Categorieën
Fictie

De Stad

‘Sorry, we hebben nog steeds niks besloten,’ zei je in het Engels, toen de ober voor de tweede keer langskwam om onze keuze te noteren, ‘hoe kan ik naar het menu kijken in het gezelschap van deze prachtige vrouw?’
‘Ik begrijp het, maar ze zal toch echt wat willen eten, meneer,’ antwoordde hij, waarop we alle drie lachten en we uitkwamen op de hoofdgerechten die de aardige man ons aanraadde. Veel later op die avond zouden we eerlijk toegeven dat het heerlijk had gesmaakt, maar het eten uiteindelijk wel koud was geworden, omdat we elkaar zo veel te vertellen hadden, en de ober zou er het zijne van denken, ons met een glimlach de rekening geven. De halve rekening was wijn, dat kon ik niet zien want je pakte het voor me weg, maar ik kon ondanks de wijn nog wel rekenen, en ik stelde voor om hem te delen maar je wilde er niks van weten, omdat je ouder was dan ik, misschien, of niet gewend aan de Nederlandse manier, zoals je niet meer gewend was aan dit gevoel.

Jij kende een bar met mooie livemuziek, ik stelde voor om erheen te lopen, je stemde in. Ik was lichtelijk aangeschoten, jij had het meer onder controle, of misschien leek dat maar zo. Je vertelde over je tijd in de stad, over die jongere jaren die je hier spendeerde, en ik luisterde aandachtig, alles wat je zei zat zo waanzinnig vol levensenergie dat mijn geest het opslurpte, terwijl onze voeten eenzelfde ritme vonden.
‘Wat zou je doen als opeens bleek dat ik de magische kracht had om te vliegen?’ vroeg je opeens.
‘Dan werd het maar eens tijd om mijn spiraaltje te verwijderen,’ zei ik, zonder lang na te denken. Mijn brein was inmiddels in die ongefilterde staat van zijn gekeerd waarin dit soort antwoorden spontaan opkwamen. Je stond midden op het fietspad stil om te lachen, we werden bijna overreden door een scooter, van het soort dat overal door de stad te vinden was, wat door elke idioot gehuurd kon worden en dat gebeurde ook, al waren wij in dit geval de idioten.
‘Pas op!’ riep ik lachend, terwijl ik je aan je arm opzij trok, je superkracht was nog niet geactiveerd.
Hier zoenden we voor het eerst die avond, op het fietspad tussen twee lantaarnpalen, en daarna liepen we hand in hand verder, onze vingers verstrengelden zich.

Ik had hier niet eens moeten zijn, vertelde ik op de top van de eerste trap naar het paleis, ik had deze reis pas op het laatste moment geboekt. Een kleine omweg richting de bar, maar dit was immers mijn eerste en voorlopig laatste nacht in deze stad, en ik wilde zo veel mogelijk in me op nemen. Mijn persoonlijke gids met gloeiende handen en een aanstekelijke lach, je zei dat dat ook voor jou gold, dat je niet had gedacht dat je ooit nog naar deze stad zou terugkeren. We liepen de volgende trap op, voor het uitzicht, of omdat je graag achter me wilde lopen.
‘Dit was een mooiere plek geweest voor de eerste zoen,’ zei ik, terwijl ik me omdraaide en je ogen betrapte, je kwam glimlachend dichterbij.
‘Niet getreurd, ik heb ook tijd terugdraai krachten,’ zei je, en bracht je opnieuw je lippen naar de mijne, bovenaan de trap, onze gezichten verlicht door de stad onder ons. De lichtjes die bleven bewegen, voor altijd in beweging totdat ze vonden waar ze wilden zijn, wat misschien nooit zou gebeuren, maar waar wij stonden was het stil. We bogen over de balustrade en keken naar de straat onder ons, naar de voortbewegende mensen, je zei dat je ze allemaal had ingehuurd, dat de bewegingen van de stad behoorden tot een grote choreografie, door jou geregeld om deze avond perfect te maken, want ik moest niet denken dat je mijn eerste nacht in de stad zomaar ongecontroleerd voorbij zou laten gaan.
‘En hij dan? Hij staat er nogal hopeloos bij,’ zei ik, terwijl ik wees naar de man die al een tijdje wachtte voor het voetgangersstoplicht.
‘Hij was het duurste van ze allemaal!’ antwoordde je. ‘Betaald per minuut en dat stoplicht staat nog wel even op rood.’
‘Dat had je niet hoeven doen,’ zei ik lachend. ‘Nee maar echt, specifiek die man had niet gehoeven. Verder is het prachtig. Dankjewel.’

