Categorieën
Fictie

DE SAX OP HET DAK

DE SAX OP HET DAK

‘Home at last’, dacht ze.
Anastasia opende de deur van het appartement dat ze twee maanden geleden met veel geluk veroverd had en dat zij haar loft noemde vanwege het hoge plafond en de hoge ramen. Het was een warme dag geweest maar, thank God, bleek het binnen nog steeds lekker koel. Ze pakte een glas water en opende de balkondeuren. De zwoele avond viel als een lome deken over haar heen, ze ging zitten, strekte haar benen en nam een paar slokken. Een tevreden gevoel trok door haar heen na de lange dag vol overleg en oefenen met het ensemble. Na het conservatorium, alwaar ze viool studeerde, had ze met een paar jaargenoten een groepje geformeerd. Allemaal waren ze klassiek opgeleid maar zochten naar een meer swingende vorm van muziek maken. Hun eigen geluid, daar waren ze naar op zoek. Ondertussen verdienden ze de kost met een braaf repertoire. Ook leuk. Onlangs waren ze zelfs opgetreden in het vermaarde Concertgebouw waar ook het applaus akoestisch als nergens anders klonk. Tot hun verrassing werden ze in de pauze uitgenodigd om een praatje te maken met de oude prinses die blijkbaar ook het concert bijwoonde. Met de haar zo kenmerkende dictie vertelde de prinses onder de indruk te zijn van hun onbevangen spel en enthousiasme.
De zon was inmiddels onder gegaan en het laatste avondrood dobberde naar de volgende ochtend. Anastasia besloot nog wat langer te genieten van de prachtige zomeravond, schonk zich een gekoeld glas Viognier in en ging weer op haar balkonnetje zitten al mijmerend over haar zoektocht in de muziek. Gedachteloos speelde ze met haar ring. Een opvallende ring en het enige sieraad dat ze droeg. Ooit van haar moeder gekregen.
Plotseling ging ze rechtop zitten en luisterde verrast.

