Categorieën
Fictie

De tijd als gezelschap

De klok aan de muur vertelt de tijd met tien slagen, die telkens langer lijken te worden. Daarna vult het constante getik de kamer weer. Pieter wilde dat zijn enige gezelschap eens zijn mond zou houden. De klok herinnert hem aan hoe stil het is in huis. Dit is in je eentje zijn, gevangen in een geluid.
Vanuit zijn luie stoel, zijn trouwe vierpoter, vraagt Pieter zich af waar Tine blijft.
Tien uur koffietijd. Dat mist ze nooit.
Schuifelend tussen vaste steunpunten in de kamer beweegt hij zich richting de trap, maar geen teken van leven bereikt hem vanaf de bovenverdieping. Toch zet hij koffie voor twee, in bontgekleurde kopjes, door haar verzameld in de loop der jaren. Op haar schoteltje legt hij twee koekjes. Buiten de keuken kraakt er iets en als Pieter de woonkamer binnenkomt is ze daar weer.
‘Ik was je kwijt,’ grinnikt hij. Ze zegt niets, maar ze lacht haar bekende glimlach. Als hij zich weer in zijn stoel laat vallen zucht hij diep, alsof hij de stijfheid uit zijn ledematen probeert weg te blazen.
Het raam scheidt hen van de vogels in de tuin die ze samen begluren vanachter het glas. Ze zwijgen – anders vliegen die bange beesten weg, weten ze. Hij wijst, zij kijkt. Zoals altijd. Een groene specht inspecteert het neergelegde voedsel.
‘Kijk Tine, die zie je ook niet vaak.’ Ze knikt zacht, alsof ze de opvallende verschijning in alle rust wil laten zitten om het maaltje te eten dat hij zelf niet kan vinden in wintertijd. Gefascineerd door de groene tuinbezoeker merkt hij niet hoe zijn vrouw weer weggaat, totdat het dier wegvliegt en hij al zijn aandacht weer naar de woonkamer brengt.
‘Ze heeft nu eenmaal niet zoveel geduld om almaar naar die vogels te staren. En ze moet rusten, Piet,’ herinnert hij zichzelf.
Elke tel die Tine nog bij hem zat kon hij waarderen, hoe weinig het er ook waren. Zonder haar was het alleen hijzelf en het tikken van de klok. De koffie in haar kopje is koud geworden als hij ze allebei opruimt.
Die avond brengt een dame met een onbekend gezicht het eten langs. Een niet thuis te brengen prakje onthult zich aan hem vanonder een plastic stolp.
‘Weer zo weinig, Tine. Ons rantsoen duurt voort.’
Hij verdeelt het prakje over twee borden en snijdt de ene gehaktbal, die gelukkig groot genoeg is om te delen, in tweeën. Een bord zet hij voor haar neer op de keukentafel.
De smaak van het eten evenaart het uiterlijk ervan en Pieter prikt het zo gauw mogelijk weg. Tussen vlugge happen door kletst hij, af en toe mompelt zij iets terug, wat hij vaak niet verstaat.
‘Ik zal afwassen’ zegt hij terwijl hij het servies en bestek bij elkaar verzamelt. Vroeger waste hij en droogde zij, nu deed hij beide.
Vanuit de hal klinkt een geluid. Wanneer hij alle vaat in de kastjes heeft staan en hij terugkeert naar de woonkamer is Tine weer weg.
‘Ze is moe Piet. Nog meer dan jijzelf.’
Wanneer de avond zich inzet vult het donker geleidelijk de woonkamer tot Pieter het licht aandoet. Het knopje kan hij nog net vinden, verstopt als het is in de plots opgedoemde duisternis. Half negen, een kopje koffie, een koekje. Zoals iedere avond. Zittend en uit het raam kijkend passeert Pieters tijd, maar met de vogels al gevlogen voor de nacht is er weinig te zien.
Op zo’n avond van eeuwig niksen, op zo’n avond als deze, herinnerde Pieter zich soms zijn oude platenspeler. Die haalde hij dan uit de la, stofte hij af en zette hij aan. Uit de lade eronder puilde een enorme platenverzameling, van nummers die Pieter vroeger uit zijn hoofd kende, maar nu niet meer. Ondanks de grootte van de verzameling greep hij vrijwel altijd dezelfde, zo ook deze avond. De hoes van The very thought of you van Al Bowlly is uitgeput van de vele aanrakingen.
‘Eens zien hoe die ook alweer ging.’
Een doordringend gekraak van de plaat op de speler maakt al snel plaats voor pianotonen. Een vage déjà-vú overvalt Pieter, zo een waarvan je niet weet of je jezelf voor de gek houdt of niet. In zijn hoofd ziet hij het weer voor zich: zijn Tine en hij, dansend op dit liedje bij een feestje van vrienden. Ze zijn nog jong, een lange, mooie weg ligt tussen hen in dat moment en nu. Pieter neuriet zachtjes mee met Al.
