Categorieën
Fictie

De stille getuige

Dit is een verhaal over een reis. Een reis door verschillende landen, over de wereld verspreid. Langs een diversiteit aan culturen, over land, zee en door de lucht. In de warmte en de kou. Er zijn mooie en minder mooie gebeurtenissen bijwonend. En dat allemaal in de kleinste oppervlakte die er is; je broekzak.

Het is zaterdagochtend elf uur. Het gezin zit rondom de vrolijk gedekte tafel met restanten van het ontbijt tussen hen in. Moeder neemt de laatste hap van haar croissant, Lars klokt zijn verplichte glas jus d’orange achterover. Hij zet het glas met een klap op tafel en likt zijn tong langs zijn bovenlip. Vader staat op en loopt naar de gang. Het is tijd voor de wekelijkse routine. Uit zijn jaszak trekt hij zijn portemonnee. Bij het geluid van het ritsje, lichten Lars’ ogen op. “Zakgeld!” juicht hij, zijn armen in de lucht gestoken. Moeder lacht. Vader keert het etuitje boven de tafel om. Een stuk of tien muntstukken stuiteren over het eikenblad. Hij pakt één van de muntjes. Zijn zoon staat er al klaar voor, huppend van zijn ene op zijn andere been. Vader gooit het muntje op. Lars volgt hem met zijn blik, schitterend in het zonlicht, en roept “Munt!”. Hij vangt hem met zijn linkerhand en klemt ‘m op de rug van zijn rechterhand. Ze maken oogcontact. Lars glundert. Hij opent zijn hand voorzichtig en gluurt er onder. Munt! Hij draait het gouden cirkeltje tussen zijn vingers. De adelaar pronkt kranig met zijn vleugels. Precies wat hij nog nodig had.

Het belletje rinkelt als hij de zware deur open duwt. “Hé Lars!” roept de winkelier. Lars steekt haastig zijn hand op en loopt in één rechte lijn naar de achterkant van de zaak. Kleurrijke, rechthoekige doosjes pronken aan de wand. Hij staat op zijn tenen en strekt zich uit naar diegene met de juichende speler. Met het FIFA-doosje onder zijn arm rent hij naar de toonbank. Uit zijn binnenzak haalt hij een handvol geld. “Zo jongen, het is je gelukt!”, knipoogt de winkelier. Hij pakt de briefjes en het ene gouden muntje en tikt op de toetsen. De kassalade schuift piepend open. De winkelier bergt de briefjes op en laat het muntje vallen, tussen de anderen. Als hij opkijkt om het bonnetje te geven, is de jongen weg.

Met het op slot draaien van de zware deur achter zich, start de winkeliers vakantie. Thuis pikt hij zijn vrouw, vier kinderen en hun zes volgeladen koffers op. Het duurt twintig uur voordat ze vanaf huis, naar Schiphol, via Manilla, in het kleinere dorpje Vigan aankomen. Maar het is het allemaal waard om de komende drie weken met de zijn vrouw’s familie door te brengen. Het verrast hem altijd hoe makkelijk zijn gezin zich aanpast aan het rustige, Filipijnse leven. Na een dag vol verhalen uitwisselen in de woning van zijn schoonouders, is het zover: Oudejaarsavond. Een dag vol bijzondere gewoontes in dit land. Tijdens het diner worden de kommen noedels opgediend, symbool voor een lang leven, met als dessert twaalf ronde vruchten, één voor iedere maand. Om half twaalf is het zo ver, dan worden de ronde objecten door het huis verspreid, symbool voor geluk. Op kasten, randjes en het aanrecht, overal waar je kijkt zie je ze fonkelen in het kaarslicht. De winkelier stopt zijn hand in zijn jaszak en legt zijn gouden muntje op tafel. Als het vuurwerk en lawaai een paar uur later voorbij is, pakt iedereen zijn spullen weer in en vertrekt. De winkelier loopt naar de tafel, maar die is leeg. Zijn munt is verdwenen.

“Tweeënveertig, drieënveertig, vierenveertig”. Gelijktijdig met het uitspreken van de getallen, vallen de muntjes in de envelop. De vijfenveertigste is een bijzondere, een gouden met een adelaar erop. Maricel kijkt met gemixte gevoelens van schaamte en trots naar de verzameling. Houdbare etenswaren, kinderkleding en schrijfwaren. De envelop propt ze ertussen, terwijl ze het dikke pakket met touw dichtbindt. Natuurlijk was het niet netjes om gisteravond meer centen te pakken dan dat ze zelf had neergelegd, dat weet Maricel ook wel. Maar die Hollanders hebben genoeg. Met hun koffers vol schone, rijkelui’s kleding en hun nette, geknipte kapsels merken ze het heus niet dat ze zich het één en ander mee heeft toegeëigend. Haar neefjes kunnen in ieder geval weer een week vooruit.

