Categorieën
Fictie

De roep van de lama

‘Neem jij mijn lama maar’, zegt oom Anton als we bij het crematorium aankomen. Hij zwiept zijn rechterbeen over de borstelige lama en landt met een stijf hupje in de modder. Het spat met dikke druppels tegen mijn nieuwe regenpak aan. Zwart kennen ze niet op de kinderafdeling en dus draag ik een groene. Op de capuchon staat het domme gezicht van een kikker. Dat was leuk, had mijn vader gezegd. Dat had mamma vast ook gevonden.
‘Ik hoef geen lama’, zeg ik.
‘Iedereen wil een lama.’
‘Ze spugen.’
‘Dat bedoel ik.’
Ik kijk naar oom Anton. Hij is misschien één kop groter dan ik. Zijn gitzwarte snorhaartjes zwieren in de wind. Zijn dikke wenkbrauwen vangen de regen druppel voor druppel op. Ik zie ze boven zijn ogen hangen zoals de dauwdruppels in het bos achter ons huis. In zijn rechterhand heeft hij de lama vast. Hij lijkt een beetje op oom Anton. De lama. Hij is dik, klein en hij kijkt koppig uit zijn ogen. Alleen heeft hij geen vest aan van de alpaca-boerderij.
‘Ik hoef geen lama’, zeg ik nog eens.
‘Hm’, antwoordt oom Anton.
Met mijn schep open ik het gietijzeren hek naar het weidse veld erachter. Het is groter dan ik dacht. Kalmer. In het midden ligt een vijver, groot genoeg om op te schaatsen, met donkere blauwe plekken waar ieder moment een gigantische octopus uit omhoog kan kruipen. Onder de eeltvoeten van de lama kraken de bladeren zonder zich iets aan te trekken van de rust. Dan zie ik ze. In de verte. De grafstenen. Ze schitteren in het weke zonlicht. Daar moet ook het stuk liggen waar wij moeten zijn. Daar, achter het gesteente dat met slecht verborgen enthousiasme de dood toejuicht met vlaggetjes en trompetten. Ik heb hier niet over nagedacht. Zoals ik ook niet had nagedacht toen ik de chocoladepasta vorige week uitsmeerde in de besteklade. Of die keer dat ik spuitverf als wc-reiniger gebruikte om mijn koppige poepstrepen uit de pot te krijgen.
‘Laten we eerst even bij de urnen kijken’, zeg ik.
‘We hebben nog tijd’, antwoordt oom Anton terwijl hij de lama aan zijn hoofdtuig naar de muur vol honingraten leidt. De kiezelsteentjes ervoor ketsen tegen elkaar als ik erover heenloop. Ik voel ze door de dunne zolen van mijn schoenen. De muur zelf is zo lang als het oog reikt en overal waar ik kijk zit een honingrat zo breed als de spanwijdte van een kleine buizerd. Voor een groot deel zijn ze verzegeld met marmeren platen. Platen met een naam, twee data en een zinnetje of wat. Dit is het dus, denk ik nog. Het einde. Een naam, twee data en een zinnetje of wat.
Plotseling hinnikt de lama. Luid en schel. De echo van zijn roep galmt over het veld. Het trilt in de lucht en verspreidt zich over het gras, de steentjes, het marmer. Dan is het stil. De lama houdt zijn poten stijf op het gras voor de kiezelstenen en hij buigt briesend zijn hoofd naar de grond.
‘Stomme lama’, zucht oom Anton. Met een ferme ruk trekt hij aan het touw om de nek van de lama. En nog eens. De lama gilt als een stoppende trein en voor ik het weet sta ik bij hem en ligt mijn schep naast ons op de grond.
‘Hallo lama’, zeg ik tegen hem. Ik leg mijn hand op zijn lange rug. Hij snuift en blaast en even ben ik bang dat hij in mijn gezicht spuugt, maar dat doet hij niet.
‘Hallo lama’, zeg ik nog eens terwijl ik het touw van oom Anton overpak en de lama zachtjes begin te aaien. Ik aai hem over zijn bolle kop en ik aai hem van zijn natte kruin tot aan het puntje van zijn staart. Zijn zachte, natte krulletjes kriebelen tussen mijn vingers. Hij ruikt naar mest en moed en mogelijkheden. Ik buig me voorover en druk mijn gezicht in zijn vette vacht en tegen zijn warme lijf. Ik sluit mijn ogen. Het tikken van zijn hart smelt samen met de mijne. Zijn ademhaling vertraagt. Net als de mijne.
‘Het is niet erg’, fluister ik. ‘Ik ben het ook.’
Ik slik een keer.
‘Maar ik wou dat ik het eerder was.’
Dan haal ik een paar keer diep adem. Als ik mijn ogen open is de lama stil en rustig. Net als ik. Soepel knoop ik het touw rond zijn nek los. Voor een kort moment denk ik dat oom Anton wil protesteren en achteraf betwijfel ik of dat moment er wel was. Ik geef hem het touw, raap mijn schep op en loop weg bij de urnenmuur. Op naar de marmeren grafstenen aan de andere kant van de vijver. Op naar het stuk grond waar ik moet zijn. Er mist nog één schep aarde op het graf van mamma. Ik hoor het getrippel van de voetstappen van de lama achter me aankomen. Gelukkig ben ik er.