Categorieën
Fictie

De stille moordenaar

Bert de Vos liep met Sherlock, zijn trouwe viervoeter, richting de begraafplaats. Hij had zich warm aangekleed voor deze wandeling, die een andere doel kreeg dan waar hij mee begon.

Langzaam, beetje bij beetje, kwamen ze vooruit door de dikke laag sneeuw, die de afgelopen 48 uur was gevallen en het begon alleen maar kouder te worden door de snijdende oostenwind. Het nieuwe doel van de wandeling kwam langzaam in zicht en Bert voelde zich een beetje weemoedig, toen hij het mooie smeedijzeren hek voor zich op zag doemen, met daar het wit rode politie lint aan vast gebonden

Hij arriveerde bij de tent van de technische recherche, waar een jonge agent de wacht hield. De agent gaf blijk van herkenning toen hij Bert zag aankomen met Sherlock . Hij stak zijn hand uit om de riem van Sherlock aan te nemen.
‘Let je goed op hem’ Bert gaf de agent een schouderklop terwijl hij onder het politielint door liep en zijn ID badge liet zien aan de volgende agent, die hem niet gelijk herkende, met daarop de tekst Consultant Recherche Rotterdam Noord. ‘Goedemorgen meneer de Vos’.

Even later stond Bert samen met Katja de Jong, de jonge aantrekkelijke rechercheur naar een lijk te kijken, dat klaarblijkelijk op de begraafplaats was geplaatst om als boodschap te dienen. ‘Jezus de Vos dit is toch niet normaal meer’ zei Katja, terwijl ze haar hoofd afwendde van het tafereel wat zich daar, op het graf van iemand anders afspeelde. Er zat een lijk geleund tegen de hoofdsteen van het graf, gekleed in volledig zusters tenue, met haar handen in het haar, een stethoscoop nog om haar nek verstrengeld, met haar mondkapje en haar zusters klokje.
‘het wordt steeds gekker Katja, de moordenaars van tegenwoordig kunnen niet meer gewoon schieten en met rust laten’ Bert keek even in de richting van waar hij vandaan was gekomen om op adem te komen, en daar zag hij van achter een bosje “van der Ven” de schouwarts komen.
‘Ha de Vos en de Jong wat hebben we hier?’ Het moment dat hij zelf zag wat er aan de hand was, vertrok zijn gezicht. ‘Oei dat ziet er niet goed uit, laat mij even mijn werk doen’ zichtbaar aangeslagen zette hij zijn koffer neer en pakte er wat spullen uit. Voorzichtig veegde hij wat sneeuw van het lijk, zodat hij kon proberen de doodsoorzaak te achterhalen.

Bert en Katja lieten van de Ven zijn werk doen en liepen richting het begin van de begraafplaats. Tijdens de wandeling vroeg Bert ‘Weten we wie het is?’ Katja pakte haar notitieblok uit de binnenzak van haar jas. ‘Het is de 34 jarige Judith ten Hartog, zuster in het Sint Franciscus ziekenhuis hier verderop’ Katja moest zich even verbijten want het greep haar erg aan. ‘Heb je al kunnen kijken of ze getrouwd, samenwonend ,dan wel gescheiden is.’ Ze is weduwe. Haar man is begin deze zomer overleden ’ ‘pfff die zag ik niet aankomen, weet je ook waaraan hij is overleden?’ ‘Nee ik kon alleen vinden dat hij een natuurlijke dood is gestorven’ ‘Hadden ze kinderen?’ ‘Nee gelukkig niet’ Met die antwoorden in het achterhoofd liepen ze de rest van de weg in stilte, tot ze bij de altijd vrolijke Sherlock aankwamen. ‘Dankjewel voor het opletten’ ‘voor u altijd meneer de Vos’ zei de agent trouw terwijl hij Sherlock een aai gaf.
‘Hey Bert is het goed als ik je over een uur thuis ophaal, dan gaan we samen langs de ouders? vroeg Katja. Bert knikte en begon aan de wandeling naar huis samen met Sherlock
Een klein uur later zag Bert van achter zijn raam Katja langzaam de straat in rijden terwijl de sneeuwval met het uur erger was geworden en er geadviseerd werd om binnen te blijven als er geen nood was om de weg op te gaan. Maar Bert had echter geen keuze en pakte dus snel zijn waxcoat van de kapstok. Terwijl hij de voordeur open deed maakte hij zich op voor de wandeling naar de auto, zoveel sneeuw was er in jaren niet gevallen. Eén maal bij de auto stapte hij in en vroeg direct ‘en ben je al wat wijzer geworden?’ Terwijl ze haar witte Polo in de versnelling zette zei ze , ‘Ik heb gekeken of er toch wat te vinden is over de dood van de man van Judith en het gekke is, haar ouders hebben toen gelijk gezegd “het is geen natuurlijke dood”, en” dat het een heel slinkse moordenaar moet zijn geweest” en dat “die niet makkelijk te stoppen zal zijn.”’ ‘Oke, dat is toch vreemd als de arts het toch als een natuurlijke dood heeft behandeld’ ‘Ja dat is het zeker ik ben dan ook erg benieuwd wat ze hier over gaan zeggen, misschien hebben zij wel een idee wie het dan is’