We bleven kijken totdat de man mocht oversteken en vervolgden langzaam onze weg, werden weer onderdeel van de stad, maar ook weer niet, want mensen keken ons aan, verliefdheid is immers van mijlenver te zien, maar daar konden we niks aan doen, wilden we niks aan doen. We liepen door en je vroeg naar Amsterdam, mijn thuishaven, het enige wat je ervan wist kwam van die ene nacht uitgaan met vrienden, tien jaar geleden, en je herinnerde je alleen nog de 24/7 winkels, waar jullie uiteindelijk rennend naartoe moesten omdat ze om elf uur gingen sluiten. Ja, dat is Amsterdam, en ik houd zo godsgruwelijk veel van mijn stad, zei ik lachend, ik was nog steeds aangeschoten anders zou ik zoiets nooit zeggen, en opeens kon die hele livemuziek me niet meer zo veel schelen, want het was al ver na middernacht. Mijn vlucht ging over twaalf uur en dan zou ik je nooit meer zien, of op zijn minst voorlopig, want oud waren we allebei genoeg om te weten dat het leven niet stilstond na een avond. Alsof je mijn gedachten las, trok je aan mijn hand, en ging voor me staan, met je oudere pretoogjes. Ik wist eigenlijk zo weinig van je, maar dat maakte niet uit, vanavond was je hier met mij, en ik met jou, en al was er niets dat verborgen hoefde te blijven, er hoefde ook niets gebiecht.
‘Wat denk je ervan?’ vroeg je.
‘Wat bedoel je?’
‘Wil je nog naar de bar?’
‘Uhm.’
‘Hoe laat gaat je vlucht?’
‘Over iets minder dan twaalf uur.’
‘Wil je dat ik je terugbreng naar je hotel?’
‘Is dat ver?’
‘Valt wel mee, maar dan komen we vanaf hier langs mijn favoriete plekje in de stad.’
‘Oh?’
‘Wil je dat zien?’
‘Natuurlijk wil ik dat zien.’
‘Dan neem ik je mee.’

We hadden het over de liefde en het leven, terwijl we doorliepen, en toen we langs je lievelingsstandbeeld kwamen, vertelde je over de prachtige betekenis, en er stond een Duits stel foto’s te maken, ik praatte ze net iets te hard na, waarom ik dat detail heb onthouden weet ik niet, misschien omdat ik alle details van de avond heb onthouden, zoals hoe we fantaseerden over de kortste weg naar mijn hotel, recht over het dak van dat vier verdiepingen hoge gebouw, en elk detail van je gezichtsuitdrukkingen terwijl we in de lift stonden te wachten op de achtste verdieping. Je ogen, het is een cliché, maar je ogen trokken me naar binnen, mijn hart was al vergeven, en ik leefde, ik leefde zo hard als de zon aan de andere kant van de aarde scheen. Als deze nacht met jou net iets langer had geduurd zou ik opbranden, dan was er niks meer van mijn oude zelf over, zoals ik in mijn vorige zevenentwintig jaar de aarde had bewandeld. Nog tien uur tot take-off, scheen de grote wekker naast mijn hotelbed ons toe, nadat ik de deur voor ons opende en je enigszins ongemakkelijk welkom heette, als een nerveuse verliefde tiener. Je zou me nemen zoals ik nog nooit eerder was genomen, en dat lag niet aan hoeveel je de tijd nam, de langzaam opbouwende ongeremdheid tussen ons, of de bedwelmende geur van je zwetende, stotende lijf, maar aan hoe alles wat je deed mij verder opwond zoals ik niet eens wist dat ik opgewonden kon worden, alsof je me al jaren kende en het tegelijkertijd nog nooit zo spannend was geweest, en ik begreep niet hoe het kon.

Vergeef me, maar ik moet iets weten, wil ik ooit nog uit dit gat kruipen waarin je me hebt achtergelaten. Kon je werkelijk genieten, in de wetenschap dat de magie van die avond tijdelijk zou zijn, oh lief, ik wil het weten, betekende dit hetzelfde voor jou? Staat jouw leven op de kop, zoals de mijne, of ben je teruggekeerd naar je dagelijkse realiteit, de herinnering aan mijn lichaam en die nacht weggestopt in een luciferdoosje, in het vuur gegooid om met veel gespetter voor altijd te verdwijnen? Denk je nog terug aan de woorden die we spraken met een exploderend hart, de humor intact, maar de pijn overrompelend veel sterker? Of heb je je erbij neergelegd, dat sommige mensen niet samen kunnen zijn, omdat het nou eenmaal niet kan, en er geen verdere redenen zijn, en al zijn ze er wel, wat doet het ertoe? Sommige dingen zijn zoals ze zijn, toch, en daarin blijven hangen is voor mensen die de realiteit niet aankunnen, zoals jij dat wel kan?

Oh lief, je hebt me gebroken en er was bijna niks voor nodig. Misschien is dat waar ik nog het minste mee kan leven.