Categorieën
Fictie

De man, die altijd jarig was

Zo zijn er mensen, die als een blok vallen en loodzwaar worden tegen de tijd dat ze bijna jarig zijn. Ze vinden het vreselijk om straks in het middelpunt van de belangstelling te staan. Ze glippen liever luchtig door een openstaand raam stilletjes naar buiten of openen onhoorbaar een deur en laten zich een paar weken niet zien, totdat iedereen het vergeten is.
Wat?
Hun verjaardag.



Hoe anders was het met de man uit het land van de vier windstreken, die ergens in het noorden van het oude Frankrijk woonde en elke dag jarig was, gewoon omdat hij dat wilde en omdat hij vond dat hij daar recht op had. Voor hem was het vanzelfsprekend: je hebt dienaren en een koning, ploeteraars en een koningin. Hij had eigenlijk nooit genoeg en alle aandacht, die op de hele wereld door mens en dier gedeeld wordt moest zo veel mogelijk naar hem. Zo was het al toen hij nog een hele kleine jongen was en stiekem onder de rokken van zijn tantes gluurde en zo was het toen hij net getrouwd was en met tegenzin een verjaardag van zijn zoon of dochter moest vieren en kinderen van school door het huis renden.
Hij woonde al geruime tijd in een groot landhuis als een rijke aristocraat.

Hij deelde zijn woning met zijn vrolijke tweede vrouw en drie vermoeide reizigers, die een tijdje bleven logeren om op krachten te komen. In het begin gratis en na een tijdje voor wederdiensten, maar in de loop van de jaren liet hij huizen bouwen op zijn landgoed en begonnen nieuwe gasten voor hun verblijf te betalen. Zijn kinderdroom was op natuurlijke wijze werkelijkheid geworden: altijd vakantie en altijd jarig!
Hiep,hiep, hoera!



‘Kunnen jullie voor mij de volgende keer 6 flessen limonade meenemen, uh nee, doe maar 10. Mag ik jouw boek hebben? Ik wil nieuwe schoenen. Geef mij een nieuw horloge. Ik wil ook een keyboard. Ik wil, geef mij, heb jij?
Van versgebakken oliebollen tot een bestelbus of nieuwe gifspuit tegen ongedierte.


Zijn echtgenoot bakte en kookte en liet dagelijks heel wat heerlijkheden de keuken uitdragen. Gasten bleven soms maanden logeren in ruil voor diensten zoals bediening en schoonmaakwerkzaamheden in verband met weer nieuwe logee’s of nee, ik noem ze prooien.
Nieuwe mensen kwamen en gingen, reizigers rustten uit. Het was er fantastisch: in de bloementuin met de vijver zaten kikkers en Alice uit Wonderland liep daar achter de konijnen aan. Van verre kon je feestmuziek horen. Ook op zondag en tijdens Kerst of Sinterklaas. De heer des huizes genoot met volle teugen van de taartjes, gebak, koek en chocola en alle soorten drank. Hij maakte wel honderden foto’s per week van al het moois op aarde.


Het ging als een lopend vuurtje:

Komt dat horen, ga dat zien: 

de jarige steeds weer geboren, 

het is gezellig bovendien.



Soms, als een gast of buur te veel gegeven had ontstond ruzie. Het valt ook niet mee om nee te zeggen tegen aardige mensen die lijken op papa of mama of een lieve neef en nicht, kinderen van je zus. Grenzen aangeven is toch een vak waar op de middelbare school weinig aandacht voor is, terwijl je daar de rest van je leven echt veel aan zou hebben. Al was het maar om de wereld iets beter te maken en minder ongelijkwaardig ten opzichte van elkaar te zijn.
Die ruzies konden geweldig uit de hand lopen. Er werden nog net geen huizen met bouwmachines vernield, al scheelde het niet veel.
Meestal eindigde het gevecht met een vertrek. De gedupeerde was natuurlijk niet de jarige. De gedupeerde verhuisde hals over kop en had minstens drie jaar de tijd nodig om zichzelf weer enigszins recht in de spiegel te durven aankijken. Had geen cent meer over om er het gemak van te nemen en zat in echtscheiding.



Voor de jarige bleef het leven één groot feest. 
‘ Entrez, entrez, leuk dat jullie er zijn.’