Categorieën
Fictie

De geluiden van boven

Het flauwe licht van een zoemende bureaulamp schijnt op de puzzelstukjes. Ze liggen glimmend op de eettafel, keurig gesorteerd op kleur. Herman pakt de stukjes één voor één op en zoekt hun bestemming. Af en toe neemt hij een slok uit zijn speciaalbierglas met daarop een vervaagde afbeelding van een kasteel. De rest van de woonkamer is bezaaid met blikken bier en op de sleetse leren bank ligt een asbak vol half opgerookte peuken. De ouderwetse tv, amper overeind gehouden door een gammel nachtkastje, is bedekt met een dikke laag stof. Op de eettafel ligt geen troep. Die is altijd netjes, want hier puzzelt hij. Hopelijk blijft het vanavond stil boven.

Het appartement is gehorig. Van de bejaarde onderbuurvrouw heeft hij nooit last. Ze klaagt als hij haar tegenkomt, eigenlijk over alles en iedereen. Maar in huis hoort hij haar nauwelijks, in tegenstelling tot de bovenburen. De eerste jaren waren het voornamelijk vrolijke klanken, die zich een weg naar beneden baanden, langs metalen verwarmingsbuizen en het ouderwetse luchtafvoersysteem. Gelukkig geroezemoes van een jong gezin met de beste vooruitzichten. Eerst het gekrijs van een baby, dat in de loop der jaren veranderde in het blije getetter van een dreumes. Daarna volgde losse woordjes, die weer zinnen vormden, steeds complexer. Maar de stemmen van de ouders veranderden ook. Ze werden langzaamaan ongelukkiger en bitser. ‘s Avonds klonken er dronken verwijten over en weer. Geschreeuw van de vader. Soms leek het zelfs verder te gaan dan dat.

De buurman groet hem altijd beleefd. Het is een nette man die keurige overhemden draagt, ook in het weekend. Maar de man is ook vaak kortaf en hij bespeurt soms een afkeurende blik. Misschien omdat hij werkloos is. Toen hij jong was, vertelde Hermans moeder iedereen trots dat er een goede kop op haar zoon zat. Maar zijn kop erbij houden, dat lukte niet. Na een paar jaar zwoegen in telefooncentrales en magazijnen belandde hij thuis. Een burnout werd een uitkering, een uitkering werd de bijstand. Zijn vriendin ging bij hem weg. Hij kon dat begrijpen. Waarom bij iemand blijven die de grip steeds meer verliest?

Na een aantal moeilijke jaren gaat het nu wat beter met hem. Hij komt bijna elke dag op tijd uit bed en doet soms wel twee keer per week boodschappen. Zijn vrienden kregen drukke banen en kinderen. Hij ziet ze nooit meer. Ook in de buurtkroeg komt hij niet meer, liever is hij alleen thuis. Met zijn biertjes, natuurfilms en uiteraard puzzels. Want puzzels hebben geen verwachtingen of verplichtingen, alleen stukjes die in elkaar passen. Ze wachten op hem, hoe lang hij ook nodig heeft om ze te leggen. Hij maakt nu een puzzel van een Japanse boom in volle bloesem. Duizenden witte bloemetjes en op de achtergrond een besneeuwde berg, verdeeld over 1500 stukjes. Een mooie maar moeilijke puzzel. Beneden hoort hij de voordeur dichtslaan. De onregelmatige zware stappen van de buurman doen de houten traptreden kraken. Iets later volgt de stemverheffing van de buurvrouw. De man schreeuwt terug. Dan hoort hij hard gebonk en de buurvrouw die een paar keer stop gilt. Tevergeefs. Het gebeurt steeds vaker.

‘s Ochtends zit Herman op het balkon. Hij draait zijn een sjekkie en kijkt zoals altijd naar de passerende mensen op straat. Veel ervan kent hij van gezicht. Door ze veilig van een afstand te observeren is het alsof hij hun levens meebeleeft. Aan de overkant ziet hij door een keukenraam een studente een eitje bakken. Soms, als haar huisgenoten er niet zijn, laat ze haar bovenbuurman binnen. Hij vermoedt dat de echtgenote van die buurman dat niet weet. Zouden ze aan de overkant zien wat in het huis van zijn bovenburen gebeurt?

‘Dag buurman,’ klinkt het plots van boven. Hij buigt naar voren en kijkt omhoog. Het is zijn 10-jarige bovenbuurmeisje Mila, hangend over de reling. ‘Moet u niet stoppen met roken? Dat is toch slecht,’ zegt ze gedecideerd. ‘Dat klopt, maar stoppen lukt me niet,’ antwoordt hij. ‘Dan moet u beter uw best doen. Wie moet anders de vogeltjes voeren?’
‘Daar heb je gelijk in.’ Herman kijkt even naar het vetbolletje, dat aan een spijl van zijn balkon hangt. ‘Ik jaag altijd de raaf weg als ik hem zie, anders durven de koolmeesjes niet te komen,’ zegt ze trots. ‘Heel goed,’ zegt hij. ‘Nu moet ik gaan!’ roept ze, en verdwijnt.

