Categorieën
Fictie

De herder

De herder

Ergens tussen twee gehuchten is ze van de weg gegleden. Op de kaart is de weg wit. De wereld maak een bocht, is kaal en wordt omzoomd door zacht glooiende heuvels. Ze heeft de auto in de berm geparkeerd en is vervolgens het landschap in gelopen. Voor een van de eiken die langs de weg staan, liggen verdroogde bloemen en een aantal rode kaarsenhouders. Blood on the leaves and blood at the root, zingt de stem in haar hoofd.
Wolkenpartijen in vele tinten grijs glijden over de vlakte, steken hun borst vooruit, duwen elkaar naar de horizon. De wind buldert. Het ruikt naar grassen die druipen van nevel. Het licht is grijs.
Cordelia ritst haar overjas tot haar kin dicht en steekt haar handen in de jaszakken. Het landschap oogt oneindig. De enige werkelijke grens hier lijkt het wolkendek boven haar hoofd te zijn.
Er klinkt een ringtone. Ze voelt hoe alle spieren in haar lijf zich spannen, maar ze negeert de telefoon in haar binnenzak. Ze loopt een rondje over het zompige mos om de onrust kwijt te raken, terwijl haar telefoon bromt en jengelt.

In haar lunchpauze is ze op de vlucht geslagen voor de herinneringen aan het autoongeluk, nu een jaar geleden. Het was Allerzielen, ook dat nog. Zowel haar man als haar vader te pletter tegen de eik achter haar. In nomine domini. Ze durft niet om te kijken naar de plek des onheils. Het maakt haar raar.
‘Ik maak me zorgen, Cordelia. Je zult gas terug moeten nemen. Ik wil voorkomen dat ik je op moet nemen.’
‘Ja dokter.’
Ze is hier voor het eerst, sinds het ongeluk. Haar hoofd moet leeg, moet doorgewaaid, de orde moet hersteld worden. Strange fruit hanging from the poplar trees. Ze waren dwars door de voorruit van de oude Porsche gevlogen. Stoelriemen deden de heren niet aan, die vloekten met hun bretels en hun grenzeloze bravoure.

Ze fantaseert dat ze haar overjas weer uitgooit en in een rechte lijn de heuvels inloopt, dwars door beekjes en over heggen, totdat ze verkleumd in een verlaten dorp belandt. De enkeling die op straat loopt zou verbaasd opkijken van de vrouw in de donkerblauwe robe manteau uit de rue Cambon. Een belachelijk duur cadeau van hem, dat haar prachtig stond. Ze zou zonder enige aarzeling het dorp weer uitlopen, terug het landschap in.
Ze zou doorlopen omdat geen enkele macht in het universum haar tegen kon houden. Geen enkele vorm van angst zou haar omlaag trekken, neerdrukken als een zwarte hand. Geen depressie die een stroom van paniek door haar lijf zou jagen, niets dat haar een champagneglas vol kalmeringsmiddelen zou doen inslikken. Geen tijdsbesef dat haar zou dwingen haar pas te vertragen en dat zoveelste belangrijke telefoontje te plegen. Geen knisperende witte lakens zwevend boven het ziekenhuisbed van een PAAZ.

De top van een heuvel kleurt plotseling wit. Vanaf de heuveltop nadert traag een kudde schapen. Er loopt een gekromde gestalte achter met een lange stok. Hij heeft een deken om zijn schouders geslagen waardoor hij in het grijze licht lijkt op een natte aalscholver. Twee border collies draaien elipsvormige rondjes om de kudde, ze blaffen hun commando’s. Voor ze het weet staat de man voor haar. Zijn huid heeft een ongezond gelige kleur, hij heeft een platte pet op zijn kale hoofd en een bril met hoornen montuur. Kleine, donkere ogen hebben zich teruggetrokken in een ongeschoren gezicht.
Of hij het koud heeft? Hij mompelt binnensmonds een antwoord dat ze half verstaat en samen grijnzen zij in de wind die om hen heen loeit. De schapen beginnen te grazen. De honden gaan liggen op enkele meters van de kudde, hun tong hangt als een natte sok uit hun bek. Ze ademen snel.
‘Vandaar die deken, je weet maar nooit in deze tijd van het jaar.’ De man legt uit dat hij soms niet voor het donker terug is en moet overnachten in een vogelkijkhut. Hij toont zijn blanke polsen. Geen horloge, geen tijd, geen lila littekens. Hij vertelt dat hij sinds een jaar de tijd heeft afgeschaft.
‘Ik leef sinds een jaar met de elementen, het dictaat van de klok heb ik afgeworpen’, legt hij plechtig uit. Hij steekt een sigaret op en biedt haar er een aan. Ze schudt haar hoofd. Cordelia voelt haar telefoon trillen. Er klinkt een hoge tweetoon. Dan nogmaals. Ze verstart, voelt hoe zich een golf van misselijkheid omhoog stuwt vanuit haar middenrif. De schapen kijken kauwend dezelfde kant op.
‘Even uitwaaien?’, wil de man weten, hij bestudeert de neuzen van zijn bergschoenen.
‘Yep’, ze knikt en staart voor zich uit. De stad met het glimmende kantoor lijkt hier ver weg. Haar lederen knielaarzen zakken weg in het tapijt van mos om haar heen.
‘Ik was vroeger ook een stadsmens, weet je. Architect. Cras & Van Gisteren, misschien ken je ze wel van die drie kantoortorens langs de randweg. Maar een jaar geleden knapte er iets in mijn hoofd. Letterlijk.’
Ze kijkt de man in het verweerde gezicht dat gemaakt lijkt te zijn voor deze omgeving. In elke groef fluit de wind, de ogen achter de bril knijpen voortdurend samen alsof hij in een zandstorm staat. Zijn mond hangt scheef, in de laagste mondhoek steekt een houten tandenstoker naar buiten. Ze zoekt naar de architect die ooit in hem huisde, maar de gelooide huid heeft hem voorgoed verstopt.

