Categorieën
Fictie

De familie Bubbeltjes

“Huppeldepup”, deed de deurbel.
Mevrouw Bubbeltjes racete naar de deur op haar nieuwe schoenen met popcornzolen (voor de vering). “Kom binnen dokter, kom binnen”, gibberde ze.
Haar woorden hingen nog een beetje in de lucht toen er iets langs de benen van de dokter schoot.
“Let maar niet op onze huiskip”, zei mevrouw Bubbeltjes. “Sinds ze aan karate doet, is er geen huis mee te houden!”
Niet echt op zijn gemak ging de dokter zitten. Hij vroeg zich af wie vandaag de patiënt was. De familie Bubbeltjes was namelijk een beetje chaotisch en bizar.
Plots sprong er een vis op zijn schoot. Mijnheer Bubbeltjes, die uitvinder was, had namelijk een zuurstoffles op visformaat gemaakt. De popcornzolen en de bel-die-nooit-twee-keer-hetzelfde-zei waren ook van zijn hand, trouwens. Net als de dvd ‘Karate voor kippen deel 1’.
De dokter schraapte zijn keel: “Mevrouw Bubbeltjes vertel eens, wat kan ik voor u…”
Hij kon zijn zin niet afmaken vanwege het kletterende geluid achter hem.
Geschrokken maakte hij een sprongetje, waardoor de zuurstoffles met een smak op de grond terechtkwam. Met vis en al.
Het was de antieke klok die aan diggelen lag.
De dokter, nog een beetje bleek, hief de antieke klok een stukje op en mijnheer Bubbeltjes kwam er onderuit. Hij was geblinddoekt.
“Ha dokter, goed dat u er bent, wilt u mijn schrammen even verzorgen? Ik had mijn vrouw alvast gevraagd u te bellen. Ik leer namelijk helderziendvliegen, maar moet nog een beetje oefenen.”
“Hebt u zich bezeerd?”, vroeg de dokter.
“Ach u kent mij, het gaat wel. Sinds ik mijn uitvindingen zelf probeer, gaat het af en toe wel eens mis.”
“Misschien moet u dat niet allemaal zelf doen”, stelde de dokter voor. “Misschien moet u iemand zoeken die voor u de uitvindingen wil testen?”
Daar zat wat in. Stel je voor, dacht de uitvinder, het zou me wel een hoop werk besparen. Al dat uitvinden was één ding, alles uitproberen was iets anders. Maar waar zou hij iemand vinden die dat voor hem wilde doen?
Mevrouw Bubbeltjes betaalde de dokter voor zijn bezoek en ging terug naar de woonkamer, waar haar echtgenoot de antieke klok aan het opruimen was.
“Wat een zonde,” zei ze met een snikje in haar stem, “ik hield wel van die klok.”
“Ach mijn lieve vrouwtje,” zei de uitvinder, “als we nu eens samen gingen kijken of we ergens op een rommelmarkt een nieuwe klok vinden? Misschien loopt daar ook wel iemand rond die mijn uitvindingen wil testen!”
Daar was mevrouw Bubbeltjes nog niet zo zeker van. Ze deed haar popcornschoenen uit en deed haar sneakers aan, die zo mooi bij haar broek van citroenschillen pasten. Ook een uitvinding van haar lieve man, trouwens. De popcornschoenen zaten lekker, maar ze kreeg steeds meer last van kinderen die haar schoenen wilden opeten, dus ze nam het zekere voor het onzekere. Aan haar broek kwamen ze niet zo vaak, die kinderen.
Op de markt zagen ze onmiddellijk de klok die ze zo graag wilden, het zag eruit als een echte antieke klok, met koekoek en al.
“Daar doet u een koopje mee”, zei de verkoper met een vette knipoog. “Volgens de legende zou de klok zelfs betoverd zijn. Als u een wens doet als de klok twaalf uur slaat, komt hij uit.”
Daar dacht mijnheer Bubbeltjes het zijne van. Hij was uitvinder en wetenschapper. Van magie moest hij niet veel weten, al kon hij die wel gebruiken bij zijn zoektocht naar een hulpje voor het testen van zijn uitvindingen. Het werd een vruchteloze speurtocht.
Toen ze thuiskwamen met de klok, was het even zoeken hoe ze die binnen moesten krijgen. Sinds mijnheer Bubbeltjes een nieuwe bel had uitgevonden, was de gang namelijk een beetje kleiner.
“Hebben jullie hulp nodig?”, hoorden ze iemand schreeuwen. Daar stond buurman Freek in het deurgat. Freek was een beetje doof, maar daar merkte hij zelf niet zo veel van, daarom schreeuwde hij zo.
