Categorieën
Fictie

De overlevingsdans

‘Mijn excuses, advocaat meneer van Vleuten. Laat mij het goedmaken.’ In een afgehuurde zaal legt de feeks in een strakke rode jurk haar hand op de hand van paps. Op de hand met de trouwring. De hand die ja had gezegd. Mijn zusje en ik vluchten naar de tuin van het museum en voor een Japanse esdoorn onder een zwarte afdak steekt mijn zusje een sigaret op. Ze vraagt zich af of we niet iets moeten doen. Ik haal mijn schouders op en luister op een leren bankje naar de regen. Mams was een ander mams voor haar dan voor mij. Net als dat paps anders was voor haar dan voor mij. Ik ben misschien wel een dochter, zelf ervaar ik dat niet zo.

Ik denk dat ik in mijn leven één knuffel heb gehad. We stonden op de stoep voor een groot wit huis in een dorp dat ik niet kende. Ik had in mijn ene hand mams. In mijn andere een bungelende zeehond, die na een klap een oog was verloren. Mams streek mijn witte jurkje strak.
‘Je wil voorkomen dat hij straks ons toch niet meer wil.’ Ze opende haar mond en stak haar tong uit. Ik vond het grappig: haar tong was net zo rood als de vlekjes in haar mondhoeken. Met een natte vinger duwde ze verwilderde haarlokjes terug op hun plek en ze trok aan mijn veel te strakke, daardoor pijnlijke diadeem. Haar hoofd hing vlak boven dat van mij. Ze rook vies. Ik wilde bijna zeggen dat zij lekker moest ruiken, omdat hij anders straks ons toch niet meer wil, maar de deur sprong open en een grote man met een vriendelijk gezicht en een reusachtige snor stapte naar buiten. Hij groette mijn mams en tilde mij op. Toen zei hij dat alles goed kwam.

Misschien kwam het doordat ik na jaren nog steeds niet wilde praten. Misschien luisterde hij naar de roddels van het dorp dat zich afvroeg wat paps bezielde om zo’n vrouw uit een blijf-van-mijn-lijf te halen. Misschien had hij het gewoon te druk met zelfstandig ondernemer zijn. Diep in de nacht met dikke tranen schreef ik een keer een vraag op mijn blackboard. In de middag had ik er direct spijt van, na school zou ik het wegvegen en voor hem een appeltaart bakken. Bij thuiskomst herkende ik direct zijn handschrift waardoor ik wist dat het geen luguber grapje van mijn zusje kon zijn. Het antwoord ‘Misschien wel’ pronkte bot en groot op het bord. Het duurde weken om de vraag die ik veel te krachtig had neergekwakt helemaal weg te krijgen. Mijn zusje snapte het niet.
‘Wat bedoelde je met: komt het doordat ik je stiefdochter ben?’
Ik trok mij sindsdien alles aan.

Ik hoor getik en draai mij om naar achteren. De gehele buitenkant van het museum bestaat uit glas waardoor je gemakkelijk vanuit de tuin de zaal in kunt gluren. Aan de andere kant van het glas leunt Marko, de hoofdarts van het lokale ziekenhuis, tegen een tafel en wijst naar een tas die is opengeklapt; de aktetas van paps. Paps laat nooit zomaar zijn spullen slingeren. Vanaf de buitenkant druk ik mijn hoofd tegen het glas en ik ontdek tussen de snelhechters de witte envelop volgeplakt met stickers. Niet te geloven; hij heeft hem gevonden. Hij weet er van. Mijn zusje volgt mijn bewegingen.
‘Jezusmina! Kan ik paps dan nooit alleen laten?’
Ze trapt haar zoveelste sigaret uit en rent naar binnen.

De eerste ontmoeting met de feeks gebeurde voor het eerst in groep zes. Ze droeg haar lange blonde haar in een perfect gevlochten vlecht en had een outfit aan die de ouders aan de verkeerde kant van het dorp niet konden betalen. Ze eiste van de klas mij te negeren en vooral niet aan te raken. Met zo’n moeder moest ik vast luis hebben, vond ze. Dit hield ze jaren vol.
Op een dag overhandigde mijn zusje mij een vertrapt envelop, gericht aan de gehele school. De inhoud bestond uit een lange lijst van opdrachten die bij vervulling ervan resulteerde in bonuspunten. Ik las 10 punten voor het stelen van mijn lunchpakketje, 50 punten voor een modderbad (ik kwam er later achter wat dat inhield: een hand in een modderplas vol in mijn gezicht duwen) en 100 punten voor het vertrappen van de tulpen in de achtertuin. Op de vraag van mijn zusje wat te doen, misschien moeten we dit melden, kunnen we niet naar onze lievelingsjuf Renate, antwoordde ik met een stickervel. Elk behaalde opdracht kreeg er één. Soms was het een prinses, een andere keer een personage van Beverly Hills 90210, of iemand van het Nederlands elftal. Ik plakte het papiertje helemaal vol: elk geslaagde opdracht kreeg er één, tot er uiteindelijk een paar lege regels overbleven. Daar richtte ik mij het komende schooljaar op. Ik las later op de achterkant dat je ook strafpunten kon ontvangen die van je bonuspunten werden afgetrokken. Op vriendschap met mij stond levenslang ellende.

