Categorieën
Fictie

De coulissen

“Shit, au.” Ik dompel een koude teen in het stomende water en trek hem snel weer terug. Trillend sta ik op de natte badkamertegeltjes. Nog eens. Deze keer probeer ik mijn hele voet een paar tellen in het roze badwater te houden, tot ik het van de pijn niet meer uithoud. Even sta ik stil, in mijn blootje, met een zere voet omhoog en al mijn spieren aangespannen. Dan neem ik plaats op de badrand, die koel en vochtig voelt tegen mijn toch al bevroren bovenbenen, en roer met mijn vingertoppen door het badwater.

Je moet ontspannen, had Eefje gezegd, en ze had er serieus bij gekeken. Ze had me gewezen op het monster van de burn-out, dat ons stuk voor stuk verslindt als offers voor het grote geluk van eindeloze wordingsmogelijkheden. De dromers – kwetsbare, ambitieuze prooien voor het monster – hebben niet door dat er ’s nachts zachtjes aan onze tenen en vingers wordt geknabbeld. Het beest dringt binnen in onze sluimerende breinen en laat ons overdag rare dingen doen, zoals hete tranen huilen bij het zien van je eigen kinderfoto’s omdat je daar het verlies van iets onverwachts in ziet.

Volgens Eefje moet ik er bang voor zijn.

Ik stapt sissend in het bad. Ik heb roze badzout aan het water toegevoegd. Dat heb ik laten thuisbezorgen om iets te zuiveren, zoals ik met hetzelfde doel lijven bestel. Ik nodig ze uit via een app en ze zijn er soms al binnen twee uur, sneller dan het badzout. Ook voor hen kleed ik me uit en ook in hen laat ik me bruut en onwennig zakken. Ze trekken aan mijn haren en slaan me in mijn gezicht, zetten hun nagels in mijn billen en laten me soms wel zes keer in een beurt klaarkomen. Een van hen bleef eens zo lang doorgaan, dat ik mijn telefoon pakte en een timer van vijf minuten zette terwijl ik op hem zat te stuiteren. “Als je voor die tijd niet klaarkomt mag je vertrekken,” had ik gezegd. Hij kwam niet klaar, hij vertrok.

Als ik voor de spiegel mijn krullen sta te föhnen, bekijk ik het inkepinkje in mijn bovenlip. Ollie zal er opmerkingen over maken, want hij houdt van vrouwen met mooie, volle lippen. Die heb ik, maar ik maak ze stuk met bijten en pulken. Hij zal de bezorgde blik trekken die Eefje altijd trekt. Terwijl hij met zijn bovenarmen op mijn schouders hangt, zodat ik bijna omval, zodat ik me niet van hem kan afkeren, zal hij zeggen dat ik me niet zo druk moet maken.

Ik leg de föhn neer en open het badkamerkastje achter de spiegel om een rozenrode lippenstift te pakken. Aandachtig kleur ik de wondjes weg.

2.

Noem het volgende een voorschaduwing of een zeldzaam moment van openheid. U heeft zojuist een glimp opgevangen van wat ik in mijn beste Engels staging area noem. Het is een studio met een badkamer en een bad en er is – afgezien van enkele mannen en vrouwen soms ‘s avonds- bijna nooit iemand op bezoek. Zolang alleen ik er ben, zijn de vloer, aanrechten en tafels er bezaaid met spullen. Op de grond liggen kalfslederen laarsjes en op mijn bureau dagcrèmes en kanten handschoenen. Een van de wanden wordt in beslag genomen door een boekenkast waarin je op de meest prominente plek belangrijke werken vindt van Wilde, Sartre en Camus. Onderin liggen boeken over marketing en pitchen.

Uit deze rommel wordt elke dag een versie van mij geboren die ik graag was geworden. U zult verderop lezen hoe ik Christopher Lasch citeer, maar nooit zult u de papiertjes zien (hier op de tafel en een paar op de bank) waarop ik deze en andere citaten schreef toen ik ze uit mijn hoofd leerde. Ik zal zo meteen een winterdag beschrijven waarop ik met een sjaal door mijn haren geweven in de auto zit. U zag niet hoe ik een avond lang oefende op de strik.

3.

“In tegenstelling tot de pluralistische fantasie, sluit in het echte leven elke morele en culturele keuze met enige consequentie, een hele reeks andere keuzes uit,” schreef Lasch. “Maar in een tijdperk van beelden en ideologie wordt het verschil tussen realiteit en fantasie steeds ongrijpbaarder.”

