Categorieën
Fictie

De man zonder hobby

Theo stapt de speciale kamer binnen, met in zijn achterhoofd een plan, en in zijn linkerhand een tas met daarin een overvolle jampot en een katoenen spuitzak van bakkerskwaliteit. Met zijn hele gewicht hangt hij aan de deurklink. Hij trekt uit volle macht aan de deur om hem dicht te trekken. De laatste lichtstralen worden uit de kamer gezogen. Zelfs kaarslicht is uit den boze, zo heeft ze hem op het hart gedrukt, want de walm is schadelijk.
Vragen stelt hij al jaren niet meer. Het is nooit haar schuld geweest.
Gouden metaalfolie aan de buitenkant van de muren van de kamer weerkaatst alle mogelijke straling van buiten.
‘Schiet je op?’ vraagt Marloes, zijn echtgenote.
Met een doffe dreun sluit de deur, hermetisch, als een sluis. Theo steekt zijn rechterhand naar achteren en voelt achter zich, zoekt houvast in een zwart gat. Hij vindt de hand van Marloes. Laat het hem vandaag eindelijk lukken, zodat hij binnenkort tijd en energie heeft voor zichzelf. Niet meer het heilige moeten, niet meer alle vrije tijd eraan besteden, niet meer alles in het teken van. Een keer iets nieuws te vertellen op het werk. Collega’s thuis uitnodigen voor een spelletje.
De speciale kamer is het pronkstuk van hun nieuwe huis, ver weg van de stad. In de stad bedreven ze noodgedwongen vijftien jaar lang dagelijks de liefde onder een klamboe met draden van staaldraad. In de polder is alles zuiverder. Er is schone lucht, minder zendmasten. Maar ook in de polder lukte het niet, ondanks de vruchtbare aarde en stalen klamboe.
Marloes trekt hem naar zich toe en kust hem. Dertig minuten kunnen ze het volhouden in de speciale kamer.
‘Vandaag gaat het je lukken. Oefening baart kunst,’ zegt ze. Tussen haar tanden hoort Theo een verloren broodkruimel knisperen, als een grintkorrel op een jeu de boules baan.

Discussie hebben ze er nooit over gehad, ondanks alle mislukte pogingen. Theo deed stinkend zijn best, maar het mocht op een gegeven moment wel wat minder, wat hem betreft. Graag wat ruimte om te ademen. Zelfontplooiing. Frisse lucht. Een eigen jeu de boules baan.
Op het werk maakten zijn collega’s er grapjes over. Dat hadden zij ook gehoopt; elke dag, meerdere keren. Hij was een echte geluksvogel, zeiden ze. Hij had een droomvrouw, vonden ze, en nog aantrekkelijk ook. Maar Theo was het snel spuugzat, want aan hobby’s kwam hij niet toe.
De eerste jaren bedreven ze de liefde nog op elke locatie, maar na verloop van tijd werd dat onmogelijk gemaakt, door Big Tech en grootindustriëlen, zei Marloes tegen hem. Ze moest de omstandigheden steeds meer verfijnen, vond ze. Alles naar haar hand zetten, nauwgezet controleren, ook door de signalen die ze ontving van lotgenoten, die haar wezen op invloeden, redenen, impact en causaliteit.
Geen steek tussen te krijgen, volgens Theo. Hij is dus wel de oorzaak, maar hij heeft er geen schuld aan. Factoren uitsluiten en blijven proberen, in beider belang.

‘Wat doe je geheimzinnig,’ zegt Marloes, ‘kom toch op me liggen.’
Lucht raast door haar neus. In, uit, in, uit. Een luchtbel plopt uit haar keel, klinkt als popcorn. Pezen maken geluid, alsof ze op knappen staan.
‘Ik doe mijn best,’ snift hij. ‘De omstandigheden kunnen niet beter.’
De vloer van de kamer zweeft op een veersysteem dat rust op een zware funderingsplaat en trillingen filtert. Schuim in de vier muren absorbeert geluid tot de laatste decibel. Elke echo wordt bij de keel gegrepen en weerkaatst tegen de binnenkant van de schedelpan. Door het wegfilteren van al het geluid klinkt het eigen lichaam steeds meer als een stoomtrein, eerst ver weg, maar dan schrikbarend dichtbij; brullend, loeiend, krakend, fluitend.
Ze moedigt hem aan.
Bloed pulseert door zijn hersenen, als een ringtoon. Zijn hart slaat met mokerslagen. Vochtverplaatsingen leiden tot gasbellen, gewrichten verschuiven een beetje.
‘Het komt, ik voel het,’ zegt ze, ‘het lijkt meer dan normaal. Er komt geen eind aan.’
‘Nog even volhouden. Ik geef alles wat ik heb,’ zegt Theo, ‘en zelfs nog wat extra.’

