Categorieën
Fictie

De jongen op de fiets

Maandenlang had er douw op het gras gelegen wanneer de jongen, onverstoorbaar trappend, met gebogen rug en ogen gericht op het asfalt onder hem, in het ochtendgloren naar het dorp fietste. De weg schoot voorbij, zoals de vangrails voorbijschoot als de jongen zittend achter zijn vader urenlang uit het raampje van de Volvo tuurde, onderweg naar de camping in Frankrijk, of naar oma in Turnhout. Maar als hij vooruitkeek, hier in dit open land, dan kon hij zóver kijken dat het leek alsof hij niet vooruitkwam. Stilstaand in de beweging. Soms wierp de jongen een blik naar voren om te zien of er iets was waarvoor hij moest wijken, een auto, of een trekker. Maar het grootste deel van de tijd reed hij, met zijn ogen gericht op de voorbijschietende weg onder hem, op goed geluk over het asfalt.
Het asfalt.
Het asfalt was heet vandaag en de douw zat niet meer op de sprieten van het gras maar als onzichtbare damp in de lucht. En dat was alleraardigst want de jongen had hierdoor voor het eerst in lange tijd niet te maken met slecht weer. Geen striemende wind waartegen hij zich diende te beschermen, maar een warme bries die hem omhulde en zowaar liet opstijgen als hij zijn gedachten diep genoeg liet afdalen langs de valleien van zijn verbeelding. Als een pasgeboren baby die de warme lucht van de föhn na zijn eerste bad over zijn lijfje voelt blazen, zo voelde hij zich vandaag in de bries. Een tevreden glimlach als gevolg van deze gedachte sierde de jongen zijn gelaat.
Hij slingerde over de weg als ware een astroïde razend door de ruimte, de middelpuntzoekende krachten werkend op zijn lichaam, van wéér een planeet, en wéér een planeet, en wéér een ster… Als een boemerang van het begin naar het einde, heen en elke dag weder, een sinus vormend binnen het kader van de plak donkere straat. Zo ging hij voort, de jongen. Wanneer hij aankwam wetend dat het later was dan op het moment dat hij vertrok, maar gedurende het trappen langs de akkers en boerderijen stond de tijd stil. Niet altijd bracht de tocht hem rust als vandaag. Tien dagen geleden nog, op de weg terug. De lucht was donker als de weerspiegeling van water in een diepe put. Maar het was middag, de zon was nog op. Verborgen achter op onverstoorbaar tempo overtrekkende wolken. Woeste wolken, volumineus en verzadigd met vocht, liters loslatend over het bij gratie van haar sproeilust als vruchtbaar bekendstaande land.
De jongen voelde zich nietig, daar in die grote akkerzee met slechts hier en daar een enkel boerderijtje, een oase afstekend bij de woestijnvlakte. Hij ploegde zich een weg door de muur van neerdalend water. Op zijn hoede voor elektrische ladingen die zich als scherpe messen op willekeurige plekken de grond in sneden. Vergrijpt u niet aan mij, het nederige poppetje te midden van het veld. Kies een boom, of een schuur. Uitsloverij van de weergoden gevolgd door een zelf geproduceerd applaus, hoor je? Roffelende trommels, gegrom uit de wolken. Een trilling van de materie waar de knallen uit volgen na een eeuwigdurend moment van onheilspellende stilte. De jongen wist wel dat hij beter kon gaan schuilen maar na een lange dag op school wilde hij niets liever dan thuis zijn. Dus daar reed hij, op zijn fiets. De zeeën bedwingend terwijl harde klappen opgevolgd werden door hardere klappen en elektrische ladingen als dat van de flitsen in hoog tempo door zijn zenuwbanen toerden. Elke boerderij die hij bereikte als het halen van een volgend loopgraaf in een donderende oorlog.
