Categorieën
Fictie

De dampoe binnen de douchedeuren

‘Doe je sokken uit!’ Is dit een droom? Of zijn dat weer die buren van hier beneden die tegen zijn kinderen loopt te schreeuwen?

Met knallende koppijn en een kurkdroge mond ontwaak ik. ‘Doe je sokken uit!’ hoor ik alweer. Het zijn dus toch de buren, besef ik mij nu plotseling.

Met mijn nog trekkende bek en dichtzittende ogen probeer ik op mijn digitale wekkerradio te kijken, die op een geïmproviseerd nachtkastje staat bestaande uit een stoel met een boek en wat kleren. Ik zie de cijfers 16 en 07, die door middel van een felrood licht op mijn netvlies worden gebrand. ‘Godverdomme,’ probeer ik uit te brengen, maar mijn mond is zo kurkdroog dat mijn tong tegen mijn gehemelte zit geplakt. ‘Dit is het moment waar ik een godsvermogen over heb voor een beetje water,’ denk ik dan bij mezelf. Wanneer ik mijn oogleden langzaam verder probeer te openen om de kamer rond te kijken word ik abrupt verblind door de middagzon die net onder het rolgordijn doorschijnt. Mijn ogen moeten nog wennen aan het felle licht. Met mijn ogen tot sleetjes geknepen kijk ik de kamer rond. Ik zie mijn broek vol met modderspetters als een verfrommelde prop op de grond liggen. Ik probeer mij te herinneren waar die modderspetters vandaan komen en waarom die op mijn broek zitten, maar geef de hoop al snel op omdat nadenken in deze staat al pijn doet. Wat geeft het ook, ik was die broek toch nooit. Naast mijn broek zie ik nog een shirt vol vlekken, binnenstebuiten gekeerde sokken en een paar schoenen minstens zo vies als mijn broek liggen. Als ik met mijn ogen verder omhoog reik, zie ik op mijn bureau een bijna lege whiskyfles met twee glazen ernaast staan. ‘Heb ik die fles opgedronken? Nee dat kan toch niet, ik zie namelijk twee glazen staan. Er moet nog iemand anders zijn geweest. Wie is die ander geweest en waarom drinkt diegene whisky? Ik drink nooit whisky.’

Met mijn voeten probeer ik de rand van mijn matras te zoeken om vervolgens mijn gestrekte benen naast het bed te zetten. Ik kom langzaam mijn bed uit en zie door het raam de buurvrouw van beneden de sokken van haar kinderen oprapen. ‘Eerst maar de kraan leegdrinken,’ word ik door mijn nog steeds kurkdroge mond aan herinnerd. Strompelend loop ik de trap af richting de badkamer. Ik open mijn mond en hang met mijn hoofd schuin onder de kraan. Met mijn hand draai ik aan de knop van de kraan waardoor het ijskoude water over mijn gezicht in mijn mond stroomt. Ik drink zolang totdat mijn tanden en hoofd er pijn van doen. Ik kijk eens goed in de spiegel en zie dat ik weer te hard ben gegaan gister. ‘Wat heb ik gister allemaal gedaan?’, vraag ik mezelf af.

Met een ruk draai ik de doucheknop om en trek behendig mijn hand weer terug om niet geraakt te worden door het koude water. Al wachtend op het warme water krijg ik een flashback van die nacht ervoor. Ik herinner mij nu vaag dat ik een fiets kocht van een junk voor wel 3 euro. Oorspronkelijk vroeg deze er 10 euro voor, maar na afgedongen te hebben naar 5 euro ging de junk akkoord. Ik keek in mijn portemonnee en kwam tot de ontdekking dat ik helemaal geen 5 euro had. Ik had enkel wat losse munten in mijn broekzak zitten. Ik liet de junk een handjevol munten, begroot op 3 euro, zien en pakte dit snel van mij aan, waarna hij de fiets aan mij overhandigde.

Inmiddels kwamen de stoomdampen van de douchestraal af en stapte ik de douchecabine binnen en sloot de douchedeuren. Nadat het warme water mijn rug raakte kwam de volgende herinnering tot mij. Na de fiets gekocht te hebben, fietste ik naar het café waar ik mijn avond altijd begon. Waarom ik hier kwam wist ik zelf ook niet goed, maar dat zal wel iets met solidariteit te maken hebben, maakte ik mezelf wijs. Na aangekomen te zijn bij het café zette ik mijn fiets in een fietsenrek en probeerde deze uit automatisme op slot te zetten. Wat natuurlijk krankzinnig was omdat ik zojuist een fiets van een junk had gekocht waarvan het beugelslot niet meer functioneerde. Zonder mijn fiets op slot te zetten liep ik het café binnen.

