Categorieën
Fictie

De put

De put

Ik sluit de kofferbak, stap naar de rechterkant van de jeep en hou het portier voor haar open. Kijk hoe haar witte sportschoen op het deurframe steunt, haar hand de rok onder haar billen strijkt en haar boezem trilt wanneer ze plaatsneemt. Het krulhaar dat over haar voorhoofd is komen te liggen, duwt ze met haar vingers plat opzij. Het bolt onmiddellijk weer op wanneer haar vingers loslaten op weg naar haar tasje, dat ze op haar schoot schuift. Ik duw met mijn hand tegen het portier tot het tegen het frame botst. Het zit niet goed in het zijvlak en ik open het opnieuw, duw er nu met meer kracht tegen. Door het raam zie ik dat ze naar mij lacht. Het is een geforceerde glimlach. Haar ogen draaien zich van mij weg, naar de voorruit. Denkt ze nog aan gisteravond of is ze al terug bij haar kinderen? Ik draai me om en zet enkele stappen naar de achterkant van de jeep, gehuurd voor deze trip. Impulsief raak ik de kofferbak nog eens aan. Die voelt warm, ook al is de zon nog maar enkele uren op. Ik kijk omhoog in de helderblauwe hemel. Geen wolkje te zien. De zoveelste dag in deze hittegolf zonder einde. Met mijn blik neem ik afscheid van het hotel, waar het had moeten gebeuren en waar het niet gebeurd is. Ik stap in en start de motor, hoor het geschuifel van de keien onder de wielen, rij achteruit en dan met een draai de parking van het hotel af. Mijn ogen gericht op de weg voor ons. Daar komt de eerste haarspeldbocht al aan. Zwijgend zitten we naast elkaar. De afgrond gaapt beurtelings naast elk van ons.