‘MAAR IK HEB NIETS GEDAAN!’ De feeks zwaait hysterisch met haar armen en gooit een cocktail om. Ze vindt dat paps het haar niet kwalijk kan nemen, omdat een kind nou eenmaal gekke dingen uitspookt. Ze gooit de snelhechter van paps op de grond en vraagt om een taxi. Ik raap de overeenkomst op van de vloer. Paps is dol op zulke contracten, die hij vroeg in de ochtend schrijft, uitprint en bindt in een mapje. Met mooie sierlijke letters schrijft hij altijd een passende titel op het strookje papier. Mijn zusje en ik verzamelen die van ons in een doos. In het contract verklaart hij geen rechtszaak aan te spannen inzake zijn vrouw als de feeks per niet gedane opdracht 1000 euro stort op de rekening van zijn dochters. Onder het gevloek en het getier van de feeks door, telt mijn zusje het aantal opdrachten. Ik weet dat het er vijftig zijn.
‘Leg hem uit dat ik niks met de dood van zijn vrouw te maken heb gehad,’ snauwt ze naar Marko. Marko gebaart haar te kalmeren en vraagt naar de bedoeling hiervan. Paps legt het uit.

Voordat ik paps onderbreek denk ik aan mijn nichtje, nadat ze na de meest afschuwelijke bevalling geboren werd. In het ziekenhuis hield ik haar in mijn armen en haar grote blauwe kijkers zeiden: ik zie jou.
‘Ze lijkt op mams vind je niet?’
Mijn zusje heeft gelijk. Ze lijkt inderdaad op mams. Maar hopelijk met een beter leven.
Terug in de lift herkende ik haar stem niet meteen. Ik begreep het pas nadat haar vlecht over de doktersjas heen was gedrapeerd. Een half jaar eerder stonden we ook al in de lift, precies op deze plek, precies op die dag. Ik rilde.
‘Je weet wel waaraan ze is overleden toch?’ zei ze en wees naar de plek van haar eigen lever. ‘Ik snap echt niet waarom mensen meer van alcohol houden dan van hun eigen familie.’
Nu zei ze niets. Haar ogen stonden flets, omdat het dorp roddelde over haar zeer rijke man en een secretaresse. Ze stapte uit en de walm van haar verrotting bleef achter.

Paps heeft een voorzet genomen. Ik herinner mij een gedicht van Roald Dahl. Hij had een alternatief einde voor het sprookje van Sneeuwwitje bedacht: Sneeuwwitje hakte met een bijl het hoofd van de slechte koningin af. Ik weet hoe mijn stem klinkt, want ik voer stiekem diep in de nacht gesprekken met mijzelf, maar de rest hangt aan mijn lippen. Ik had niet gedacht dat woorden zo krachtig zouden klinken en aan de blik van de feeks weet ik dat het is gelukt. Wie gelooft er nou niet een dame die twintig jaar niet heeft gesproken? Mijn zusje wrijft zachtjes over mijn arm. De feeks walgt. Zij weet namelijk wat ik weet. Ik zie voor me hoe door mijn leugens ik het hoofd van de feeks het net inschop.

Ik voel de warmte van de grote armen van paps. Zijn tranen druppelen over mijn zwarte jurk. Paps huilde één keer eerder. Op haar favoriete stoel in de keuken legde hij zijn kalende hoofd in zijn handen. Mijn zusje was eerder nog nooit zo stil geweest. Als ik mijn ogen open glundert mijn zusje en toont ze de app van de ING. De feeks had besloten om het bedrag in één keer te storten. Ik raak haar wang aan, zij pakt mijn vinger. Achter mijn zusje hangt het schilderij van Edvard Munch. Ik ken de titel. Het is de levensdans. Ik ben niet meer het gepeste en getergde meisje uit het dorp, de dochter van een gebroken mams en een paps die geen aandacht geeft of de zus die zich een niemand voelt. Ik ben mijzelf. Ik ben Judith en ik leef.