De verdere weg hadden ze het over de standaard verdachtes gehad en wie er het meeste voordeel er uit zouden halen.
‘Hier is het’ zei Katja terwijl ze de auto in een parkeervak parkeerde, althans daar ging ze van uit want ze kon het niet goed zien vanwege alle sneeuw. Eenmaal stilstaand stapte
Bert als eerste uit de auto en liet de omgeving goed op hem inwerken, waren er mensen die keken en die hen al verwachten of juist mensen die snel weg doken als hij keek, na een minuut te hebben rondgekeken hoorde hij achter zich ‘kom je nog of hoe zit het?’ ‘Ja ja ik kom’
Samen stonden ze voor de deur, Katja ademde goed in en langzaam uit om zich klaar te maken voor het gesprek wat ging komen, ze belde aan en wachtte, na een 30 seconden kwam er iemand aan de deur, die licht buiten adem leek. ‘Ja sorry ik moest van boven komen, wat kan ik voor u doen’ zei de vrouw. Katja pakte haar ID en zei ‘ Recherche Rotterdam, mogen wij even binnen komen?’ ‘Hé zijn jullie er eindelijk over uit, dat mijn schoonzoon vermoord is en niet een natuurlijke dood is gestorven, kom binnen’

Tijdens de wandeling naar de eettafel vroeg de vrouw ‘willen jullie wat drinken’ beide zeiden in koor ‘nee dank u wel’ Toen ze gingen zitten kwam haar man ook aan tafel en stelde zich netjes voor als Diederik en de vrouw verontschuldigde zich en stelde zich voor als Carla. Na de voorstelronde begon Katja haar verhaal en vertelde over de vrouw die gevonden was op de begraafplaats waarvan de schouwarts de identiteit had vastgesteld als hun dochter. De hartverscheurende kreet die de vrouw toen maakte zal Katja nooit uit haar geheugen kunnen wissen. Na een paar minuten kwam Carla op adem en ze keek Katja en Bert diep in de ogen aan en zei ‘ik heb jullie gewaarschuwd toen John overleed deze zomer, het is geen natuurlijke dood geweest,het is een moordenaar!’

‘Mevrouw dat heb ik gelezen in de rapporten maar ik kon niet lezen waarom u dat denkt’ Carla begon het verhaal met de mening dat een gezonde man niet zo maar overlijdt zonder daarvoor tekenen te hebben gehad. ‘Ze werkten allebei in de gezondheidszorg, hij als internist en zij als verpleegkundige’ Na het verhaal te hebben aangehoord stonden Bert en Katja op, gaven hun kaartje voor als er nog iets te binnen schoot en ze zeiden gedag.
Eenmaal buiten zei Bert, ‘kom we gaan naar het ziekenhuis waar ze allebei hebben gewerkt en gaan daar eens wat vragen stellen want dit is wel vreemd.’ ‘Waar denk je aan, een affaire of een driehoeksverhouding die niet goed is gegaan?’ ‘Ja dat zou kunnen of jaloezie tussen collega’s, dat Judith de verpleegkundige er met de internist vandoor is gegaan, het kan allemaal’
Niet veel later reden ze over de N209 in de richting van het Sint Franciscus ziekenhuis. Terwijl Katja in volle gedachte was over wat het kon zijn en of de twee incidenten wel met elkaar te maken hadden, ging haar telefoon . “Goedemiddag Katja de Jong hier” “Dick van der Ven, kan ik even mijn eerste bevindingen met je delen?” “Ja hoor” “Het lijkt gek genoeg op een natuurlijk dood” “Dat meen je niet” “Ja ze was wat uitgedroogd en verder lijkt het of het lichaam er mee gestopt is, ik heb nog wat bloed en weefsel op kweek gezet ,misschien krijgen we daar wat meer inzicht door’
Nog geen 10 minuten later waren Bert en Katja in gesprek met oud collega’s of zij iets meer wisten over de laatste dagen van de twee. Ze hadden besloten om zich op te splitsen om zo meer mensen te kunnen spreken. Toen Bert met de laatste directe collega van John sprak begonnen de puzzelstukjes veel sneller dan verwacht in elkaar te vallen. Hij bedankte de collega en liep met hoge snelheid naar de gang waar Katja zou moeten zijn, die op haar beurt weer op hem kwam afrennen met haar telefoon in haar handen en ze riepen allebei tegelijk ‘ik heb de moordenaar!’ Toen ze bij elkaar stonden zeiden ze zachtjes ‘het is Covid’!