Categorieën
Fictie

De Galerij

Jazzmuziek klonk luid door de straten van Parijs. Jonge stellen haastten zich op gladde glimmende schoenen en naaldhakken over de straten. Gehypnotiseerd door de swingende tonen van de saxofoon. Het gelach en gegiechel vulde de Franse straten met warmte en romantiek.
Het was Parijs zoals ze hoorde te zijn. Sensueel, romantisch en elegant. De reden dat hij zo verliefd op Frankrijk was geworden en vooral haar hoofdstad.
Het was een lange klamme zomeravond zoals ze er al zoveel hadden gehad deze maand. En toch leek deze anders. Intenser misschien, heviger ongetwijfeld. De lucht gevleid met sterren en de straten gesierd met knappe mensen. De passie rolde over de straatstenen, maar werd bruut verstoord door een statige koets met paard. De wagen versierd met goud en diep donkergroen, om een voorbijganger te imponeren met rijkdom. Zo snel als hij aankwam en alles voor een paar tellen op pauze zetten, zo snel was hij weer vertrokken en ging de romantiek weer op dezelfde ongestoorde wijze door.
Jean-Paul daarentegen verlengde zijn pauze, net als de ademnoot die gestokt bleef. Hij keek omhoog en zag hoe de sterren veranderd leken, maar het kon ook de nodige champagne zijn die naar zijn hoofd was gestegen, en zijn blik waziger maakte. Hij zuchtte, tastte in zijn zak en viste daar een nieuw pakje sigaretten uit die hij vandaag had gekocht bij de boekwinkel. Hij ging op de rugleuning van een bankje zitten, pakte de bordeauxrode met zilverkleurige aansteker uit zijn zak en stak zijn metgezel aan. Hij keek de vers uitgeblazen deken van rook na tot het verdween tussen de stilte van de nacht. Maar was de nacht werkelijk stil vroeg hij zich op dat moment af. Alle uitgesproken, en niet uitgesproken woorden hingen boven hem voor het grijpen.
En toch koos hij ervoor om ze te laten in de exacte waarde en staat waarin zij nu zijn.
Want hoeveel hij ook van woorden hield, de woorden beminde, ze inademende en ze zijn ziel konden meenemen door de verwondering. Er was één boodschap die hij altijd bij zich zou dragen en hem een bepaalde comfort gaf: ‘niks is voor altijd, en altijd is voor niks’.
Hij nam nog één laatste diepe hijs, liet hem over zijn longen glijden en blies hem uit. Voor de laatste keer nam hij de hele entourage in zich op voor hij zich zou haasten naar de muziek.

Jean-Paul was uitgenodigd door een geheim genootschap, om Parijs zijn nieuwste aanwinst te mogen vieren. Al weken werd er zachtjes over de nieuwe art gallery gespeculeerd, maar gissen was het enige wat men kon doen.
Hij hoorde laatst een bakkersvrouw tegen haar klanten vertellen dat het gekocht was door een rijke handelaar. En weer een ander zei dat het gekocht was door een jongeman en de kunst enkel een schijndoek waren, een kaartenhuis. Dat er straks een paar mensen bekoord zouden worden, misschien wel tegen Gods wil in.
Mensen zijn gek op mysteries. Mysteries zijn exclusieve schatten die niet te koop zijn met geld en onaanraakbaar zijn voor mens.
En nu was eindelijk de dag aangebroken dat het mysterie menselijker werd, en dus was de hele stad in rep en roer.

Jean-Paul was verbaasd een uitnodiging te hebben ontvangen voor deze grand opening. Van buitenaf lijkt hij een eenvoudige man, hooguit intrigerend door zijn grote glimmende ogen en donkere krullen. Hij is een onsuccesvolle schrijver, die iedere zondagochtend naar dezelfde bakker gaat, voor dezelfde bestelling; drie croissants, een stokbrood, één groot chocoladebroodje en één kleine. Maar soms als hij zijn krullen wilt draagt doet hij er een taartje bij.
Hij werkt in een kleine bibliotheek en lijdt een heel tevreden leven.

Hij verstijfde toen hij het zag, het was absoluut wonderbaarlijk en uniek in zijn soort. Missen kon je het gebouw niet. Men werd verblind door de hoge ramen die met gouden frame waren versierd. Opnieuw, om de welvaart te benadrukken. Des al niet te min was het, het meest indrukwekkende gebouw wat hij ooit gezien had. En nadat zijn hart het bloed weer rond pompte, de zuurstof zijn longen weer vonden stapte hij zonder enige twijfel naar binnen.
De gallery moet ooit een loods geweest zijn door de hoogte en ruimte, maar is nu omgetoverd tot prestige paardje van Parijs.
De ruimte werd opgedeeld in twee delen doormiddel van de zeer aanwezige wentel trap die alleen -naar zijn weten- in sprookjes bestonden. Aan de muren hingen de grootste doeken. Iedereen was verwonderd door de grootsheid, de luxe en vooral de kunst, en toch zagen ze het niet echt bedacht hij zich.
Overal klonk het klinkende geluid van glazen en werd de meest luxe champagne gegoten in overvloed. Vrouwen in de mooiste jurken passeerde hem, en konden het niet laten om hem toch hun aandacht te schenken. Ze waren elegant, maar toch arrogant en van ver af zou je het niet zeggen, maar er schuilde een leegte in ieder van hen. Een leegte die ze probeerde te verbergen in jurken van Cartier, schoenen van Chanel en sieraden van Tiffany.