De koude lucht van de airco lijkt los door mijn ribben te blazen. We zouden nog even de hoofdstad bezoeken alvorens het vliegtuig te nemen. Zij wil het groot aquarium zien. Ik wou dat ik al thuis was. Hoewel. Nele zal wel heel nieuwsgierig zijn naar deze met één dag verlengde business trip. Steeds meer voel ik me als een tochtig skelet waar iedereen door kan kijken. Ik sla af van de hoofdweg en houd halt op een grindvlakte.
“Ik ben zo terug”, zeg ik tegen haar. Ik laat mijn portier open staan en stap weg van de wagen. Het is alsof ik in een hete oven stap. Mijn voetstappen knerpen op het grind. Wat verderop zie ik een gat in de grond. Ik stap ernaartoe. Een afgebroken lege buis steekt uit aan de binnenwand. Ik kijk eroverheen naar het kale landschap. Er staan twee grote gebouwen met holten in plaats van ramen. Daarachter enkele kranen, maar geen mens te bespeuren. Weer een project waarvan de financiering is opgedroogd. De zon maakt hier alles kapot. Nergens iets van begroeiing en overal rond mij die beige tinten van dat zand. Ik zet mijn handen op mijn blote knieën en zucht. Hoe was het zo kunnen lopen? Alles was geregeld. De anderen waren vertrokken. Natuurlijk had Danny er iets van gezegd, de eikel. Hem gewoon genegeerd. Wat gezwommen in het zwembad, al vroeg geaperitiefd, goed gegeten, gedanst in de kamer, dan samen op bed, haar uitgekleed, overal gekust, en dan: niets.
Je kreeg hem niet recht.
Ik kijk naar de grond en raap een steen op. Als ik weer omhoog kom, zie ik boven één van de omliggende heuvels rook opstijgen. Is dat die bosbrand die we de eerste dag zagen op weg naar het hotel? Ik scan de hemel af maar zie ook nu nergens een spoor van een sproeivliegtuig. Apeland. Zelfs dat krijgen ze niet geregeld. Ja, laat het maar branden! Het is toch naar de klote. Ik mik de steen tot het midden van de put. Ik hoor hem niet landen. Waren het de pillen die ik nog altijd neem? Schuldgevoel? Ik neem mijn zonnehoed af, en wrijf met mijn hand over mijn zwetende hoofd. Het is hier om te stikken. Ik zet enkele passen en luister naar mijn doffe voetstappen. In de verte hoor ik een zwak gezoem van de hoofdweg. Sinds het ontbijt heeft ze misschien tien woorden gezegd. Ik stamp een van de losse stenen de put in. Ook deze hoor ik niet neerkomen. Mijn buik voelt afgescheiden van de rest van mijn lichaam. Ik sta bij de rand, kijk naar beneden, zie de bodem niet.
Het had zo mooi kunnen zijn. Zoals ze daar lag, in dat hoge bed, helemaal opengevouwen tussen de glanzende lakens. En maar kreunen. Om gek van te worden. Hoe ga ik mij ooit nog in dezelfde ruimte kunnen voortbewegen? Op het werk functioneren? Mijn borst nijpt samen. Het voelt alsof ik huil, maar zonder tranen.
In de verte hoor ik een portier dichtklappen. Ik kijk naar de lege buis die in de put uitkomt. Ik snuif. Wanneer zou hier nog water hebben doorgestroomd?
“Eric”, hoor ik achter mij.
Ik draai me om en zie haar stevige benen onder de dansende plooien van haar rok in mijn richting stappen, de borsten onder haar T-shirt verspringen, de krullen zich rond haar gezicht gooien. Ze stopt vlak voor mij en kucht.
“Eric, kom. Het is ok. Het is niet erg. Het ligt niet aan jou”, zegt ze. Ze wil me omarmen. Nee, nee, zo gaat het niet worden. Geen knuffelvrienden. Alles of niets. Ik kijk haar kort in de ogen. Ze heeft mij al vastgepakt. Ik rust mijn voorhoofd kort op haar schouder en voel haar zachte boezem tegen mijn borst. Mijn armen blijven slap langs mijn lichaam hangen. Ik doe een stap opzij en kijk naar de zandige grond tussen ons.
“Kom, we gaan”, zeg ik.
Zwijgend stappen we naar de auto. Ik ga haar voor naar de passagierskant. Ik heb de portierklink in mijn hand en draai me dan om. Grijp haar bij haar bovenarmen beet en duw haar tegen de wagen. Mijn lijf drukt voluit tegen het hare. Ik neem haar hoofd vast en duw mijn mond tegen de hare, glijd met mijn handen over haar borsten naar beneden, zoek tussen haar benen naar haar vorm. Ik voel hoe ze één been opheft en rond mijn been klemt. En daar is hij, mijn paal. Snel grijp ik onder haar rok naar haar slip en trek die naar beneden. Ik bevrijd mij van mijn short en schuif mijzelf bij haar naar binnen. Plots bevind ik mij in het midden van de put. Elke keer ik stoot, glijd ik er dieper in weg. Het wordt steeds donkerder, glibberiger en het gaat steeds sneller. Ik word helemaal meegesleurd. Ik denk dat zij het ook voelt want ze roept, heel luid. En dan lijkt het alsof we samen te pletter storten. Geen houvast meer. Enkel aartsdonkere diepte.

“Ga je het nu zeggen tegen Nele?”, vraagt ze.
Ik blijf voor me uit kijken, mijn ogen gefocust op het landschap dat zich na elke bocht vernieuwt. Nele lijkt verder verwijderd dan ooit. Drie keer hebben we het gedaan. Een keer tegen de wagen, een keer naast elkaar liggend op de achterbank, dan in slaap gedommeld en dan nog eens op z’n hondjes.
Een berggeit loopt over de weg. Met beide handen klem ik het stuur vast en duw met mijn voet op de rem. Onze lichamen worden naar voor gecatapulteerd. Ik voel de veiligheidsgordel striemen. De geit stopt ook, haar blik recht op ons gericht, alsof ze ons ziet, door de voorruit. Dan trippelt ze snel de weg over, onder de reling de helling op. Ik druk mijn voet weer op het gaspedaal.
Na de volgende bocht doemen grote rookwolken op.
“Wow, wat is dit?”, zeg ik terwijl ik vertraag. Snel schakel ik de airco uit.
“Gewoon doorrijden, Eric. Het wordt nipt anders.”, zegt zij.
Alles rond ons is plots donkergrijs. Ik draai mijn hoofd en zie iets hoger op de helling de donkere silhouetten van wat bomen moeten geweest zijn, omgeven door een zee van vlammen. Ik schakel een versnelling hoger, al zie ik haast niets voor mijn ogen.