Categorieën
Fictie

De tijd vooruit

Amsterdam, 1362

‘Hilde, het viswijf is niet langs geweest, kun je naar de Sint Antoniespoort gaan?
Voor een zilveren dukaat krijg je zeker vijf hele brasems, laat je deze keer niet oplichten door die Marinus’.

Nog voordat haar moeder uitgesproken is, grist Hilde het geld uit haar hand. Dat ze snel weer thuis moet zijn om de boontjes te doppen hoort ze niet meer. Een boodschap doen buitenshuis bekent maar één ding: vrijheid! De vrijheid om niet voor de kleintjes hoeven te zorgen, het huishouden te doen en naar het gezeur van haar moeder te luisteren. Haar moeder vindt dat het tijd is om een geschikte echtgenoot te vinden. Maar Hilde heeft helemaal geen zin in een huwelijk, zij wil avonturen beleven. Zij wil op reis naar andere steden zoals Utrecht en Dordrecht. Zolang het maar ver weg is van de Amsterdamse modder en een gearrangeerd huwelijk. Terwijl haar gedachten de revue passeren besluit Hilde dat ze vandaag een omweg neemt via de Zeedijk. Wat is het toch heerlijk om op de scheepswerf de koggen binnen te zien komen met hun grote mast. Het zijn veelal Duitsers die onder andere hout, graan, noten en bier uit Hamburg of een andere Hanzestad meenemen. Hilde struint heel langzaam over de werf. Haar aanwezigheid valt op bij de arbeiders op de werkplaatsen. Ze vindt dit soort aandacht vreselijk en zet de pas erin.

Bij de Sint Antoniespoort komt de geur van rotte vis haar tegemoet. Wat had moeder nou gezegd over de hoeveelheid vis? ‘Karper, brasem en forel!’ schreeuwt een marktkoopman. ‘Verse vis, zo uit het water!’. Hilde stapt op hem af en vraagt hoeveel een brasem kost. ‘Voor een zilveren dukaat krijg je er drie, meissie’. ‘Mag ik er vier?’ vraagt Hilde met een zelfverzekerde lach. Trots dat ze heeft kunnen afdingen keert ze terug naar huis.

‘Mama, ik ben thuis en ik heb wel vier brasems gekocht’, zegt ze triomfantelijk met de mand in haar hand. Op het moment dat haar moeder haar wil uitfoeteren over het feit dat ze wel vijf brasems had kunnen kopen, wordt er op de deur geklopt. Haar moeder snelt zich naar de deur en doet open met de meest charmante glimlach die ze tevoorschijn kan toveren. Tot Hilde’s verbazing ziet ze Theodoor staan. Ze hadden toch geen bestellingen bij de smid uitstaan deze maand. En waarom is zijn vader meegekomen? Eenmaal aan tafel begint moeder over ‘de voorwaarden’. ‘Binnen een maand trouwen, verhuizen, de materiële verdeling wordt vastgelegd in een contract, inschrijving bij de koster van de kerk’. Als Hilde het niet beter wist dan werd ze hier recht voor haar neus uitgehuwelijkt. ‘Kom je erbij zitten Hilde?’, vraagt moeder met een zorgzame toon. Verstomd door de situatie neemt Hilde naast haar moeder plaats. Na wat formaliteiten nemen Theodoor en zijn vader afscheid.

Hilde kan haar woede niet meer inhouden en begint tegen haar moeder te schreeuwen: ‘Nee! Hoe vaak moet ik het nog zeggen? Nee, ik wil niet trouwen. Niet met Theodoor de smid en ook niet met Marinus de visser. Waarom moeten vrouwen altijd trouwen?’ Haar moeder negeert haar en begint met de voorbereiding van de vis. ‘Als jij nu niet trouwt dan wil straks niemand je meer en blijf ik met jou opgescheept, je doet wat ik je zeg en verder wil ik er niks meer over horen’ en met flinke kracht snijdt moeder de kop van de vis eraf.

