Categorieën
Fictie

De Traan

De traan

Ik ben een verzamelaar, maar kan u mijn verzameling niet laten zien. Slechts verhalen heb ik te tonen.
Vanaf mijn vaste plek bedien ik de dubbele deur die koffietafel en aula scheidt. Geflankeerd door een grote stenen vaas met witte orchideeën, heb ik zicht op alle soorten verdriet. Daar sprokkel ik mijn groeiende collectie bijeen. Mijn verzameling bestaat uit de mooiste, zuiverste, meest bijzondere parels die ooit zijn voortgebracht door de menselijk traanklieren.
De allermooiste exemplaren ontstaan uit ingehouden emoties, welke dat ook precies moge zijn. Intens gemis, diepe wrok, ware passie. Langzaam opgebouwd in het traansysteem als rijpend fruit dat zich op haar hoogtepunt toont. Vol, glanzend, dik en traag, druppelsgewijs stromend. Geen overtollig vocht zoals bij de jankers die alles maar laten lopen in grote hoeveelheden. Tranen en snot mengen zich bij hen op het gelaat tot een ondefinieerbare glibberige substantie.
Afgelopen week kon ik een paar juweeltjes toevoegen aan mijn collectie. In een van de hoeken van de zaal, verwijderd van het andere gezelschap zaten drie prachtige vrouwen. Veertigers vermoed ik, alledrie slank, sjieke donkere kleding, een van deze dames droeg zelfs een zwarte voile. Vermoedelijk een janker. De twee andere vrouwen wekten al direct mijn belangstelling. Ik zag het ingehouden zuchten van de een. Het krampachtige slikken van de ander. Maar het was een kwestie van afwachten en tijdens Air van Bach -hoe kan het anders- zwollen eerst de lippen waarna, kort na elkaar, de dames hun prachtige zeldzaam glanzende parels aan me toonden. Beheerst biggelden ze over de jukbeenderen en omlaag naar de trillende lippen. Als een parel die oplost in azijn verdwenen de paar druppels in de huid of belandden in een mondhoek. Een van de vrouwen produceerde slechts een viertal tranen, twee uit elk oog. Wat een genot !

Er zijn van die weken in een jaar die je lange tijd koestert omdat ze je zoveel moois hebben gebracht. Deze week had alles in zich om zo’n week te worden.
Het begon direct goed met de drie mooie vrouwen in zwart halverwege de eerste ochtend van week nummer 17 uit dit jaar. Een paar dagen later liep ik ‘s ochtends mijn hardlooprondje over natte straten en langs dampende grachten. Helder zonlicht weerkaatste op de glimmende klinkers en druipende brugleuningen. Het kwam mij voor alsof het de tranen van de koude nacht waren die nu in de ochtend langzaam aan het oplossen waren. Met al mijn aandacht plaatste ik mijn voeten zorgvuldig op de gladde stenen en het was dan ook een wonder dat ik getuige mocht zijn van een zeldzaamheid, notabene direct bij de Grote Kerk die net leegliep na de eerste dienst.
Om geen van de kerkgangers te hinderen keek ik wat verder vóór me op de bol lopende straat met kinderkopjes die daar zo mooi om de kerk heen draait. Een lange, slungelige jongen liep een paar passen voor een onberispelijk gekleed gezin uit terwijl ze de straat overstaken. Ik vertraagde mijn pas. Hij draaide zijn bleke, bebrilde gezicht mijn richting op en slipte direct met een piepend geluid van zijn witte gympen over de gladde stenen en viel potsierlijk voorover op knieën en handen. De in donker kostuum gekleedde vader haastte zich met een uitgestoken arm voorwaarts. Ik was inmiddels wandelend dichterbij gekomen. De moeder en het kleine zoontje bevroren terwijl de vader zijn waardigheid verloor door rood aangelopen en driftig rukkend aan de kraag van zijn zoon ‘Kom overeind, idioot! “ te sissen. Die was juist bezig op handen en knieën zijn waardigheid, en ook zijn bril, te hervinden.
Met een gekwelde uitdrukking op het kleurloze gezicht hees de jongeman zichzelf overeind. Ik wachtte. Zijn moeder en broertje werden tot beweging gemaand door de vader, die met strak gespannen kaken zijn weg direct had vervolgd. Drie passen achter hen liep de gevallene vlak voor me langs. Hij keek mij weer aan. Ik zag mijzelf als een haarloze insect gespiegeld in zijn bril. Wat zag hij in mijn zonnebril? Er zat zoveel in zijn blik en die ene traan die hem, tot mijn geluk, ontsnapte. Teleurstelling, onmacht, woede, schaamte. Zeer waarschijnlijk was er ook pijn aan dat onhanteerbaar lange lichaam. Maar er zat nog iets in die blik. Hij beschuldigde mij.
Ook ik zat in die unieke traan die rollend over het jukbeen van dat verstarde jongensgezicht snel zijn spoor omlaag trok en zich losmaakte van zijn kin. In een reflex schoot mijn geopende hand naar voren om de pure parel te vangen. De traan viel stuk in mijn handpalm, wat had ik anders verwacht? Maar vreemd genoeg voelde ik toch teleurstelling. Ik keek weer naar de jongeman. Zijn ogen stonden wijd open en zijn samengeknepen mond ontspande. Toen lachte hij hard en kort met een overslaande hoge uithaal; ‘Hahaáá… ‘ en liep achter zijn familie aan. Hij draaide zijn hoofd even om naar mij, zijn gezicht was niet kleurloos meer en een mondhoek stond spottend omhoog gericht.
Het viel niet mee om weer in het ritme te komen nadat ik mijn weg had vervolgd. Het gebeurde liet me niet los. Alles wat in de traan zat die op mijn hand uiteen was gespat, voelde ik nu.

Dat was zeer bijzonder. Of deze traan vorige week tot een uitzonderlijke goede week maakte weet ik eigenlijk niet. Want het probleem nu is dat ik sindsdien mijn concentratie kwijt ben. Ook vandaag weer betrap ik mezelf erop dat ik vanaf mijn observatieplek gedachteloos de aula in sta te staren. De kop van een van de witte orchideeën is door een van de onbehouwen jeugdigen uit het gezelschap van de steel gestoten en ligt geplet op de marmeren tegels. De aula hoort er onberispelijk bij te liggen maar ik doe niets. In het melkachtige wit van marmer en orchidee laten de goudgele meeldraden een briljant spoor na. Kapot. Maar o zo mooi.
Mijn aandacht wordt getrokken door een gezicht, vervormd door krampachtig ingehouden verdriet. Niet zelden is dat de voorbode van een aantal top exemplaren. Het jongetje met het kokette strikje zit zich stil en bleek in te houden. Even geduld nu. Een paar mooie, dikke tranen persen zich uit de ooghoeken. Maar zijn moeder ziet het en legt haar hand op zijn betraande wang en geeft een kus op zijn hoofd. Het jongetje laat alles de vrije loop en barst open, zelfs met veel geluid. Doodzonde.