Categorieën
Fictie

De stier

Hij had een onvoorstelbare fascinatie voor een stier ontwikkeld: een kolos van meer dan een ton met lichte kringen rond de ogen en een bruinrode vacht. Vorige zomer had hij op een boerderij gewerkt en de boer overtuigd om de stier, twee jaar oud, gevaarlijk en rijp voor de slacht, aan hem te verkopen. Het beest graast nu op de groene wei waar hij vroeger wijn dronk met haar aan een lange tafel die hij zelf in elkaar had getimmerd. Wat ziet hij in godsnaam in een dier dat de hele dag dwaas voor zich uit kijkt? Hij roemt het robuuste voorkomen van de stier en spreekt over de kracht van zijn kop als die inbeukt op de houten balken. In de ogen meent hij dankbaarheid te zien omdat hij het beest heeft gered. De stier herkent me, zegt hij met dunne stem. Nooit ziet ze hem zo geëmotioneerd.

Sloom hangt ze over haar stuur, met elke pedaalslag lijkt het alsof ze door meters warme luchtlagen moet trappen. Als ze de helling oprijdt en op de trappers staat, begint de rugzak met het brood en de bijl te wiebelen.
In de verte, waar de spreeuwen zich elke avond na een perfecte choreografie laten vallen in het riet, torent het huis als een stenen puist boven de velden uit. Naast de woning groeien papavers en wilde bloemen, verderop graast een paard waar hij nauwelijks naar omziet. Paarden stralen niks uit, zegt hij, in hun ogen zit geen vuur. Bij het naderen van het huis hoort ze de ijzeren ketting ratelen waarmee de stier staat aangebonden.
De warme lucht streelt haar oorschelpen als ze naast het huis het pad volgt naar de fietsenstalling, een houten constructie waar vroeger kippen liepen. Ze schrikt. Hij staat naast zijn fiets, de stok waar hij sinds gisteren mee loopt om zijn rechterbeen te ondersteunen rust tegen het zadel. Met een maatbeker schept hij hijgend gerst uit een zak en giet het in een plastic kom. De hitte vermoeit hem. Dadelijk doet hij zijn middagslaapje, dan kan de bijl het werk doen. Ze parkeert haar fiets en legt het brood binnen op het aanrecht, naast de borden met restanten van het eten van gisteren.

In de schaduw van de Amerikaanse eik hadden ze pasta gegeten. Onder de haag likte de kat zich schoon, niks wees op nakend onheil. Niet voor het eerst was ze over vakantie begonnen, hij was in een goede bui, ze wou een reis uitstippelen, campings zoeken. Dus jij wou naar Zuid-Italië? vroeg hij, alsof ze bij een reisbureau een afspraak had gemaakt. Ze wou de streek rond Salerno zien en zwemmen in de Fiorde di Furorekloof. Zoals de stier zich nietsontziend op zijn voer stort, had hij zijn pasta naar binnen geschrokt. Aan zijn lip hing een sliert spirelli, uit zijn mond dwarrelde een kaasdraad. Hij at zijn bord leeg en keek over haar schouder door de haag naar de stier, hij wilde het beest niet wilde achterlaten. Tijdens de reis naar Picardië, een halfjaar geleden, had hij zijn smartphone verbonden met een camera in de stal om vanaf een natuurcamping dichtbij Amiens alle bewegingen van het dier te volgen.
Ze had haar bord opzijgeschoven. Jij zou de stier in huis nemen! riep ze. Je houdt meer van dat beest dan van mij!

De ketting rammelt. Hij trekkebeent naar de stal, de stok als een slavenboei onder zijn rechterhand, de emmer in zijn linker. Boven hem laat de eik sloom zijn takken hangen. Ze sluipt naar de garage en pakt de bijl uit de rugzak. Het is een simpele kloofbijl, met lichtbruine steel en een rood bijlblad. Ze pakt de onderkant van de steel en heft de bijl omhoog. De snede verdwijnt boven haar hoofd, haar handen tintelen. Zo moet het gebeuren. Ze laat de bijl zakken. Wat wil je ermee doen? vroeg de man in de winkel. Ze had weggekeken en naar de prijs gevraagd.