Zijn blote voetjes kletsen over het modderige pad. Het oranje water van de plassen spet omhoog langs zijn benen. Het neefje holt, net een stukje sneller dan zijn benen hem kunnen dragen, op weg naar zijn vriend aan de andere kant van Dharavi. Af en toe stopt hij om te kijken of hij hem nog heeft. Als hij zijn hand opent, en het gouden muntje ziet liggen, sluit hij hem tevreden en vervolgt zijn weg. Door smalle steegjes, zigzaggend langs tuktuks. Behendig springt hij over losliggend vuilnis. “Saroo!”, roept hij luidkeels, “Saroo!”. Het neefje steekt zijn hoofd om de hoek van de golfplaat en zijn vriendje vliegt om zijn nek. Hij duwt Saroo ongeduldig van zich af. “Kijk!”. De donkere ogen van de jongen worden groot. “Voor jou, Saroo”, zegt het neefje trots, “Kun je rijst voor je zusje kopen!”.

Verwonderd pakt Saroo het muntje aan. Hij laat het door zijn handpalm glijden en aait met zijn wijsvinger het reliëf. De gouden opdruk van een adelaar. Hij werpt een blik op zijn zusje. Ze ligt duimend op een stapel doeken, verhoogd van de vuile grond. “Zo terug, ladakee”. Hij kust haar warme voorhoofd. Samen met het neefje loopt hij naar de markt. Hij kijkt zijn ogen uit en blijft staan bij de donkerbruine, leren slippers. Zestien muntjes. Onbereikbaar. Ze lopen langs de tonnen met grote bergen kruiden en rijst. “Namaskaar”, begroet hij de oude vrouw. Zijn vinger wijst naar de bak met grote, gele korrels. De vrouw draait zich om en zoekt een plastic tas. Dan voelt hij een grote hand in zijn nek. “Meekomen Saroo”, fluistert een zware stem in zijn oor.

Vol verwachting staan ze op het vliegveld. Ze houden elkaars hand stevig vast. Een klamme greep voortkomend uit de zenuwen die ze beide voelen. Na jaren van proberen, medische trajecten, teleurstellingen en het daaropvolgende keuringstraject, is het vandaag zo ver. Hun adoptiekindje arriveert. Gespannen kijken ze naar het informatiebord, waar de vlucht AL 187 verandert van “expected” naar “landed”. Ze maken opgewonden oogcontact. Een uur later zien ze een man met een klein jongetje door de automatische deuren komen. De vrouw zakt door haar knieën, op ooghoogte met de jongen. Ze begroet hem en vraagt wat zijn naam is. De man naast hem vertaalt het in Hindi en de jongen met de grote, donkere ogen antwoordt: “Saroo”.

“I need to get on this flight back to Delhi”, verontschuldigde hij zich. Zo snel als de markt-man hem meevoerde, drogeerde, incheckte met een vals paspoort en kalmeerde in het vliegtuig, zo snel verdween hij ook weer. Zijn rechterhand ingesloten in die van de vrouw zet Saroo zijn eerste stappen op Canadese grond. Tranen prikken achter zijn ogen al vanaf het moment dat hij in het vliegtuig wakker werd en zich realiseerde dat hij zijn zusje geen eten meer zou brengen. Hij vraagt zich af waar ze nu is en hoe het met haar gaat. Zijn linkerhand verdwijnt in zijn broekzak. Die is leeg. Hij stopt met lopen en trekt hem binnenstebuiten, maar het is de realiteit: de gouden munt is weg.

Het is enkele dagen geleden dat ze het Indiase zakendistrict achter zich liet. Op haar terugweg naar Oostenrijk, maakt ze een stop in Nederland voor een belangrijk congres. Ondanks dat het congres in Utrecht is, logeert ze het liefst in Egmond aan Zee. Het is prachtig om in de bergen te wonen, maar ze mist het wel om nooit een dagje naar het strand te kunnen. Het gevoel van je tenen in het losse zand, ook in de herfst, is onbeschrijflijk. Bij een kraampje koopt ze ‘kibbeling’, een gefrituurde vissnack. Terwijl ze haar spullen onder haar oksel klemt en ondertussen haar portemonnee opent, valt het geld eruit. Het dwarrelende briefje stopt ze met haar voet. Ze bukt en schept met haar hand de zandkorrels heen en weer tot ze voor haar gevoel alle schitterende cirkeltjes er weer uit heeft gevist.

Ondanks de vroegte prikt de zon al op ferme wijze door het wolkendek. De wind schuurt langs onze wangen, maar de warme stralen maken het aangenaam genoeg op het strand. Moeder en de jongen rennen vooruit. Hij kijkt achter zich. Luie Max sukkelt achter hen aan, zijn pootjes ondiepe sporen achterlatend in het natte zand. Uit zijn jaszak haalt hij de bal. Max blaft. Zodra hij een gooiende beweging maakt, komt Max in actie. Dan valt zijn blik erop. Er glinstert iets in het zand. Klein, goud en rond. Hij veegt wat zand eraf, er komt een adelaar tevoorschijn. Zijn hoofd naar rechts gedraaid, de veren in zijn vleugels als vingers wijd gespreid. “Hé! Kom gauw kijken! Waar zal deze munt vandaan komen, Lars?