Categorieën
Fictie

De sterkste soort

‘’Leuk, zo’n topje met open schouders,’’ zei de CEO.
Bij elk ander soort sollicitatie was het een misplaatst compliment geweest, maar in deze branche was het niet alleen gepermitteerd, het was de normale gang van zaken. Inmiddels was het al mijn derde afspraak met de CEO en de beoogde auditie moest nog altijd plaatsvinden. Althans, de conventionele auditie, zoals die in de vacature beschreven stond. Bezieling leggen in andermans teksten, gezichtsuitdrukkingen veinzen, het hele circus. Gaandeweg kreeg ik het echter in de gaten: ik was wél auditie aan het doen.
Bij elke afspraak, elk etentje, elke opmerking. Het gracieus in ontvangst nemen van zijn smeerlapperij, en daarmee de amplificatie van ’s werelds grootste drijfveer, het verlangen dat achter zogenaamde ambities, functies en titels schuilging: seks.
‘’Nog twee straten, moet je nog iets hebben, sigaretten bijvoorbeeld?’’
Ik moest niks. Ik wilde een baan. De geur in de auto bevatte een eau de cologne-achtige kunstmatigheid, die bij mensen als de CEO te verwachten viel. Integrale afwezigheid van mensen en hun geur, hun adem. Alles moest ruiken naar iets nieuws, naar plastic tuinstoelen. In de zijspiegel zag ik zijn vlekkerige gezicht in scherp azijn-kleurig lantaarnlicht. In façade en het behouden daarvan, zaten alle middelen die voor hem essentieel waren. Wat ik überhaupt bij dit figuur in zijn auto deed, bleef me voorkomen als iets dat in wezen niks met het vak zelf te maken had, of met solliciteren. Ik was hier, in een zilveren Audi Q2 ergens in een achterwijk, omdat ik naïef genoeg was om te denken dat mannen in machtsposities niet precies dát waren: mannen in machtsposities.
De onmacht van de ambitieuze vrouw was een probleem dat er nooit hoefde te zijn.
‘’Ik hoef niks, dankjewel,’’ antwoordde ik beleefd.

Mijn vader was hoogleraar en seksist. Met het één verdiende hij geld en met het ander verwierf hij – aan de hand van collega’s en gelijkgestemden – een doorvoelde waardering voor zijn moeite. De moeite ten gevolge van het openbaar misprijzen van vrouwen.
Zulke stelligheid over het vrouwelijk geslacht was natuurlijk een broeikas voor controverse. En waar controverse was, ontstond weerstand, voor de voet-bij-stuk-houders als mijn vader geen enkel probleem. Intellectueel als hij was, kon hij het vuur dat hem op den duur aan de schenen werd gelegd vakkundig weren met breedvoerige, academische uiteenzettingen. Hij ging ook nooit té ver. Haat, in welke vorm dan ook, groeit gestager als het mondjesmaat binnen gelepeld wordt. Binnen de thuissferen slikte hij zijn woorden minder in, kon ik het beest in hem ontwaren.
‘’Waarom heeft de wereld een hekel aan vrouwen?’’ vroeg ik eens.
‘’De wereld heeft niet zozeer een hekel aan vrouwen,’’ verzuchtte mijn vader, ‘’veeleer bestaat er vanuit de natuur een liefde voor de sterkste soort.’’
Hij zei ook: ‘’Het patriarchaat is ons niet zomaar in de schoot gevallen.’’
‘’En dat zijn jullie?’’ vroeg ik ontmoedigd, ‘’de sterkste soort?’’
Mijn vader was hoogleraar en seksist, en toen ik hem vroeg om transparantie kreeg ik een plat waardeoordeel.
‘’Ja,’’ dacht hij zeker te weten, ’’dat zijn wij.’’
Dat hele gesprek was onzinnig. Zonder ons is de natuur niks, een bende futiele, ontgoochelde organismen. Het nut van de man bestaat bij de gratie van onze aanwezigheid. Wij zijn de natuur, had ik mijn vader willen zeggen.
Wij dragen de wereld in onze buiken.

