Categorieën
Fictie

De Handwoorden

‘Is er iets?’ ik zat in de auto samen met mijn moeder.
‘Nee, hoezo?’ zei ik.
‘Je bent steeds zo stil’, zei ze.
‘Ja en?’ Ze zuchtte. Het was een gesprek die een déjà-vu in zichzelf was, een vraag die zo bekend was, maar die je nog nooit beantwoord had en elke keer dacht je: dit had ik eerder meegemaakt. Het was een cliché geworden deze vraag, een onzichtbaar cliché omdat er nooit iets is en daarom was het zijn kracht verloren. Ze wist zelf ook dat het een onzinvraag was, dus begon ze zelf maar te praten. Ik was weggezakt in gedachten die opkwamen van onder naar boven en zich aan de binnenkant van mijn schedel plantten. Het was op die fysieke plek waar het denken zich bevond. Ondertussen ontstond er een gesprek waarvan ik het meest van hield, ik produceerde alleen het woord ja en instemmende geluiden. De veelheid aan woorden die binnenkwamen vormden een lange lijn, die uitgerekt verdween in een duister niets. Het was de veelheid die een onbelangrijke eenheid werd. Ik probeerde soms te achterhalen waar de gedachten ontstaan. Waar ontstaat de gedachte, op dat moment ontstaat het dus. Ik was getuige van de geboorte van een nieuw soort metagedachte die over het denken nadacht. Mijn moeder bracht me naar het station, ze deed het graag. Het weer straalde november uit: het regende licht, koud, bewolkt, kaal. Het was begin maart. Druppels water volgden een kronkelig pad op de zijruit.
Dit weer, het deed me denken aan de plaatsen: Valthermond, Tweede Valthermond, Nieuw-Buinen, Stadskanaal, Musselkanaal, Eerste Exloërmond en Tweede Exloërmond. Het waren dorpen in de Veenkoloniën, Neil had het me verteld. Hij kwam daar vandaan. Hij had eens gezegd dat in de negentiende eeuw het gespuis uit de grotere steden daar werd heen gestuurd. In ruil daarvoor werden woeste hoogten afgegraven en stapels gedroogd half verrot sphagnum teruggezonden. Alleen het schrale zand was overgebleven. Hij had het gezegd tijdens het verjaardagsfeest van Helena. Voor mij was dat het enige feest dat ik onthouden had, het was een feest waar ieder de schil van angst en schaamte verloor. Een nacht die voelde als een dwaallicht die ongebonden over moerassen zweefde. Alleen bij Neil niet. Hij had het alleen over zijn wortels, het spinthout van zijn binnenste bleef in geheimen gehuld. Het was ook absurd dacht ik: een kolonie in eigen land. Een kolonie die de mensen kon vormen tot gewillige lichamen voor de arbeid. Misschien was het juist nodig dat hij eerst zijn wortels, zijn achtergrond kwijt moest. Hij vertelde met spot over de mensen daar, de mensen waren er afgestompt en opgegaan in de eentonigheid van het landschap. Simpele en kortzichtige gekkies waren het. Het zure veen was nog steeds boven op de mensen aan het drukken. Ik zette de radio wat harder: ‘Music makes the people come together, yeah. Music makes the bourgeoisie and the rebel.’ Een knal in mijn hoofd volgde. Godverdomme, en deze mensen waren nooit geketend geweest. Neil had gesproken over de lokale gebruiken, het dialect en de kanalen. Zijn stem had iets monotoons alsof hij het veenkoloniale landschap sprak.
‘Magnus en nu moet jij iets zeggen,’ zei mijn moeder. Haar stem had de intonatie van een basisschooljuf gekregen. Ziet ze niet dat ik aan het denken ben. ‘Ik haat je,’ zei ik met een grijns. Ze ademde hevig in. ‘Zeg het gewoon als je ergens mee zit, ik weet het ook niet meer.’ Mijn moeder staarde naar het stoplicht. Ik miste Neil had ik willen zeggen, maar mijn borst en keel waren dichtgedrukt. Het waren woorden die niet uitgesproken konden worden, en zeker niet tegen je moeder. ‘Groen!’ zei ik. Mijn moeder knipperde met haar ogen, haar kraaienpootjes sneden iets dieper in haar vel.
Zachtjes werd ik in de stoel gedrukt door de acceleratie. Ik lachte zachtjes in mezelf, ik zag weer hoe Helena wankelend op de tafel ging staan en schreeuwde: ‘ik ben jarig, bitches!’ ‘We waren het al bijna vergeten!’ had iemand terug gegild. Ik kon niet zien wie want ik zat naast Neil, weggedoken in de bank omringt door flessen, bakjes en muziek. We hadden weinig tegen elkaar gezegd, de menigte voor ons gaf genoeg afleiding. Ik voelde zijn duim tegen mijn pink aanliggen. Het deed een elektrische spanning stromen, er leken fysieke elektronen pulserend over te springen van zijn duim naar mijn pink. Ik deed alsof ik niks merkte. Toch keek ik rond om te zien of niemand ons zag. De aanraking voelde als een esoterische handeling die geheim moest blijven. Die stroom, die spanning. Het leek op een golvende substantie. Het was mesmerisme. Alleen bestond dit echt. Ik moet reageren dacht ik. Rustig bracht ik schoksgewijs spanning aan op zijn duim, het waren kleine woorden die zijn vraag beantwoorden. Helena danste ondertussen op de tafel, geheel vrij zonder een gevoel van remming of schaamte. Ze was alleen op de tafel. Het feest zou eigenlijk buiten in de tuin zijn geweest maar storm en regen hadden Helena’s plan in huis geduwd. Schuivend en wrijvend begonnen onze vingers verlegen met elkaar te praten. Een langzaam knijpend woord. Een rust en adempauze. Drukkend en bevend antwoorde hij of ik. Een lange zin komend uit zijn stevige vingers geschreven op mijn handpalm. Korte krachtige woorden in zijn duim. We spraken tegen elkaar alleen niet met woorden. Een paar andere meiden waren ook op de tafel gesprongen. Ondanks de toegenomen drukte op de tafel bleef Helena het middelpunt. Ze was die vrouw die wist dat ze mooi was en ze straalde dat uit. Wolken haar zweefden golvend boven de tafel op en neer. Neils handen en mijn handen waren verder verstrengeld geraakt. Ik weet nog dat ik hem niet durfde aan te kijken, ik zag alleen half onze handen. Zoekend en strelend probeerden we te zeggen wat niet met woorden kon. Het waren de woorden en de dingen die overlapten en één werden tijdens het gesprek van de aanraking. We waren de menigte ontvlucht en in de serre gaan zitten. Het was de plek waar Helena’s feest rustig was begonnen. Waarom gingen we daar eigenlijk heen? Ik kon het niet meer achterhalen. Het waren herinneringen en die waren altijd verknipt. We zaten op een kunststofrietenbank volgestouwd met kussens. De remmen verslapten geleidelijk met kleine schokken. Handen werden armen, armen werden schouders, schouders werden ruggen. We hadden alleen gezoend. Ik dacht dat ik dat verdreven had omdat ik wist dat het de laatste keer zou zijn. Het was alsof we waren gaan stotteren en stom waren geworden. Ik zuchtte. Het station kwam langzaam naar ons toe, de eiken langs de weg waren nog kaal. Mijn moeder vroeg niks.