Achter het huis hebben ze een moestuin, met tarwe voor tarwekiemolie en bladgroenten voor foliumzuur, voor de vruchtbaarheid. Hij had er liever een jeu de boules baan aangelegd.
Facebook en Google openden een paar jaar geleden haar ogen nog verder. Als je alles verbindt, dan is er geen steek tussen te krijgen: 5G, zendmasten, windturbines. De geur van rubber. Slaapkamergordijnen die een neon kleur krijgen. Aura’s boven zijn hoofd, aurora’s boven de horizon.
In hun nieuwe huis ging de televisie de deur uit, tablet, laptop, alles weg. Het abonnement van zijn GSM had ze opgezegd en de batterij leeg laten lopen. Overal de stekker uit, zelfs uit de broodrooster. Naar de kerk gingen ze niet meer, want ook daar is wifi. Bidden doen ze thuis. Naar buiten alleen nog met een hoed op, met daaroverheen gaas van roestvrijstaal.
In de lente heeft Theo, op haar verzoek, het hele huis geschilderd met carbonverf en bewerkt met een aluminium weefsel. Maar helaas, geen succes.
Daarna heeft hij de speciale kamer gebouwd, op basis van tekeningen op Internet, opgezocht op zijn werk.

Zijn collega’s van de acceptatieafdeling leefden erg mee met hem. Over de speciale kamer vertelde hij niet, maar wel over de frequentie van hun liefdesleven. In het begin was het stoere praat wat de klok sloeg, tijdens een lunchpauze of koffiebreak. Terwijl het bij Theo meer en meer werd, sloegen zijn collega’s juist steeds vaker een maandje over, en dat was niet hun eigen idee, zeiden ze, met een knipoog. Konden ze maar een dagje met hem ruilen. Of een hele week.
Na verloop van tijd, met het verstrijken der jaren, voelden zij echter ook zijn wanhoop, want zij hadden zeeën van tijd om te vissen, te voetballen, of jeu de boules, maar Theo kon met goed fatsoen geen tijd inplannen voor een hobby, omdat Marloes op de gekste tijden, vaak ongepland, een nieuwe poging wilde wagen.

Op een vrijdagmiddag, het moet eind november zijn geweest, tijdens de lunch, openbaarde hij aan zijn mannelijke collega’s de spagaat waar hij in zat. Hij deed alles uit de doeken, werd soms zelfs emotioneel.
Een collega vertelde dat ze hem al langer wilden helpen. Ze hadden het er over gehad en hadden een voorstel uitgewerkt. Daar ben je immers goede collega’s voor, zei hij.
Theo vond het eerst een raar idee en moest er even aan wennen, maar vrij snel zag hij toch mogelijkheden. Binnenkort tijd voor zijn lang gekoesterde droom?
Na de lunch stemde hij in.
Op de volgende maandagochtend had Theo een vergaderruimte zonder ramen gereserveerd. Via de beamer projecteerde hij een foto van Marloes op het scherm, van toen ze nog op het strand durfde te komen. In het midden van de ruimte plaatste hij een grote lege jampot, een doos tissues en een doos gebak. Alle collega’s hadden er het weekend rekening mee gehouden.

Twee weken na de pogingen in de speciale kamer loopt Theo naar de ontbijttafel. Het licht brandt. Iemand is hem voor geweest. De lange houten tafel is gedekt, met een schoon kleed, twee gevulde eierdopjes, een mand met ovenwarme croissants, jam op een schoteltje. In het midden staat een volle schenkkan met urine. Theo weet wat er vandaag komt, het is meetdag.
De keukendeur zwaait open. Marloes stapt uit de keuken, met een glimlach van oor tot oor. Ze heeft haar mooiste rok aangetrokken, met paarse bloemen, met daarboven een witte blouse met plaatjes erop van de Eiffeltoren, schelpen en een zandstrand. De benen geschoren, neus gepoederd, parels in haar oren. Ze ruikt naar lavendel. In haar linkerhand heeft ze een petrischaaltje en in haar rechter een pipet.
‘Wat zie je er mooi uit,’ zegt Theo, ‘en wat ruikt het hier lekker. Een beetje buitenlands.’
‘Ik moet je wat vertellen. Ik ben overtijd, al anderhalf uur.’
‘Wat geweldig.’ Hij schuift de schenkkan in haar richting.
Ze pakt de pipet, knijpt erin, blaast de lucht eruit, steekt hem in de kan. De pipet zuigt zich vol met de gele vloeistof. Ze spuit het leeg op het petrischaaltje. De absorberende tip van de zwangerschapstest stopt ze in de urine. Ze plaatst de natte gele tip in een hulsje en legt de gehele opstelling, waterpas, met het afleesvenster naar boven.
Na 180 lange seconden verschijnt het verlossende antwoord in het afleesvenster.
Marloes trekt wit weg.
Theo vangt haar op en fluistert in haar oor: ‘Gefeliciteerd schatje. Het is ons eindelijk gelukt. Ga maar liggen en doe je ogen even dicht. Ik ben zo terug.’
Hij huppelt naar de buitendeur, dartel. Stapt de frisse buitenlucht in, zuurstofrijk. Gekiemde tarwe trekt hij uit de grond, bladgroenten ploegt hij om. Vogels zingen. Theo neuriet een chanson.
In de garage loopt hij naar een hoge stapel die bedekt is. Hij trekt het zeil weg en raakt opgewonden, ademloos. Minutenlang kijkt hij naar de twintig zakken grof zand, tien zakken graniet en vier betonnen trottoirbanden, voor afbakening van de jeu de boules baan. Daarna slaat Theo de garagedeuren open en rijdt hij naar buiten met een grote graafmachine.