Die avond klinkt er boven weer geschreeuw. Zou de buurman weten dat hij het kon horen? Zou het hem iets uitmaken? Herman was zelf heel jong toen zijn vader er vandoor ging. Dat vond hij destijds vreselijk, maar misschien was het achteraf gezien beter. Voor Mila zou het ook beter zijn als haar vader wegging. Hij doet zijn koptelefoon op en steekt de kabel in de tv. Het volume zet hij zo hard dat hij niks meer hoort van boven, alleen nog de achtergrondmuziek en de voice-over van de natuurdocumentaire. Hij ziet hoe een sneeuwluipaard en haar jong op de vlucht zijn voor een vijandig mannetje ergens in de Chinese bergen.

De volgende morgen gaat de bel. Een onaangekondigde controle. Een jonge vrouw met halflang haar en een duur mantelpakje komt binnen met allerlei formulieren. Ze veinst vriendelijkheid en stelt veel vragen. Hij ziet haar naar de slaapkamer gluren om te kijken of hij wel alleen woont. Hij telt de seconden tot ze weggaat. Daarna pakt hij een snel een deken en nestelt zich op de bank. Zijn hoofd bonst. Hij vraagt zich af waarom ze nooit bij de bovenburen komen controleren. Zou hij daar zelf de gemeente over moeten bellen? Nee, hij moest zich er niet mee bemoeien. Hij denkt aan alle ongeopende enveloppen in de la van zijn bureau en wil het liefst in de deken verdwijnen.

Na dagen op de bank moet hij wel naar buiten. De halve liters zijn op. Sommige mensen zijn het eenzaamst als ze alleen zijn, hij is het eenzaamst tussen de mensen. Gelukkig is het rustig in de supermarkt en spreekt niemand hem aan. Voor de deur speelt Mila hink-stap sprong op de stoep. ‘Hallo buurman, moet u niet werken? Papa werkt altijd doordeweeks.’
‘Nee, ik zit momenteel even zonder baan,’ zegt hij. ‘Het lijkt me helemaal niet leuk om een baan te hebben. Maar papa zegt dat er dan geen brood op de plank komt. Heeft u wel genoeg te eten?’ Hij lacht en wijst op zijn boodschappentas. ‘Ja hoor, ik red me wel.‘
‘Gelukkig maar. Volgens mij worden mensen alleen maar boos van een baan.’ Als hij boven is en de koffie en de noodles in zijn vergeelde keukenkastje propt, probeert hij de trieste blik in Mila’s ogen te vergeten.

Die avond heeft hij de puzzel bijna af, nog negen stukjes. Maar iets klopt niet. Hij telt de open plekken. Tien. Hij slaat met zijn hand op tafel. Die verdomde kringloopwinkel. Hij kijkt op de grond. Geen stukje te bekennen. Op de trap klinkt zwaar gehijg. De buurman is weer laat thuis en strompelt de trap op. Herman zet de tv aan, de volgende aflevering van het natuurprogramma is net begonnen. Het moeder luipaard heeft de aanval van het mannetje afgeslagen. Haar jong is gered, maar ze bezwijkt zelf aan haar verwondingen. Het kleine jong loopt richting de horizon en de ondergaande zon, met een ongewisse toekomst in het vooruitzicht. Herman kijkt even naar de foto van zijn moeder, die naast de tv hangt. Boven klinkt weer geruzie. Voor hij zijn koptelefoon op kan zetten wordt het lawaai heviger. Hij hoort een felle schreeuw van de man, een keiharde klap en brekend glas. Hij gooit zijn koptelefoon hard op de grond en rent naar boven.

Hij klopt op de deur en roept. Binnen blijft het doodstil. Na een paar keer kloppen druipt hij af naar beneden. Met zijn telefoon al in de hand bedenkt hij zich en snelt weer naar boven. De dunne houten deur is oud, zonder beveiligingstrip. Hij klopt nog een keer en neemt dan een korte aanloop. Hij beukt met zijn hele gewicht tegen de deur. Zijn schouder brandt, de deur geeft niet mee. Hij herhaalt het een paar keer. Hij verbijt de pijn. Hij kan, hij mag niet opgeven. Nu een keer niet. Dan breekt hij met een krakende klap door de deur.

Midden in de woonkamer ziet hij het gebroken glas van de salontafel. Erboven, languit op zijn rug, ligt de bovenbuurman. Donkerrood bloed kleurt zijn witte overhemd en een zwart heft steekt uit zijn buik. Herman buigt over hem heen en voelt aan zijn pols. Hij loopt naar het hoekje in de keuken waar de moeder op de grond zit, snikkend met haar trillende armen om Mila heen. Ze kijken hem angstig aan. Hij knikt naar ze en loopt weer naar de woonkamer. Daar pakt hij het keukenmes vast en trekt het uit het lichaam. De handgreep veegt hij eerst grondig af aan zijn trui, vervolgens pakt hij het stevig vast in zijn rechterhand en knijpt er even in. Dan laat hij het mes vallen en belt de politie.