Allerzielen, ja. Uitgerekend op die dag. Ze had samen met haar moeder kokotxas in groene saus gemaakt, naar een oud Baskisch recept. Na het vespergebed zouden ze samen dineren, het was een traditie die al eeuwen in de familie werd doorgegeven. Ze voelt plotseling de aanwezigheid van de boom. Tussen haar en het hout hangt alle verstreken tijd in de vorm van een dunne mist. Billy Holiday kreunt in haar hoofd: blood on the leaves.
‘Ik ben ziek’, zegt de man. Ik ook, denkt zij. Hij zwijgt en lurkt aan zijn sigaret.
‘Er zit een tumor in mijn hoofd die de zaak beknelt. Ik heb chemo gehad, maar dat heeft nauwelijks gewerkt.’ Er wervelt rook rond zijn woorden. Ze bestudeert het zichtbare deel van zijn schedel.
‘Opereren gaat niet’, vertelt hij alsof hij haar blik heeft gevolgd.
‘Wat erg’, zegt ze zacht. In haar binnenzak tingelt opnieuw haar telefoon. De man haalt zijn schouders op en schopt een onzichtbaar object weg.
‘Sindsdien loop ik hier rond zonder klok of tijd. Elke minuut is waardevol en ik lijk er een oneindige voorraad van te hebben. Ik had al een jaar dood moeten zijn, mevrouw.’
Hij knipoogt naar haar en duwt twee vingers in zijn mond waarmee hij een hoge fluittoon voortbrengt. De honden staan traag op en rekken zich uit, de schapen komen weifelend in beweging. Een richtingloos schuifelen.
Hij kijkt in de richting van de eik en dan naar haar. En dan nogmaals.
‘Waarom loopt u niet een stukje met me mee?’
Ze kijkt hem kort aan en schudt dan haar hoofd.
‘Nee, ik moet zo weer terug naar kantoor.’
De man blaast een pluim rook uit en wijst naar haar jaszak.
‘Neem dan maar snel op.’
Ze voelt hoe haar maag zich samentrekt. Hij mompelt een afscheid en steekt de arm met de stok erin omhoog. Dan sjokt hij achter de schapen aan.

Moest uitgerekend deze verlaten steppe, deze woeste heide het decor van hun dood zijn? Hier, waar het licht de bomen zwart kleurt en het struweel grijzig. Waar de klap slechts een seconde moet hebben geklonken, alvorens de stilte en de schemering het wrak teruggebracht hadden tot een levenloos attribuut. Er had misschien een haas gealarmeerd opgekeken, een vlucht ganzen was klapwiekend overgevlogen. De wind had fluitend het verwrongen staal betast als een mismaakt ledemaat, als een stomp. Een nauwelijks hoorbare bagatelle van avondlucht en schroot. En misschien was er sigarenrook opgestegen uit de versplinterde voorruit waar hun lichamen doorheen waren gevlogen.
Ze wil niet weten of er bloed aan de bast zit.
Ze ziet hoe het grijs verbrokkelt en een gordijn van wit zonlicht de heuvel verlicht. Ze knijpt haar ogen samen. De kudde ooien rondt de heuveltop als een gespreide hand in een witfluwelen handschoen en verdwijnt dan. De herder staat stil, kijkt om, een zwarte zuil met gestreken vlag. Haar verlosser. De telefoon zwijgt.
Een plotselinge vlaag van euforie zet haar in beweging, doet haar de heuvel op rennen. Halverwege aarzelt ze even. Maar dan roept ze de man en steekt haar hand op. Hijgend bereikt ze de herder die haar vragend aankijkt. Ze kijkt om. Een zwerm kraaien zwenkt krassend voor haar langs en landt in de eik. De wind blaast de haren die uit haar paardenstaart zijn ontsnapt, in haar gezicht.