Na haar uitval gisteravond had ze de pastaborden in de gootsteen gekeild. De stier had de avond op de hoorns genomen. Ze liep naar buiten en ging weer aan tafel zitten. Hij was weg, zijn glas wijn was leeg, naast haar lag de kat lag te slapen onder de haag. Het volgende moment liet de stier een laaiend, scheurend geluid horen, ze keek om en zag door de haag hoe het beest zand opgooide en in de grond krabde. De kat, die een minuut eerder nog als een gevild konijn languit onder de heg lag, stoof de velden in. Zij stond naast de tafel, er was woede in haar gevaren, ongeloof ook. Had hij iets willen bewijzen? Hinkend kwam hij de tuin in. Heb je je pijn gedaan? vroeg ze. Het klonk alsof ze vroeg of hij nog koffie wou. Het is in orde, zei hij, wit om zijn neus, een snee van tien centimeter op zijn scheenbeen. Het moet ontsmet worden, zei ze, zonder hem een blik te gunnen. Ze zocht binnen EHBO-spullen, buiten probeerde hij tevergeefs te lopen zonder met zijn been te slepen. Ga zitten, zei ze. Ze klemde zijn onderbeen tussen haar knieën. Met een washandje ging ze over de wond, net onder zijn knieschijf. Ze pakte ontsmettingsmiddel, hield het flesje ondersteboven en drukte een stuk gaas tegen de opening. Met haar wijsvinger ging ze over de snee. Achter de haag keek de stier dom voor zich uit, de staart slap achter het lijf, alsof er niks gebeurd was. Had hij zich met het beest willen meten of met haar? Ze had zin om de wond open te sperren en het middel erin te gieten, hij zou sterven van de pijn.
‘s Nachts had hij haar jurk uitgetrokken en haar borst gestreeld, wou hij iets goedmaken? De kastdeur stond open, in de spiegel leken zijn witte benen twee kaarsen naast het bed. Ze knoopte zijn riem los en hielp hem uit zijn short. Hij was achter haar gekropen, had haar slip uitgedaan en zijn handen op haar billen gelegd. Ze had haar hoofd omgedraaid, wat wilde hij? Uit zijn hemd steeg de geur op van korrels die hij uit Oekraïne laat komen om de zitbeenderen van de stier sterker te maken. Hij trok haar bekken tegen zich, ze moest in het gareel blijven. In de spiegel keek de stier haar aan. Het stoten had vernederend gevoeld.

Hij komt binnen en legt zijn stok neer. Een erfstuk van zijn vader, verloren gewaand en vanmorgen op zolder gevonden zodat hij door de tuin kan pikkelen en naar de stier kan loeren. Het is ongezond weer, zegt hij. Ze knikt. Hij loopt hinkend naar de bank, zoekt met zijn handen steun op het kussen. Voorzichtig gaat hij op zijn zij liggen, legt zijn linkerbeen neer en trekt met beide handen zijn rechterbeen ernaast. Ze kijkt naar zijn buik, beluistert zijn ademhaling. Na vijf minuten voelt ze aan zijn voorhoofd. Hij is een vaste slaper, hij zal niet wakker worden. In de garage pakt ze de rugzak met de bijl en loopt naar buiten.
Er hangt een broeierige stilte, als een koord dat elk moment kan knappen. De lucht is dik, haar topje plakt tegen haar huid. Door een gat in de haag loopt ze naar de metalen poort die de wei scheidt van de tuin. De stier staat te grazen, de punten van zijn hoorns lichten op in de blikkerende zon. Ze zet de rugzak neer, schuift de pin opzij en draait de poort open. Het beest heft sloom zijn kop omhoog. In een boog loopt ze om de stier heen naar de staak die hij met beton heeft vastgezet. Daar vertrekt de ketting die ze stuk wil slaan zodat het dier door de poort het veld in loopt, recht naar de rivier. Ze stelt zich voor hoe zijn ogen straks vruchteloos naar de stier op zoek gaan, hoe hij zijn blik over de weide laat gaan over de rood-roze papavervelden. Ze haalt de bijl uit de rugzak. Haar lichaam spant op, alle kracht moet uit haar armen komen. Met haar handen omklemt ze de steel en tilt die boven haar hoofd.
Met kletterend geluid raakt de bijl de ketting. Ze hijgt, wist het zweet van haar voorhoofd en heft de bijl omhoog om opnieuw uit te halen. Dan houdt ze in. Het beest heeft zijn logge lijf gedraaid en zijn hoorns naar haar gericht. Naast haar priemt de zon door de takken van de Amerikaanse eik. De bruinrode vacht glimt als de leren kussens van de bank waar zijn mank been op rust, achter haar in huis. De bijl zakt naar beneden. De stier snuift en stampt op de grond, zijn ogen twee fonkelende sterren die haar niet loslaten.