Categorie├źn
Fictie

De dag van de dood

DE DAG VAN DE DOOD

Vandaag is de dag van jouw dood.

Het is een heldere winterochtend. Peinzend staar ik uit over het donkere water van de ondiepe gracht. Een milde vriesdauw hangt laag over het water. Als een vliesdunne nevel van engelenhaar. Ik denk aan ons. Aan jou. En aan mijn vele zwakheden. Ik heb altijd al moeite gehad met het onderhouden van liefdesrelaties. Zodra de grens tussen mij en de ander verdwijnt ga ik geheel op in de ander. Dat is het punt waarop alles gaat kantelen en ik het kapot probeer te maken.

Mijn mobiel op de houten eettafel begint hard te trillen. Ik schrik op en zie jouw naam in het scherm oplichten. Mijn neiging om de telefoon niet op te nemen is legendarisch onder mijn vrienden. Ze weten het en houden er rekening mee. Vanaf de dag dat jij weer terug in mijn leven verscheen was er geen andere keuze meer voor mij dan de telefoon op te nemen. Jij moest bellen. Ik moest opnemen. Het was simpel. Jij was de enige die door mijn telefoonfobie heen brak. Als vanzelf ging ik opeens intens verlangen naar je dagelijkse telefoontje dat het ritme van mijn dag werd.

Ik neem op en vraag me af hoe je zult klinken. Vrolijk. Angstig. Verveeld. Trots. Depressief. De telefoongesprekken door de tijd heen vormde het archief van onze stemmingen. De ijkpunten van onze dagen.

‘Hey!’

Je klinkt vrolijk. Enigszins schalks.

‘Hey jij’

Je stem klinkt afwisselend helder dichtbij en krakend ver weg. Ik hoor je sneller ademen terwijl je je fiets door het drukke stadsverkeer manoeuvreert. In mijn hoofd zie ik je elegant zwenken tussen de auto’s en de andere fietsers door. In de verte hoor ik de schelle bel van de tram en daar meteen achteraan een agressief toeterende auto. Ik hoor je ademen als een vlinder op de wind. Je stem met die specifieke klankkleur, ergens tussen donker warm en schrapend hees. Jouw stem hield een belofte in van een mysterieus en broeierig continent. Een onontdekt eiland, ergens verborgen en ver weg. Die stem paste bij je intensiteit die nooit in zijn geheel te omvatten was. Jij was exclusief in controle en tegelijkertijd machteloos verloren in een landschap dat je zelf niet kon bevatten. Binnenkant en buitenkant waren van elkaar los gezogen en beloofde een zindering die volledig los stond van hoe jij je voelde en wie je wilde zijn. Iedereen hield van je stem. Jij haatte je eigen stem. Soms dacht ik dat je voortdurend in oorlog was met je zelfhaat.

‘Ik zit op de fiets’
‘Dat hoor ik, ja’
‘De wind’
‘Ja, de wind’

Wij mensen praten de helft van de tijd zonder iets wezenlijks te zeggen. Betekenisloze zinnen. Verdronken in neutrale woorden die zonder duidelijk doel uitgewisseld worden. Om maar iets te zeggen. Om het begin van een gesprek op de starten. Ook als je elkaar al jaren kent. Ook als je elkaar zo na bent.

‘Waar ben jij nu?’
‘Thuis’
‘Heb je nog nagedacht over ons gesprek gisternacht?’
‘Ik doe niet anders’
‘Ben je er al uit?’

Jij. Ongeduldig. Parmantig. Doorzetter. Een enorme twijfelaar bij keuzes. Nog erger dan ik, een beruchte twijfelaar. Maar als je je keuze had gemaakt, als je wist wat je wilde, dan was er geen tijd meer te verspillen. Dan moest iedereen mee in jouw vaart. Dan wilde je het weten, moest er besloten worden, moest er duidelijkheid zijn. Meteen.

‘Ik denk nog na’
‘Mijn aanbod is met stip onovertroffen en onafwijsbaar’

Ik lach en jij grinnikt. Iets opent zich, ergens in mijn hoofd en in mijn maag komt ruimte. De stress vloeit weg. Er is ontlading.

‘Je klinkt vrolijk’
‘Geloof het of niet, maar ik heb er zin in’
‘Ik ben blij dat te horen’
‘Klein probleempje……ik ken helemaal niemand daar’
‘Ik zou zeggen, stel jezelf eerst voor’
‘Wat een geweldig idee!’

Je schaterlach galmt door de telefoon. Ik sluit mijn ogen en luister naar je vrolijkheid. De laatste tijd was er steeds vaker die volle lach. Onrustig probeer ik het gif van de twijfel diep in mij weg te duwen en probeer te geloven dat er in deze heldere wintermaand een nieuwe lente ontstaat. Ik probeer het echt, ik doe mijn best, maar de twijfel haakt zich steeds opnieuw vast met kleine klemmetjes. Ik wil het echt geloven. Voor jou. Voor mij. Voor ons. Ik hoor je weer ademhalen. Een tram stopt met een hard rem op de halte aan de overkant van het water. Het momentum is voorbij. Ik open mijn ogen. Wat even zacht was wordt weer hard. Wat even helder was wordt weer vaag. Het vervliegt in een enkele seconde.

‘Hoe laat beginnen jullie?’
‘Twee uur. Maar luister, je hebt toch tijd morgen? Zoals we afgesproken hebben?
”Natuurlijk. Ik kan ook vanavond naar je toekomen, Of later vanmiddag’
‘Nee, het is goed. Morgen is goed. Morgen is beter. Dan hebben we de tijd’ ‘Dat is goed. Maar als je eerder wil, laat het me weten’
‘Ik beloof het’
‘Veel succes straks en probeer er ook van te genieten’
‘Dag lief vriendje. J’embrasse’
‘Dag lief, tot morgen’

Tot morgen.
Dat waren de allerlaatste woorden die je van mij hebt gehoord.
Tot morgen.

‘Morgen is beter, dan hebben we de tijd’. Dat is wat je zei. Achteruit kijken kan in de tijd. Vooruit kijken valt buiten de tijd. Vooruit kijken gaat over een toekomst die ineens afgenomen kan worden. De toekomst die weg kan vallen en daarmee verleden tijd wordt.

We leven voortdurend met het idee dat we alle tijd hebben. Dat er na morgen nog een morgen komt. En daarna nog een. Tijd en ruimte. Dat is waar we op vertrouwen, waar we op moeten vertrouwen. Tijd geeft ruimte, ruimte geeft adem, en adem geeft nieuwe impulsen. Jij dacht dat een nieuwe tijd voor ons was aangebroken. Jij voelde het. Ik hoopte het. Ik wilde het zo graag. Ik zal het nooit weten. Jij bent er niet meer. Er valt nooit meer iets te ontdekken over onze toekomst. Jij bent weggevaagd.