Categorieën
Fictie

De goudvis

Het valraam staat open. Het licht van een lantaarn schijnt tussen de jaloezieën door naar binnen. Ze is de kamer binnengekomen terwijl ik rondjes zwom in mijn kom. Ze heeft haar jas uitgedaan, haar schoenen zo’n beetje uitgetrapt, daarna heeft ze zich verder uitgekleed en toen ze naakt was heeft ze voorzichtig met een vinger daar beneden gevoeld om te zien of er bloed zat of sperma.
Ze slaapt. Soms kreunt ze en maakt een wilde armbeweging. Haar mond hangt open alsof ze een beroerte heeft gehad en ik hoor haar ademhalen. Haar platinablonde haar valt in slierten langs en over haar gezicht. Soms veegt ze een pluk uit haar gezicht, maar ik weet dat ze nog steeds slaapt. Ik ben hier, gevangen in mijn kom, en ik zie haar. Ik heb medelijden met haar, al weet ik niet waarom. Het zou waarschijnlijk andersom moeten zijn. Zij is vrij, ik niet. Ik zie haar en ik zie haar voor vol aan, misschien ben ik wel de enige, zij mij niet. Zij ziet iets wat bij haar kamer hoort, iets wat haar er vaag aan herinnert dat ze eigenlijk een echt huisdier had willen hebben, en een echt huisdier ben ik niet.
Ik weet dat alles veranderde toen ik in een kom gestopt werd. Alles veranderde, maar nu kan ik me niet meer anders voorstellen. Ik ben altijd naakt. Het glas zonder veel waterplanten erin maakt dat ik tentoongesteld ben, maar schaamte voel ik niet, want niemand slaat echt acht op mij of op mijn situatie. Niemand voelt de behoefte om mij te schande te maken.
Dat is bij haar wel anders. Zij gaat uit, laat jongens aan haar zitten, het maakt niet uit wie, iedereen mag aan haar zitten. Ze wordt voor hoer uitgemaakt. Het is een meisje zonder grenzen nog, een meisje dat met haar puberteit een dierlijk instinct heeft teruggevonden en daar nu blind op vaart met alle rampzalige gevolgen van dien, een meisje dat zich laat vernederen en uit het gevoel van vernedering een nieuw soort kracht haalt, een kracht van haat.
Ze wil zo graag volwassen zijn, en vrij. Daarom gaat ze uit en laat ze zich bezitten, niet omdat ze er plezier aan beleeft, maar omdat het bij haar idee van volwassenheid en vrijheid hoort. Ze wil ook bewonderd worden, door haar menselijke leeftijdsgenoten dan tenminste. Bewonderd worden geeft haar een zinderend gevoel.
Ik zwem ontspannen in het rond, laat mijn vinnen de richting bepalen. Ik weet dat de wereld die ik zie misvormd is door mijn behuizing: de ronding van het glas. Het was ooit anders, ik herinner me dat de wereld ooit echt, echter was. Een rechtlijnige, echte wereld. Tussen soortgenoten die ik beschouwde als obstakels die ik moest ontwijken.
De bolling van het glas is een soort oogafwijking. Het betrekt me meer op mezelf. Ik vind het goed zo, ik ben niet bang voor grote vervormingen waarvan ik niet weet wat ze eigenlijk voorstellen. Ik trek me weinig aan van de buitenwereld, voel me beschermd door het glas. Ik ben anders dan de slaapster. Zinderend voel ik me als ik rakelings langs het glas beweeg, in de rondte, op mijn snelheid.
Ik woon in een meisjeskamer bij een meisje van vijftien. Het is er altijd een bende, waar ik haar niet om veroordeel want ik houd van de troep: de haarborstel, klemmetjes, donkerblauwe lippenstift, kleren en ondergoed op de grond. Ik woon bij een meisje dat zich onbespied waant terwijl ik alles zie. Ik zie de complexe processen die in haar lichaam plaatsvinden om een heel erg wankel evenwicht te bewaren, wankeler dan dat van een vis die in sommige opzichten robuust afsteekt bij de mens, terwijl zij zich onsterfelijk waant en zich van geen enkel evenwicht bewust is. Ik weet dat ze wakker zal worden als de cortisolafscheiding piekt. Dan zullen haar hersenen weer de gedachten van een puber produceren, gedachten die oppervlakkig lijken in vergelijking met de complexe onbewuste processen die tegelijkertijd plaatsvinden, maar die dat toch niet zijn.
Ik herinner me hoe ze tegen het glas tikte toen ze me net had om me te waarschuwen dat ze me te eten ging geven. De schilfers die in allerlei kleuren als confetti werden uitgestrooid. Ze ververste het water elke week, plantte nieuwe waterplanten tussen de kiezels. Nu doet ze dat niet meer. De waterkwaliteit is slecht. Er zou een bacterie kunnen opkomen waaraan ik dood zal gaan, als ik al niet eerder doodga omdat het water langzaam opwarmt. En toch, als ze me weer te eten geeft, misschien ben ik toch meer dan de spullen op haar kamer, misschien ben ik toch een levend wezen voor haar. Dat moet ik proberen te geloven.
Ze denkt altijd vooruit, dagdroomt over de toekomst. Terugdenken doet ze niet, omdat ze niet graag denkt aan de tijd dat ze jonger was en minder vrij. Opgesloten. Voor stilte is ze bang.
Heel soms denkt ze aan haar sterfelijkheid, altijd net voor het slapengaan, als ze nog even haar been aanraakt, zomaar. Het lichaam waar ze altijd mee bezig is maar dat ze nooit ervaart, behalve dan. Uit het niets gebeurt het en verdwijnt dan weer. Ik hoor haar denken: “Het heeft geen zin om daarover na te denken.” Dan begint het te sluimeren in haar hoofd en valt ze in slaap. Ik ruik de alcohol in haar adem.