Categorieën
Fictie

De slag

Verslagen staart ze voor zich uit. Daar zit ze dan, te midden van het slagveld, omringd door niets dan verwoesting.
“Survival of the fittest,” denkt ze bij haarzelf.
Ze probeert zich te focussen en de chaos die haar omringt te negeren. Ze probeert orde te krijgen daar waar het overzicht volledig verloren is. Het lukt niet. Ze is het noorden kwijt. Volledig gedesoriënteerd.
Om haarzelf in gang te trekken, stelt ze zichzelf een vraag waarvan ze het antwoord al kent: “Hoe begin ik hier aan?”
De bedoeling was om als antwoord over te gaan tot actie, maar in plaats daarvan eist een ander deel van haar hersenen haar aandacht op. Het kleine kamertje dat ze liever gesloten houdt, ergens achteraan in haar hoofd, opent weer ongevraagd haar deur. En opnieuw is er die stem die roept dat ze niet op haar plaats zit. Dat ze moet vluchten, en liefst zo snel als mogelijk. Weg van deze plaats des onheils. Weg van dit helse oord.

Dit brengt zoals steeds een nieuwe vraag teweeg: “Waarom doe ik dit?”
Het antwoord is er ooit wel geweest, maar is ze kwijt geraakt. Het was zoek en dat was al enige tijd zo. Het leek er ook op dat hoe meer ze het haar afvroeg, hoe minder ze het wist. Het enige dat ze nog kon verzinnen was even eenvoudig als ontoereikend: het was haar roeping. En een roeping, die stel je niet in vraag, want daar is geen rationeel antwoord voor. Dat doe je, tegen wil en dank.

Dus voerde ze maar uit wat ze moest doen, ook al was ze er van overtuigd dat ze het niet meer goed deed. Daar bestond geen twijfel over. Alles wat ze had geprobeerd te realiseren, was geëindigd in falen. Ze wou gewoon gelukkig zijn, maar wat voor reden had haar bestaan als ze geen voldoening meer haalde uit wat ze altijd dacht dat haar roeping was? Wat als je doel bereikt is, en het blijkt niet je passie te zijn? Niet alleen voelde ze zich inadequaat, ze verlangde ook naar meer. Naar anders. Dit kon het niet zijn. Ze had de finish zeker en vast nog niet bereikt.

Maar ze kon niet meer. Ze was op. Alles rondom haar vrat alleen maar energie, zonder ooit iets terug te geven. Zij was van geen belang en niemand luisterde naar haar. Haar woorden werden steeds overstemd door het vreselijke gekrijs dat haar omsingelde elke dag opnieuw. Haar leven was niet meer dan een herhaling geworden. Een eindeloze lus bestaande uit negatieve emoties: pijn, ongenoegen en frustratie. Ze wouden allemaal haar aandacht, en nooit kreeg ze ook maar iets terug. Ze moest alsmaar geven, en niet één keer kreeg ze een “dank u” in de plaats. Alsof haar liefde gratuit is. Alsof het haar niets kost om dag in dag uit klaar te staan voor iedereen.

Abrupt wordt ze uit haar gedachtestroom getrokken door een stekende pijn in haar borst. Ze kan ineens moeilijk ademen. Dat wat vanzelfsprekend was, wordt plots heel moeilijk. Gelukkig heeft ze hier ervaring mee en kan ze zichzelf kalmeren alvorens nog engere gedachten de overhand nemen. Ze sluit haar ogen en beheerst haar ademhaling. De pijn in haar borstkas ebt langzaam weg.

Daar zit ze dan. Te midden van het slagveld, terwijl de vijand slaapt.

Althans, dat denkt ze. Plots hoort ze iets achter haar. Schichtig draait ze zich om, maar haar angst wordt al gauw getemperd. Het was Emiel maar. Ze kruipt moeizaam recht en plaatst haar twee handen in haar zij.
“Wel, wat doe jij hier?,” vraagt ze autoritair.
Zonder te antwoorden waggelt hij schoorvoetend naar haar. Op nog geen halve meter van haar verwijderd, verliest hij zijn fragiele evenwicht. Net op tijd kan ze hem opvangen.
Ze vraagt zich af wat hij nodig heeft – ze hebben altijd iets nodig van haar.
Terwijl ze hem ondersteunt vraagt ze opnieuw, nu enigszins geërgerd: “Wel, wat doe je hier?”
Maar opnieuw antwoordt Emiel niet.
Dit maakt haar vreselijk kwaad, woedend zelfs. Ze haat het om genegeerd te worden, maar ze weet dat ze kalm moet blijven. Ze moet altijd kalm blijven – dat is wat van haar wordt verwacht.
Net voor ze haar vraag een derde maal kan stellen, reikt Emiel haar als bij wijze van antwoord een papiertje aan. Het papier is opgevouwen tot een soort enveloppe en ziet er uit alsof het een oorlog heeft mee gemaakt. Ze weet niet wat ze er van moet denken, en opent voorzichtig de enveloppe. Het is amper leesbaar, en vreselijk slecht geschreven, maar op dat bewuste blad staan de woorden die haar herinneren waarom ze dagdagelijks doet wat ze doet. Waarom ze elke dag de hel doorstaat, en waarom dit leven haar roeping is. Ze weet het weer, en ze kan er weer een dag tegen aan. En dat allemaal met 5 eenvoudige woorden: “Juf, ik hou van jou.”

Bron foto: De Standaard (online artikel “Schoonheid na de verwoesting”)