Onze uitvinder had meteen een plannetje klaar. “Zeg Freek, als ik voor jou nou eens een hoorapparaatje uitvind, zou jij me dan willen helpen met een paar uitvindingen te testen?”
Daar had Freek wel oren naar. Zijn vrouw had al gedreigd dat ze hem buiten ging zetten met geschreeuw en al. Ook al meende ze het niet want natuurlijk wist ze wel dat hij wat doof was, maar toch… Hij nam het zekere voor het onzekere. “Ik help je!”, schreeuwde hij in het linkeroor van mijnheer Bubbeltjes.
Zo, dat was geregeld. Freek hielp de antieke koekoeksklok binnen te zetten en luisterde naar het verhaal over de koekoeksklok. Mijnheer en mevrouw Bubbeltjes moesten alles drie keer zeggen. Ook Freek geloofde niet zo in magie.
Ondertussen waren we een paar dagen verder. De uitvinder had veel meer tijd om uit te vinden, nu Freek alles voor hem testte.
Gelukkig had mijnheer Bubbeltjes ook een set snelgenezende pleisters uitgevonden, die kon Freek best gebruiken. Hij had net geprobeerd of de dvd ‘Karate voor dove mensen’ goed werkte en had gevochten met de karatekip, maar die had gewonnen.
Met al dat uitvinden had mijnheer Bubbeltjes wel moeite om zich te concentreren, zeker nu die koekoeksklok elk uur van zich liet horen.
Om twaalf uur `s middags was hij het echt beu. “Ik wens dat je je bek houdt, stomme vogel!”, riep hij naar het vogeltje dat zijn elfde keer al uit zijn huisje kwam. “Kom maar op met je magie!”
“Koekoek!” antwoordde de vogel.
De uitvinder was wat gefrustreerd en bovendien was het kabeltje van zijn gsm weg. Hij moest er maar eens eentje uitvinden dat vanzelf kwam als je het riep.
Zijn vrouw mopperde dat ze haar boodschappenlijstje niet vond en er dus geen eten was.
Mijnheer Bubbeltjes besloot om zijn lieve vrouw uit te nodigen voor een etentje. Toen ze `s avonds thuiskwamen, was het al laat. Mevrouw Bubbeltjes hield haar handen voor haar oren, omdat het net elf uur geworden was en ze de klok even niet wou horen.
Mijnheer Bubbeltjes keek verbaasd. Het deurtje ging open, maar er kwam geen koekoek uit!
Het plankje waar de koekoek normaal op zat, was leeg. Je zag vaag de afdruk waar zijn pootjes jarenlang hadden gestaan.
Hij herinnerde zich zijn wens. Zou hij echt uitgekomen zijn?
Hoe kon dat nu? Toen hij van zijn verbazing bekomen was, ging de uitvinder op onderzoek uit.
De grote deur van de klok liet zich niet makkelijk openen en hij hoorde een kleine kreun en wat gewriemel. Met veel gekraak ging de deur toch open. Verwijtend keken twee priemende oogjes hem aan. Daar lag hij dan, de koekoek, vastgebonden met het snoer van de oplader en het boodschappenlijstje in zijn bek gepropt.
Mevrouw Bubbeltjes stond te trillen op haar benen van al die magie. Ze nam een slaaptabletje dat haar man speciaal voor haar had uitgevonden, deed haar pyama van gemalen koffiefilters aan en kroop in bed.
De volgende ochtend stond Freek voor de deur met een grote bos bloemen en een stralende vrouw naast hem. Ze kwamen de uitvinder bedanken voor het hoorapparaat. Het was nog een beetje groot, hij moest het in een rugzak dragen, maar zijn vrouw was er zo blij mee dat hij het niet erg vond.
“Dag mijnheer Bubbeltjes,” zei Freek, “het is ongelooflijk hoe goed ik nu hoor. Ik zat gisteren in mijn tuin te genieten van een ijsje en zelfs daar hoorde ik uw koekoeksklok.”
Toen keek Freek een beetje somber. “Ik werd er zo gek van dat ik het beest heb uitgeschakeld. Het spijt me.”
Mevrouw Bubbeltjes moest er zo hard om lachen dat de popcorn in haar schoenen plopte. Bijna had haar man in magie geloofd, maar het was Freek!
Ze nodigden Freek en zijn lieve vrouw uit voor een stukje taart. Die had mijnheer Bubbeltjes niet uitgevonden, die waren ze gewoon gaan halen bij de bakker op de hoek.