Dit was het scenario waar Hilde zo bang voor was en wat zich nu heeft voltooid. Nee, dit zal ze niet laten gebeuren! Stiekem heeft Hilde het afgelopen jaar de brouwer bijwijlen meegeholpen en hij heeft haar daarvoor betaald. ‘Twee vliegen in één klap’, dacht ze. Nu had ze een ambacht geleerd en had ze een potje om te kunnen vluchten. Als de nacht valt sluipt ze naar de keuken en vult haar tas met brood en kaas. Ze kijkt nog één keer rond en verlaat dan het huis. Ze sprint zo hard ze kan naar de scheepswerf. Als ze geluk heeft is er een boot aangemeerd die de volgende dag via De Vecht naar Utrecht vaart. In Utrecht staat de Onze Lieve Vrouw Abdij waar bier wordt gebrouwen en ze hoopt dat ze daar terecht kan.

Aangekomen bij de kade herkent ze de kogge die ze eerder vanmiddag zag. Ze besluit zich te verstoppen en de nacht af te wachten. Als ze de volgende ochtend stemmen hoort, lijkt het even alsof ze droomt, haar schuilplaats lijkt tenslotte niet erg op haar vertrouwde bedstee. Ze heeft geen tijd te verliezen en stapt op de mannen af. Ze kijken haar raar aan en snappen niet wat een meisje op dit uur op de werf doet. Vol overtuiging vertelt Hilde dat ze haar verwachten bij het klooster in Utrecht. Zolang ze betaalt willen ze haar wel meenemen tot aan Utrecht. De kogge zal vertrekken zodra de complete bemanning er is. Hilde gaat alvast aan boord, haar hart bonst in haar keel. Als ze begint te twijfelen aan haar plan, komen de gedachten bovendrijven van een huwelijk en een leven met een man. Ze heeft zich nooit aangetrokken gevoeld tot mannen, het voelde eerder als een aversie. Dan voelt ze dat de kogge in beweging komt. Het eerste deel van de tocht lijkt veel op een moeras met hier en daar stukken land. Naarmate ze de Vecht opvaren ziet ze uitgestrekte weilanden met boerderijen. Ze is nog nooit Amsterdam uit geweest en het voelt alsof ze op wereldreis is. Terwijl ze wat brood met kaas eet, denkt ze na over haar vervolgstappen. Ze zal aankloppen bij het klooster en smeken of ze mag blijven. Daar is ze veilig en beschermd tegen een huwelijk.

Als de kogge aanmeert, gaat ze aan wal. Ze wordt de weg gewezen naar het klooster. Onderweg kijkt ze haar ogen uit; de huizen hier zijn hoger en statiger. Dan ziet ze het klooster. Tot haar geluk staat de poort open en kan ze makkelijk het terrein op lopen. Ze ziet een non met flinke stappen haar kant oplopen.
‘Ik heb jou hier nog niet eerder gezien, kom je op bezoek?’, vraagt moeder-overste.
‘Mijn naam is Hilde en ik wil graag opgenomen worden in dit klooster.’
‘Waar zijn jouw ouders meisje, weten zij hiervan?’.
‘Ik ben wees’, liegt Hilde.
‘Kom maar binnen, dan praten we verder, mijn naam is Maria’.

‘Hilde, weet je wat er van jou verwacht wordt in een klooster? Wij nonnen zijn getrouwd met Jezus en leven celibatair. We bidden zes keer per dag. Ook verbouwen wij ons eigen eten en brouwen wij bier voor het onderhoud van het klooster’, legt Maria uit.
‘Dat is het leven dat ik wil, ik wil niet met een man trouwen. Ook kan ik brouwen’ zegt Hilde trots.
Maria fronst haar wenkbrauwen, maar besluit Hilde te geloven en haar toe te laten tot het klooster. Die avond voelt Hilde zich erg schuldig dat ze gelogen heeft terwijl de nonnen haar zo vriendelijk hebben verwelkomd. De volgende dag besluit ze dat ze Maria de waarheid gaat vertellen. Na het ochtendgebed neemt ze haar apart en vertelt het hele verhaal. Tot haar verbazing reageert Maria coulant en vertelt haar dat niemand haar nu nog kan dwingen om te trouwen, ze zal binnenkort tenslotte met Jezus getrouwd zijn. Hilde kan nog niet helemaal bevatten wat het leven als non inhoudt, maar ze is opgelucht dat ze nu nooit meer met een man hoeft te trouwen. Als Maria haar hand vasthoudt en haar in de ogen aankijkt, begint ze te blozen.