Uit dat citaat wil ik afleiden dat keuzes andere keuzes uitsluiten en dat je dat alleen in een fantasiewereld kunt ontkennen. Anderzijds: wie weet nog waar het verschil ligt tussen fantasie en werkelijkheid? Ik in ieder geval niet, en ik maak graag gebruik van datzelfde onvermogen bij anderen. Ik weiger nog keuzes uit te sluiten – zelfs als dat hier en daar wat fantasie vereist, zelfs als de consequenties daarvan elkaar moeten bijten. Dan werk ik liever dubbel zo hard.

Met twee bonken rijd ik mijn autootje de laadklep van de pont op. Terwijl de motor begint te draaien, graai ik in het handschoenenkastje naar mijn zonnebril. Er blijven koekkruimels achter mijn nagels zitten, overgebleven van de custardcakejes die ik mezelf tijdens het rijden gun. Door mijn haar draag ik een nonchalant gevlochten sjaal zodat het tijdens het rijden niet in mijn gezicht valt.

Met de zonnebril op tegen de laaghangende winterzon, tuur ik naar de oever.

‘Tot hier’. Die woorden staan in roestige metalen letters uitgespeld aan de overkant van de rivier. Een lelijk kunstwerk dat voorbijgangers eraan moet herinneren dat het Romeinse rijk ooit tot daar reikte. Precies tot daar, vlak onder de Nederrijn. Het roestige ijzer doet mij denken aan de smaak die mijn mond vult als ik de velletjes van mijn lippen bijt. Dan druk ik de achterkant van mijn hand tegen mijn mond om kleine bloedafdrukjes te maken op mijn witte huid.

Dat bord stond er nog niet toen ik opgroeide langs deze rivier. Op de plaats van de ‘i’ bouwde ik als kind torens van de klei die ik van de bodem van de rivier schraapte. Later, toen ik er voor het eerst een jongen had afgetrokken, waste ik met die schurende klei mijn handen.

Ik houd niet van liegen, hoewel je me kunt verwijten dat ik het systematisch doe wanneer ik Ollie bedrieg. Daarop wil ik een casus voorleggen. Op een dag besluit de psycholoog dat ze psycholoog wordt. Dan kerft ze elke werkdag met een mesje een fronsrimpel tussen haar wenkbrauwen, wikkelt zich in een dikke antroposofische sjaal en zegt en vraagt ze haar patiënten dingen die ze in het dagelijks leven nooit zou zeggen of vragen. Liegt zij meer dan ik wanneer ik de vrouw speel die ik meestal ben, die altijd met naam en toenaam Vera Verborg heet?

Verborg heeft een relatie met wetenschapper Ollie Albrecht, staat op Wikipedia. Er staat niet bij dat er op doordeweekse nachten soms iemand anders is in wie ik me kort kan verliezen. De bezoekjes spelen zich af in de ruimte waarin ik mezelf opbouw, beschouw, beoordeel en weer afbreek. In dat verhaal heeft Ollie simpelweg geen deel en hij weet er dan ook niet van. Op Wikipedia staan ook niet de andere pogingen vermeld die ik thuis doe om uit mijn hoofd en in mijn lijf te treden. In die ruimte is er geen Vera Verborg, niemand met wie Ollie een relatie heeft. Dat is niet liegen.

Liegen is moreel afkeurenswaardig en de aan de dag gekomen waarheid vaak meedogenloos. Ik rijd de pont af en parkeer mijn auto op een plaatsje naast cafetaria ‘t Veer. Vanaf hier is het een klein stukje lopen naar het lelijke kunstwerk. In mijn weerspiegeling in de auto zie ik Verborg de jurist, die ooit niet te onderscheiden was van mijzelf. Die loepzuiverte is niet opgewassen tegen de druk die ik de jurist opleg om steeds te blijven worden. Maar ook het onderscheid dat ik zorgvuldig bouw en breek, weerhoudt het monster er niet van om soms plots zachtjes mijn oor te kussen.

Als het draaiende rad vertraagt en het masker op een leugen begint te lijken, sijpelt vermoeidheid als stroop door mijn ledematen en schudt niets mij nog wakker. Dan schieten er angstige scheuten door mijn hoofd en mijn schouders en kan ik uren door keuzes verlamd blijven zitten.

Het bad heeft niet geholpen. Het monster trekt zich slechts terug en slijpt watertandend zijn mes. Ik zet het op een rennen naar de rivier en laat me daar op mijn knieën vallen. Met twee handen begin ik door het ijskoude water te graven. De stinkende klei smeer ik over mijn gezicht, mijn hals, mijn handen. Het zuivert, hoop ik.