Binnen in het café trof ik een bekende aan, namelijk de persoon waarmee ik afgesproken had om deze avond mee door te brengen. Ik bestelde twee biertjes van de tap, welke ik eigenlijk helemaal niet lekker vond omdat deze naar zeepsop smaakte. Ik was nog niet aan mijn biertje begonnen of er kwamen al twee dames naast ons zitten waarvan er één de naam had die leek op een Russische bodybuilder. Plotseling werd de warme aangename douchestraal ijzig koud en hoorde ik het toilet beneden doorspoelen, waarna de straal weer plezierig warm werd.

Dagdromend stond ik onder de douche terug te denken aan de gebeurtenissen van gisteravond. ‘Het kan toch niet waar zijn,’ zei ik nu in mezelf. Ik wilde terug naar die gebeurtenissen van gisteravond, maar kreeg een kleine hartaanval toen mij ineens te binnen schoot dat ik de rekening van het café helemaal niet had betaald. Ik kom nu al zolang in dat café dat ik tot de loyale gasten behoor, welke een aparte rekening hebben. Deze rekening betaal je dan aan het eind van de avond, waar ik mezelf ook wel eens afvraag of er gasten zijn die de rekening aan het eind van de maand afrekenen. In dit geval behoorde ik dus tot de gasten die de rekening helemaal niet betaalde.

Wederom werd ik uit mijn dagdroom ontwaakt, echter dit keer niet door het temperatuurverschil van de douchestraal, maar van een penetrante lucht die mijn neusgaten deed kietelen. ‘Het zal wel niks zijn,’ maak ik mezelf wijs. Na wat drank genuttigd te hebben in het café, stap ik volledig onder invloed op mijn zojuist aangekochte fiets. Mijn gezelschap heeft geen fiets en gaat achterop de bagagedrager zitten. Inmiddels verkeer ik in een staat waarbij fietsen moeilijk gaat, laat staan fietsen met iemand achterop. Na zwabberend twee straten te zijn doorgefietst tref ik daar de uitdaging van de avond. Een trambaan. ‘Recht blijven fietsen,’ denk ik. ‘Zorg dat je tussen die ene en die andere inblijft. Wat je ook doet, kom niet met je band in die trambaan,’ zeg ik tegen mezelf. Na 200 meter de trambaan de baas te zijn geweest verlies ik mijn concentratie en zie ik mijn voorwiel zich als een magneet naar de trambaan trekken. ‘Dit kan niet misgaan,’ denk ik nu. Het is echter al te laat en voor ik er nog iets aan kan doen schiet het voorwiel de trambaan in. Na een doffe klap raak ik met mijn lichaam de straatstenen. Het duurt welgeteld drie seconden voor ik doorheb dat ik op een trambaan lig met een fietswerk op mijn benen. Ik kijk achter mij en zie dat ook mijn metgezel op de grond ligt met geschaafde vingers. Ik kijk naar mijn eigen vingers en zie dat ook deze open liggen. Ik roep mijn metgezel toe: ‘Stel je niet aan, fiets jij anders maar.’

De penetrante lucht slaat nu van een kietelend gevoel over naar een tintelend gevoel in mijn neusgaten. ‘Als dat maar niet die grote kapsalon met extra saus van gisternacht is. Je weet wel, van die ene shoarmatent waar je altijd je eigen flesjes knoflooksaus krijgt,’ denk ik. ‘Ben ik dan bij die shoarmatent geweest?’, vraag ik mezelf af, wat een retorische vraag was, want ik kwam na het hebben van een iets te goede avond altijd bij deze tent. Ik had nu niet alleen een geur die mijn neusgaten deed tintelen, maar ook een geluid dat mijn gehoorgang deed rinkelen. Ik keek beduusd om me heen. ‘Wat was dat geluid?’ Het leek wel op een stemmetje. ‘Die buren van beneden kunnen ook nooit eens hun gemak houden,’ snauw ik nu hardop. Maar het stemmetje kwam niet van beneden, maar leek van boven te komen. Ik keek langs de douchestraal omhoog, voorbij de douchekop, en voordat ik goed iets kon zien hoorde ik het stemmetje nu overduidelijk. ‘Waar ben je nou mee bezig? Moet je jezelf nou eens zien. Wat wil jij later nou bereiken als je alleen maar loopt te zuipen en laat rond het middaguur wakker wordt?’ Het was het stemmetje weer die al deze vragen stelde waar ik zo snel het antwoord niet op wist. ‘Wie ben jij eigenlijk?’ vroeg ik het stemmetje. Waarop het stemmetje met een galmende stem antwoordde: ‘Ik ben de dampoe binnen de douchedeuren.’