Jean-Paul vond een enigszins rustig plekje aan de bar en liet zich meeslepen door de wonderen van een wereld die hij niet eerder kende. Hij liet zijn ogen glijden langs iedere hoek, ieder doek en ieder gezicht. Tot zijn oog viel op iets unieks, op pure schoonheid. Een zijdezachte hand glijde over de gouden railing van de trap omhoog. Een jonge vrouw met volle lippen, een egale gekleurde huid met strakke contouren en ogen waar zijn ziel voor altijd verloren in zal zijn geraakt. Één blik had het hem gekost om zich te realiseren dat zijn leven niks waard zal zijn zonder haar. Één blik, en zijn leven was niet meer hetzelfde als voor haar.
De jonge vrouw lachte en sprak met een ieder die haar aandacht opeiste. En toch was ze als de rook van een wierook voor hen. Elegant, sierlijk, onmisbaar en toch ontvangbaar. Ze glipte tussen hun vingers door zonder dat ze het door hadden, want haar aandacht vasthouden konden ze allemaal niet, al deden ze nog zo hun best.
Ze bewoog langzaam door de ruimte. Ze was onderdeel van de kunst. Het was haar passie, dat straalde ze overduidelijk uit. Ze was er een onderdeel van geworden, omdat net zoals met kunst, je het nooit echt zult begrijpen. En als je denkt het te begrijpen, was je enkel een dwaas. Dan was je de dwaas die het zonlicht dat tussen de kieren scheen probeerde te vangen.
Zij was het mysterie waar men naar verlangde. Het moet je bij het hart pakken, eroverheen walsen, fijnknijpen, bij de strot grijpen en nooit meer loslaten. Anders zal je alleen kleur kennen.
En hoe ze hem bij de strot had gegrepen met enkel een blik. Vanaf dat moment wist hij dat kosten wat het kost hij haar moest ontmoeten. Zich moest laten overgeven aan de verdrinking in haar ogen.

De barman die hem in eerste instantie geen aandacht had geschonken, begon hem op te merken. ‘Ysabeau heet de jonge vrouw waar jij zo naar lijkt te verlangen’ zei hij. ‘Ze is een kunstenares is mij verteld’. ‘Oh’ wist de jongen alleen uit te brengen, nog steeds in trance door haar uitstraling. De barman zag hem kijken en zei zowel nuchter als ongeïnteresseerd ‘maar ze zal nooit vallen op zo’n jongeman als u, nu wat mag ik voor u inschenken?’. Alsof hij ontwaakte uit een diepe slaap keek Jean-Paul hem beduusd aan ‘en waarom denkt u dat dan precies?’. ‘U meneer’ vervolgde de barman zijn zin ‘u denkt toch niet dat u de eerste bent die het geprobeerd heeft bij de beeldschone Ysabeau, dus wat zal het zijn glas champagne?’. ‘En daar heeft u het mis vriendelijke barman’ zei Jean-Paul, ‘ik, daarentegen ben nog niet eens begonnen’. Hij sprong abrupt van zijn barkruk, streek zijn overhemd glad, griste twee glazen Merlot mee en liep moedig op de vrouw af.
De barman schudde zijn hoofd en dacht bij zichzelf hoeveel jonge mannen hij deze avond al richting hun dood had zien wandelen. Hoeveel ego’s en zelfvertrouwen hij deze ruimte uit had zien vliegen. En toch was er iets aan de zelfverzekerdheid van deze man dat hem deed twijfelen over zijn oordeel.

Ysabeau stond op het balkon binnen in de ruimte de groep mensen te aanschouwen. Ze had deze specifieke plek uitgezocht zodat ze het beste uitzicht had. En zo kwam ze tot de conclusie dat ze in deze zee van mensen alleen eenzaam was. Dat ook dit haar geen voldoening gaf, de lof die ze kreeg om haar schilderijen, het was allemaal een lege illusie. Niemand had de wanhoop gezien die ze in sommige doeken had verstopt, of de hartverscheurende emoties die de verfstreken hadden achtergelaten. Volledig in gedachte verzonken had ze niet doorgehad dat ze haar eenzaam niet meer alleen moest dragen, maar hem deelde. Alsof haar bottige schouders lichter aanvoelde. Naast haar stond een lange slanke man. Het eerste wat haar opviel waren zijn grote ogen waar kleine lichtjes in flikkerden. Het tweede wat haar opviel waren zijn slordig zwart gepoetste schoenen. Niet zo glimmend zoals de schoenen van de rest van de mannen. Bij die mannen had ze in gedachte geconstateerd dat ze hun geweten hadden geprobeerd schoon te poetsen.
Vervolgens was het zijn witte overhemd die in haast was gestreken, dit kon ze opmerken aan de kleine vouwen bij de boord. En tot slot zijn warrige bruine krullen, die hij thuis geprobeerd heeft te temmen. En toch ondanks, en misschien zelfs omdat er zoveel dingen imperfect aan hem waren, had hij toch haar interesse gewekt. Zonder dat hij haar verder enige blik had geschonken sprak hij zinnen in een taal die haar hart leek te vervullen, en leek te erkennen als haar eigen. Hij sprak niet over zichzelf, niet over zijn status of zijn baan.
‘Heb je je weleens afgevraagd wanneer een verhaal de moeite waard is om te vertellen’ vroeg hij haar. Ysabeau keek hem verward aan, en zonder dat ze antwoord had gegeven vervolgde hij zijn zin: ‘en als je een verhaal gevonden hebt, hoe ga je het dan uitdrukken als misschien worden niet genoeg zijn’. Ysabeau leek nog verwarder te worden en dacht toen na, niet over wat deze man allemaal gezegd had, of over zijn vraag, maar ook omdat ze zich afvroeg of deze man wel goed bij zijn hoofd was. Dit was de eerste keer dat hij haar recht in haar bruine ogen aankeek. En toen zei hij: ‘jij vind jouw verhaal het niet enkel waard om te vertellen, jij hebt zelfs je ziel uitgetekend’.