Hij stopt als hij Tine bij de deur ziet staan. Druk als hij was geweest met de platenspeler had hij haar niet binnen horen komen.
‘Herken je deze nog?’ Haar gezicht vertelt hem ‘ja’. Ze komt op hem af.
Net zoals toen ze voor het eerst op me afstapte. Zij kwam op mij af, ik niet op haar.
Ondanks de ouderdom zijn haar handen, die de zijne pakken, nog net zo zacht als vroeger. Zijn oude werkhanden voelen ruw onder de hare. Met zijn hand op haar heup, haar hand op zijn schouder en twee handen die elkaar stevig vastpakken, schuifelen ze door de kleine woonkamer.
Momenten gaan voorbij in het huis waar ze al zoveel tijd hebben doorgebracht. De volgende dag kijkt Pieter in zijn eentje naar de vogels in de tuin. Hij eet zijn helft van het avondmaaltje en bewaart de rest voor haar op een bord in de keuken. Het blijft onaangeroerd. De platenspeler klinkt die avond niet hetzelfde.
Ze zal moe zijn. Hoe lang hebben we gedanst?
Na de afwas, voor hij zich richting de woonkamer begeeft, luistert hij onderaan de trap, zijn oor gericht op de bovenverdieping. Zijn lijf staat het niet toe dat hij nog de trap opgaat, dat van Tine nog wel. Zo waren hun terreinen in huis gescheiden geraakt. Hij beneden, zij boven.
Waar is ze?
Schuifelend beweegt hij zich dichterbij de trap. ‘Tine!’ roept hij schor naar boven. ‘Tine!’
Onbeslist schuifelt hij van de trap weg, naar keuken, naar woonkamer, terug naar trap. Als hij langs de voordeur loopt voelt hij aan de hendel, zoals hij af en toe deed. Goed de deur op slot houden, pa, zeiden zijn kinderen, wat hij altijd trouw controleerde. De hendel laat zich volledig naar beneden duwen, niet tegengehouden door een slot.
Is ze niet boven, dan is ze buiten.
De buitenlucht voelt kouder dan verwacht.
Is het altijd zo fris in september?
Hij grijpt de kraag van zijn blouse en frommelt hem in een vuist tegen zijn nek, die nu onbereikbaar is voor de gure wind. De deur laat hij open achter zich, voor het geval Tine thuiskomt als hij weg is en ze geen sleutel bij zich heeft.
Voor onbepaalde tijd schuifelt hij over stoepen en door straatjes. ‘Tine!’ roept hij af en toe. Soms struikelt Pieter bijna over zijn eigen voeten, alsof zijn benen hem willen zeggen ‘Ga! Zoek haar!’
Een dame zwaait naar hem, seint naar hem vanaf de andere kant van de straat.
Is dat Tine? Waarom laten mijn ogen me juist nu in de steek?
‘Pieter! Wat doe jij nu buiten?’ Als hij de stem hoort weet hij dat zij het niet is, maar wie dan wel ook niet. De tijd dat hij iedereen kende die hem kende was voorbij gegaan.
Ze neemt Pieter bij de arm, hij laat zich meenemen. Ze wandelen samen terug naar het enige huis in de straat dat hij herkent.
De deur is open. Dat doet Tine wel vaker. Gelukkig, ze is weer thuis.
Zo wordt hij achtergelaten op de drempel.
De warmte van het huis omarmt hem direct. Met zijn bevroren handen krijgt hij de deur naar de woonkamer maar met moeite open. Maar dan zit ze daar, op de bank. In haar hoekje. Ze wijst naar buiten.
‘Ik heb je gezocht, ik was je kwijt. Laat je me nooit meer zo schrikken?’ Zijn stem klinkt bozer dan hij het bedoeld had en met een grijns op zijn gezicht probeert hij zijn opmerking te verzachten. Een glimlach verschijnt. Nee, ze zou nu niet meer weggaan.
Later die avond komt een andere dame langs. Ze heeft de sleutel van de achterdeur. Ze is hier vaker, dat weet Pieter zeker. Misschien is het omdat ze ergens lijkt op zijn Tine, zoveel jaar geleden.
‘Dag pap,’ zegt ze en ze geeft hem een zoen op zijn wang.
‘Dag,’ zegt hij, ‘dag.’ Een naam voegt hij niet toe.
‘Ik dacht, ik ga even bij je langs,’ zegt ze. ‘Deze dag blijft toch moeilijk. Vind je niet?’
Pieter vindt het niet. De dame kijkt vanuit haar hoek van de bank naar de andere hoek van de bank, waar Tine altijd zit.
‘Haar hoekje,’ gaat ze verder. ‘Zelfs na zoveel jaar verwacht ik nog steeds dat ze daar gewoon weer zal zitten. Ben je niet alleen, pap, zonder haar?’
Even zitten ze daar zo. Zij zwijgend, hij denkend. Dan lacht hij.
‘Alleen, nee, dat niet.’