Toen sloeg het in. De mortier. Juist op het moment dat de jongen zich klaar maakte voor wéér een sprint van boerderij tot boerderij. De laatste bomen liet hij achter zich toen een gigantische klap de grond deed trillen. Haren recht overeind, hartslag als een mitrailleur. Bloed suizend door zijn oren terwijl de donder nadreunde in symfonie met het gekraak van een splijtende stronk hout. Met een ruk draaide de jongen zich om. Een beuk torende hoog boven hem uit. Na een enkel moment zwierend als een dronken tsaar op zijn plaats gedanst te hebben, zoefde het gevaarte met knappende takken naar beneden. Verstijfd zag de jongen toe hoe de stam zich met geweld naast hem op het asfalt kapotsloeg. Een paar meter terug en hij zou erdoor tot moes zijn geslagen. Met bonkend hart aanschouwde hij het tafereel, een kort moment, waarna hij maakte dat hij een schuur in kwam om te schuilen.
Enfin, dit was in tijden van weleer, toen de zomer zich nog verzette tegen haar agenda en woestenij over het land deed razen. Vandaag viel alles op zijn plek. De zon kwam eindelijk tevoorschijn en de mensen wenden als kinderen aan de warmte van hun moeder. En in ondankbaarheid keek de jongen naar het asfalt, waar de hittegolven van opstegen bij het vallen van moeders tranen. Hij trapte: Links… Rechts… Links… Rechts… Links… Een metronoom tikkend op het ritme van de muziek die klonk van verre. Het was niet de wind wat de jongen aanvankelijk gehoord moet hebben, maar een lichte melodie als van de vogeltjes in de borders van de boerderijen. Toch, iets, een geluid dat net uit de toon moet zijn gevallen deed de jongen opkijken vanuit zijn op de weg gerichte overpeinzingen.
En toen was wat hij zag de zomer. In haar eerlijke vorm, zich kenbaar makend via de contouren van haar lichaam tegen de helderblauwe hemel. Fladderend over de straat aan het einde van het heelal. Ze scheen als de zon en haar haren waren rood als vuur. Haar fiets piepte bij elke trap en vanuit de verte vroeg de jongen zich af waarom, want zij was toch het licht? En het licht piept niet, het licht is stil en schijnt en verwarmt en vliegt door de lucht in plaats van dat het zich voortbeweegt op een roestig stuk staal met rubberen banden om ovaal gekromde wielen.
Gegrepen door de plotselinge verstoring van de onvoorwaardelijk geachte leegte van het landschap, was de jongen harder gaan trappen. De metronoom tikte het ritme van een krachtig mantra en met elke meter die hij naderde, hoorde hij luider de lichte melodie die als een zoete geur zijn brein bedwelmde.
‘Hé!’
Maar het meisje fietste door. Haar rode haren dansend langs de gele jurk bezaaid met kleine madeliefjes, die met dunne bandjes om haar schouders hing.
De jongen fietste nu vlak achter haar en de zwierige lijn die het meisje trok over het asfalt deed hem denken aan al die keren dat hij óók zo over de weg was getrokken, maar dan met zijn ogen omlaag gericht. Nu geen sinus maar een streep. Hier. Bijna. Wiel in wiel, een demarrage van de bezieling.
Maar iedere keer wanneer de jongen dacht met zijn ogen langs de krullende lok over haar linkerwang te kijken, wendde ze haar gezicht van hem af. In ontkenning van haar eigen bestaan. Dat was toen ze vervaagde. Met elke trap nam de zomerbries een stukje ruimte terug. En met haar vervaagden de warme stralen die de jongen hadden doen voelen als een kind van de seizoenen. Vager en vager, tot de ruimte die zij innam volledig was gevuld met lucht en de kilte zich meester had gemaakt van de elementen.
Zomers werden winters en winters werden zomers en de jongen bleef fietsen. Dag in dag uit. Dezelfde jongen, maar nu ouder. Met grijze haren en versleten knieën. Krakend en piepend als de fiets van het meisje van toen. Een silhouet in de verte of het getjirp van een vogel doet hem nog weleens denken aan haar. Aan hoe ze langzaam verdween en opging in de wind. Maar het is altijd een ander, of een ander geluid. Soms stormt het als op de dag dat de boom knapte. Andere dagen laat verzengende hitte zweet langs zijn slapen druppelen. Of doet ijzel zijn banden glibberen. Stug trapt hij dan door. Links, rechts, links… Asfalt glijdt voorbij. In de verte klinkt een lichte melodie. Vooruit kijkt hij dan. Vooruit.