Peter staarde wat somber op zijn studentenkamer. Met een stel vrienden had hij verkoeling gezocht langs de rivier. Ze hadden een paar biertjes gedronken en wat hamburgers gebakken op een geïmproviseerde barbecue. Wat gezwommen, wat geouwehoerd, ook over de toekomst. Zijn vrienden waren inmiddels afgestudeerd, hadden een baan en een partner maar Peter hikte nog steeds tegen zijn eindscriptie aan. Hij studeerde nu al jaren psychologie en uiteindelijk, dat was ook al zo’n bevalling, had hij gekozen voor organisatiepsychologie als afstudeerrichting. Hij vond er geen bal aan. ‘Ik krijg mijn eigen leven niet eens georganiseerd’ bedacht hij zich met galgenhumor. Hij kon er gelukkig zelf om grinniken. Zijn vriendin, een doortastend type, kon dat niet en had uiteindelijk de relatie verbroken. ‘Kom maar terug als jij je leven op orde hebt’ had ze gezegd. Hij had z’n schouders opgetrokken, ‘ik zie wel’ gebromd en zich gerealiseerd dat hij het wel gehad had met dat doortastende. Te bedreigend. Hij wilde vrijheid, niet gebonden zijn en al helemaal geen druk ervaren van wie of wat dan ook. Voorlopig kon hij zich redelijk redden met een baantje als barkeeper in een populair café door niet te veel eisen te stellen aan zijn levensonderhoud. Gewoon ongeorganiseerd zijn zolang dat nog kon. En saxofoneren. Liefst de hele dag. Hoop en troost biedend op allerhande dagen.
Hij greep zijn saxofoon, wurmde zijn lange lijf door de dakkapel, kroop naar een stukje plat dak, kruiste zijn benen en zette de saxofoon aan zijn lippen. Als Aladin ontlokte hij de eerste tonen. Voorzichtig tastend en al snel slierden de tonen door de warme zomeravond. Als vanzelf improviserend op een weerklank uit zijn jeugd.
Ooit kreeg hij van zijn moeder een cassettebandje. Het sprookje van Peter en de Wolf op de muziek van Sergej Prokovjev. De kleine Peter vond het fantastisch en draaide de muziek als hij maar even tijd had. Hij kende de tekst van buiten en sloeg met zijn handje op de maat van de muziek. Zijn moeder was dol op Russische componisten en noemde Peter ook wel eens liefkozend Pjotr.
Geïnspireerd door de muziek uit zijn kinderjaren, toen alles nog zo simpel leek, mijmerde Peter op het dak en gaf een jazzy swing aan Prokovjev. Het klonk wel lekker en Peter voelde zich al weer wat beter. De sax deed wat hij voelde. Ooit had een meisje eens tegen hem gezegd, na een optreden toen het ook weer eens als vanzelf goed ging, dat hij haar ziel liefdevol aan een dun koordje uit haar hart had getrokken. Wat hij zich daarbij moest voorstellen was hem nog steeds niet duidelijk maar het leek een compliment. ‘De ziel aan een draadje….’ dat gevoel wilde hij ontfutselen aan zijn publiek maar heel vaak ging hij dan zo op in zijn muziek dat hij ‘draadje’ vergat en, met swingende vingers en een soepele tongaanzet, zijn sax betoverde, ondertussen zijn lange lijf ritmisch meebewegend.
Even geen getob over een gebeitelde toekomst maar ongebreideld genieten van dit improviserende geluk.
Het juichen in zijn borstkas vloeide uit de saxofoon als een tantaliserende stroom noten de warme avond in en de vrijheid tegemoet. De energie dartelde over het dak en Peter moest denken aan een zinnetje dat hij onlangs had gelezen en dat hij als een tijdelijk mantra tot zich had genomen:
‘Het leven is niet een probleem dat opgelost moet worden maar een mysterie dat geleefd mag worden.’
Wat de ‘doortastende’ daarvan zou vinden kon hij slechts naar gissen maar voor hem was het als manna voor een onzekere maar ongetwijfeld betekenisvolle toekomst. Hij raakte zo onder bekoring van zijn mooie gedachten dat de noten nog gloedvoller door het invallende duister buitelden.
Hij ging staan. Lijf en sax zwaaiend in harmonie om nog uitbundiger muziek te maken. De sexy sax dweepte, verleidde, charmeerde en vibreerde opwindend en bewoog vrijelijk van improvisatie tot het basisthema van Peter en de Wolf. Sturm und Drang zinderde door zijn lijf, het riet trilde in fase met het blazen en hij gooide alles los al dansend met de sax op het dak.
Abrupt stopte Peter. Hij voelde iets vibreren.
Er klaterde een applaus vanuit de stadstuinen en de balkonnetjes en ook een enkel ‘bravo’ en toen dat lommerrijk wegstierf wist Peter wat er aan de hand was.
Hij hoorde een viool met loepzuivere tonen, smekend lang aangehouden en vervolgens crescendo naar hogere regionen overgaand in het thema uit Peter en de Wolf. Peter wist het onmiddellijk. Dit was klasse, grote klasse en hij aarzelde om de uitnodiging aan te nemen. Maar toen dacht hij aan het leven en aan het mysterie dat geleefd mag worden. Why not? En Peter sprong in, eerst fluisterend en ondersteunend, dan pakte hij de leiding om even later weer de viool te volgen.
Anastasia genoot van de onverwachte wending van de lome avond en voelde ineens weer al haar energie onbedwingbaar stromen. Haar vingers vlogen over de snaren en de strijkstok zorgde voor de klankkleur. Dit was het grote genieten. Muzikale passie, geven en nemen, sturen en volgen, dwepen en wegfladderen, van hoog naar laag en van lentissimo naar prestissimo. Kon ze de saxofoonspeler maar strikken voor het ensemble. Ze twijfelde er niet aan of ook de anderen zouden de sax een geweldige aanvulling vinden.
De saxofoon ging afronden. Jammer, en hoe toepasselijk, de ondertoon werd klagerig en Anastasia voegde zich bij het lamento. Toen de laatste tonen wegstierven in de vollemaanblauwe avond maakte zij een reverence vanaf het balkon naar de benedenburen. Net echt en ze genoot van het applaus dat nu ook haar gold.

Anastasia slenterde op haar gemak, het was nog steeds warm, richting stad. De benedenburen hadden haar uitgenodigd die avond te komen eten en Ana had voorgesteld een frisse salade te maken. Iets van Ottolenghi had ze in gedachte maar dan had ze wel allerlei ingrediënten nodig die ze bij elkaar hoopte te kunnen sprokkelen. Eigenlijk hoopte Anastasia dat de buren haar iets zouden kunnen vertellen over de saxofonist. Of zou het een vrouw zijn? Jong/oud? Aardig? Tuurlijk aardig. Ze kon zich niet voorstellen dat iemand die zo gepassioneerd musiceert een stuk chagrijn zou blijken te zijn.
Aan de andere kant van de straat kwam er een knul aangeslungeld en hij maakte de indruk bij iedere stap over zijn eigen voeten te struikelen wat door een bepaalde behendigheid net niet gebeurde. Zijn rode krullen deinden vrolijk mee en dichterbij gekomen zag ze dat de ‘knul’ toch al wat ouder bleek maar met een ontegenzeggelijk charmante jongensachtige uitstraling. Een paar nieuwsgierige helderblauwe ogen deden de rest. Anastasia zag iets vagelijk bekends. En… het resoneerde niet onaangenaam.
De nieuwsgierige blauwe ogen zagen een aantrekkelijke jonge vrouw in een linnen, kobaltblauwe zomerjurk. Een wat breed, Slavisch gezicht met grijze ogen en blond haar. Waar had hij haar eerder gezien? Op het moment dat hij haar passeerde en zij hem vriendelijk toelachte dacht hij het te weten.
‘Was ‘t niet dat meisje van de ziel aan een koordje of draadje?’
Verrast draaide hij zich om.
Zij ook.
Ze schoten in de lach, een beetje betrapt, en vervolgden allebei weer hun weg.
Lichtvoetig.
Verende cadans.
En een veelbetekenende blik.