De CEO keek naar mijn kont terwijl we het trappenhuis opliepen. Elke vrouw voelt dat.
Ik had hem een massage beloofd, omdat ik liet weten dat ik een half jaar fysiotherapie gestudeerd had. Ik had die studie niet afgemaakt omdat ik na twee maanden al veel te ver achterliep. Ik had niks afgemaakt en me door de adolescentie heen getwijfeld. Zodoende kwam in dit tafereel terecht, met een CEO in een brandschoon trappenhuis, op zoek naar richting, op zoek naar een uitweg.
‘’Yes,’’ stamelde hij merkbaar nerveus, ‘’hier is het, één van mijn appartementen.’’
In elke belofte aan een CEO schuilen nog tien anderen, maar de massage was de enige uitgesproken belofte, en ik zette me schrap voor meer. Ik had geleerd dat beloftes – net als geld – nooit om de inhoud gingen, het was een middel om iets gedaan te krijgen.
Implicaties brachten hoofden op hol sinds het menselijk bestaan. Ik wist dat deze branche zo in elkaar stak. Ik wist van het gevaar, afpersingen, seksuele intimidatie en seksisme. Ik wist ook dat een jonge, blonde vrouw als ik daar iedere keer het lijdend voorwerp in zou zijn. Ik heb keuzes gemaakt. Prioriteiten gesteld. De koers en de eindbestemming in het oog gehouden. Maar ook ik was bloednerveus en ervoer conflicterende emoties, op het moment dat ik bij de CEO thuis mijn hakken uitdeed.
Op de voordeur zaten vier verschillende sloten, drie ervan met een sleutelgat. Hij deed alles op slot wat er te sluiten viel en keerde zich om, zijn stropdas evenzo gedraaid.
‘’Zal ik maar op mijn buik gaan liggen? Ik heb schouders als rotsen,’’ zei hij alsof het grappig was. Ik knikte. Schouders masseren ging met name om het vinden van spierknopen, lokale verkrampingen eigenlijk, en daar verlichting in creëren middels het kneden met de handen. Hij schoof een asbak en een stel aan elkaar plakkende tijdschriften – dat iets weg had van een postmodern telefoonboek – van het bed en ging met ontbloot bovenlijf op zijn olieachtige buik liggen. De CEO had een obsoleet lichaam, een placeholder voor de besmeurde geest, samengeperst door jaren aan verwaarlozing.
Vies, oud en vettig.
Ik begon te kneden terwijl ik op hem zat.
‘’Hmm,’’ kreunde hij, zijn schouders zaten inderdaad heel vast.
Ik kwam met mijn heupen bij zijn heupen, mijn handen waren haast te klein en moesten flink wat kracht uitoefenen om druk te zetten. Hoeveel aspirant-actrices waren al hier geweest, vroeg ik me af. Om hun lichamen aan hem te verkopen in ruil voor een rol.
‘’Hmm, zalig.’’
Ik had geen rol te kiezen, concludeerde ik mistroostig. Niet in het leven en niet in een film. Voor weerbarstigheid was geen plaats in deze branche, niet voor mij althans.
‘’Ik wou dat mensen ons konden zien,’’ zei ik per ongeluk hardop.
‘’Wat?’’
‘’Nee, niks.’’
Ik kneedde verder. De ongelijkheid, vormgegeven, een tentoonstelling: CEO in bed met aspirant. Mijn vaders vele haatdragende uitingen passeerden de revue. Tokkelen op de snaren van vriendjes, wiens lusten uitsluitend beroep deden op mijn lichaam. De inschikkelijkheid van mijn bestaan. Ik had nog geen lul in mijn mond gehad die het het waard was.
‘’Ja-ha..Oh!’’
Ik dacht eraan hem dood te maken in zijn eigen appartement. Hij zou het niet zien aankomen. Ik kon een vaas in de ruimte spotten en hem daarmee bewusteloos slaan. De zenuwen in de nek zijn heel gevoelig. Ik zou het kunnen. Ik wist waar ik hem moest treffen. En toen dacht ik: zonder ons is de natuur niks.
Ik vroeg hem zijn onderbroek uit te doen, nam zijn lul in mijn hand en rondde de auditie af.