterste rij een benige vrouw van een jaar of zestig onwennig naar voren liep.
Ze had de hoed in haar handen.

Ik zette de hoed op.
De hond die ik aan een interview had onderworpen stond nog steeds naast mij.
‘Dames en heren, de hond wil mij nog één ding zeggen voordat hij terug naar zijn baasje gaat.’
Ik hield mijn oor bij z’n snuit.
‘Dat beest zegt dat hij wel betere goochelaars gezien heeft en dat het zonder hulp vanuit het publiek niet zal gaan.’
Ik vroeg de hond of hij iemand in het bijzonder in gedachten had. Ik bracht mijn oor opnieuw naar de honden-snuit.
‘Wat? Jos? Zou hij dat kunnen?’
Ik luisterde naar de hond.
‘Hij zegt dat het valt te proberen. Wat denken jullie?’
De zaal scandeerde.
‘Jossie!, Jossie!, Jossie!’
Hij kon niet weigeren.

‘Dames en heren, volgens mij heb ik een uitstekende assistent.’
Ik richtte mij tot de theaterdirecteur.
‘Jos, je moet precies doen wat ik zeg, doe je dat niet dan mislukt de truc alsnog en tover je een speelgoedkonijn uit de hoed.’
Hij lachte ongemakkelijk.
‘Maak je geen zorgen Jos, een kind kan de was doen.’
‘Ja Jos’, riep iemand uit het publiek. ‘Een kind kan de was doen!
Jos stak zijn hand op in de richting waar de stem vandaan gekomen was.
Ik voelde me oppermachtig.
‘Als er een speelgoedkonijn uit de hoed komt krijgen jullie je geld terug toch Jos? Er is vanavond tienduizend piek opgehaald.’
De zaal klapte alsof ze het niet wisten
Jos keek me vernietigend aan.
Ik negeerde zijn blik.
‘Jos de hoed is leeg, toch?’
Hij knikte.
‘Ik wil dat je in de hoed grabbelt zoals in een grabbelton dus zonder dat je erin kijkt. Als ik “nu” zeg dan haal je je hand uit de hoed. Duidelijk?’
‘Top’, zei hij mat.

Ik begon als een dirigent met mijn toverstokje te zwaaien.
Even daarvoor had ik nog overwogen om via de coulissen het podium te verlaten en naar mijn auto te rennen.
Ik had de neiging weerstaan.
Ik was verder gekomen dan gedacht. Ik zou in ieder geval strijdend ten onder gaan!
Jos roerde met zijn hand in de hoed.
Afgezien daarvan was het doodstil. Boven de hoofden van het publiek balde de stilte zich samen tot een kracht die tot ontlading moest komen.
Ik liet het duren, ik genoot ervan.

‘Nu!’, riep ik uiteindelijk.
Precies op dat moment voelde ik de bobbel in mijn colbert. Ik schoot met mijn hand in de zak en voelde het pluche van het knuffelbeest.
Het was alsof er iemand met duizend dunne naalden door mijn buikwand prikte.
Ik wilde nog iets als ‘stop’ roepen, maar Jos haalde zijn hand al uit de hoed.
‘Ooooooohhhhhhhhhh…’.
Jos haalde Taco aan zijn lange zwarte oren uit de hoed. De pootjes van het konijn trappelde in het gele lampenlicht terwijl de theaterdirecteur het beest als een trofee aan het publiek toonde.
Hij kreeg een staande ovatie.