Categorieën
Fictie

De clown die geen clown wilde zijn

Hoe lang was hij nu al onderweg? De bomen leken net zo treurig als hijzelf, de takken hingen er somber bij. Hij slofte nog wat verder. Plotseling bleef zijn grote schoen ergens achter haken en viel hij, plat op zijn gezicht. Hij stond weer op en schudde de bladeren van zich af. Toen pas zag hij waar hij zojuist overheen was gestruikeld: de enorme harige bol lag languit op het pad. Van schrik deed de clown een stap naar achter. Maar zijn enorme schoenen raakten in elkaar verstrengeld, waardoor hij opnieuw viel.
‘Alsjeblieft, laat me gaan,’ bibberde hij. Langzaam stond de leeuw op. De clown hield zijn handen voor zijn ogen, klaar voor de aanval. Maar de leeuw rende weg en verschuilde zich achter een boom. Verbaasd stond de clown op en luisterde. Er klonk zacht gehuil. Hij liep richting de boom.
‘Nee, alsjeblieft, blijf staan. Ik doe je niks. Maar laat me met rust,’ snikte de leeuw. Verbaasd bleef de clown staan. Nog nooit had hij een leeuw zien huilen. Wat was er aan de hand? Voorzichtig liep de clown dichter naar de leeuw toe. Die begon harder te huilen.
‘Gggg…ggg…ga als…ssss….jebbbb….blieft weeeeg,’ snikte hij.
De clown ging naast hem in het gras zitten.
‘Waarom ben je zo verdrietig?’ Hij wilde de leeuw aaien, maar die sprong snel weg, naar de volgende boom. De leeuw leek wel bang voor hem. Dit had hij nog niet eerder meegemaakt. Een leeuw die bang was voor hem, een clown! Hij moest iets doen, maar wat? Hij rende naar de boom toe, maar weer zaten zijn voeten hem in de weg. Wat was dat nu? Lachte daar iemand? Boos stond hij op en keek waar het geluid vandaan kwam. Verbeeldde hij het zich? Nee, het geluid kwam van achter de boom. Het was de leeuw! Die lag rollend van het lachen op de grond. Met zijn armen over elkaar ging de clown voor hem staan.
‘Vind je dat grappig?’ De leeuw keek hem schuin aan.
‘Een beetje wel ja,’ hikte hij. De leeuw was nu niet meer verdrietig.
‘Maar vertel eens, leeuw, waarom ben jij bang voor mij?’
De leeuw legde zijn kop op zijn poten en begon te vertellen.
‘Ik ben gewoon een bangerd. Altijd al geweest. En helemaal alleen. Ik wil geen leeuw zijn. Een bange leeuw, dat kan toch niet?’ Bedroefd likte hij zijn vacht.
Wat een gek beest. Een angstige leeuw.
‘Hoe heet jij?’, zei de clown.
‘Niet lachen hè?’
‘Nee ik zal niet lachen.’ Even was het stil. Toen zei de leeuw: ‘Gevaarlijke Bello.’
‘Whahahahahaahaha!’
‘Je zou niet lachen,’ gromde hij boos.
‘Sorry, dat is waar. Maar je naam past niet echt bij je.’
De leeuw ging voor hem staan en deed zijn bek open. Er kwam een heel zacht piepgeluid uit. Opnieuw lachte de clown hem uit. Bello draaide zich om en liep weg. ‘Wacht, blijf hier!’ De clown rende achter hem aan, met zijn voeten ver uit elkaar, zodat hij niet zou struikelen. Bello fronste. En hij lacht mij uit? Moet je hem eens zien!
‘Ik ben Sippy. En ook alleen…’ Sippy ging weer zitten en pulkte aan zijn rode haar. ‘Ik ben weggelopen, uit het circus. Ik wil geen clown meer zijn, vind er niks aan. Altijd maar vrolijk zijn…’
Opeens voelde hij iets nats over zijn gezicht.
‘Bah!’ Sippy duwde Bello weg.
‘Ik wilde alleen maar je tranen weglikken,’ zei hij verdrietig.
Eigenlijk was Bello net als hij: niet gelukkig met zichzelf. Omdat ze niet waren, zoals het hoorde. Een bange leeuw en een verdrietige clown. Een vreemd stel!
‘Wat zit jij te lachen?’ Bello kwam naast hem liggen.
Sippy legde het uit. Bello vond het ook grappig. Inmiddels was het donker geworden, Sippy geeuwde. ‘Wil je slapen?’
Sippy keek om zich heen. ‘Hier? In de kou?’
‘Ga maar liggen. Ik hou je wel warm.’
Sippy ging liggen. Bello sloeg zijn poten om hem heen, als een warme deken.

De nacht had Sippy goed gedaan. Met zijn nieuwe vriend was hij op pad gegaan. Geen idee waar de reis eindigen zou. Plotseling bleef Bello staan.
‘Wat is dat daar?’ Sippy wist niet goed waar hij moest kijken.
‘Daar, bij dat huisje.’ In de verte stond een huis. Voor het huis, stond iemand in een pot te roeren. Toen ze dichterbij kwamen, verschool Bello zich achter Sippy. ‘Laten we verder lopen,’ bibberde hij. Maar Sippy was te nieuwsgierig. Eenmaal bij het huis aangekomen, keek de heks verschrikt op. Ze pakte de lepel uit de pot en richtte die op Sippy en Bello.
‘Ga weg! Anders tover ik jullie in slijmerige kikkers!’ Haar wrattige neus wipte op en neer.
‘We doen je niks hoor. We waren gewoon onderweg naar…ja…weet ik eigenlijk niet.’
De heks keek hen wantrouwig aan. Ze liet de lepel zakken.
‘En wat doen een clown en leeuw in het bos?’
‘Ik was het zat om een clown te zijn, altijd maar vrolijk doen. Clowns willen ook wel eens huilen.’ De heks keek naar Bello. ‘En jij dan?’
‘Hij beschermt mij,’ zei Sippy trots. De heks begon te lachen.
‘Hij ziet er anders bang uit.’
Bello sprong tevoorschijn en wilde brullen. Maar weer kwam er niets anders dan een zacht gepiep. De heks vond het grappig.
‘Een sombere clown en een bange leeuw, gekkerds!’
‘Deze bange leeuw is anders wel mijn beste vriend.’
De heks begon te huilen. ‘Hé heksje, niet huilen.’
Nu begon te heks te brullen. ‘Ik wil ook vrienden, niemand vind mij aardig. Ik wil geen heks meer zijn. Altijd maar gemeen zijn, vieze drankjes bereiden. Ik haat het!’
Sippy snapte er niks van. ‘Waarom ben je dan een heks, als je dat niet wilt?’
‘Omdat ik geboren ben als heks. Eens een heks, altijd een heks. Waarom ben jij een clown? Wil jij toch ook niet zijn?’
Sippy dacht even na. Ze had gelijk. Net als Bello. Hij was een leeuw. Maar wilde dit ook niet zijn. Want een leeuw hoort dapper te zijn. Bello leek meer op een bange muis.
‘Hoe heet jij?’ vroeg Sippy.
‘Camilla.’ Mooie naam, voor zo’n lelijk schepsel. Niet aardig wat hij dacht. Zij kon er tenslotte niets aan doen.
‘Ik heb een idee! Mogen Bello en ik bij jou blijven? Dan ben je nooit meer alleen!’
Camilla reageerde verbaasd: ‘Willen jullie dat? Bij zo’n lelijke gemene heks?’
Sippy wees op de pan en kneep zijn neus dicht. ‘Alleen als je mij laat koken.’
De heks lachte: ‘Deal!’

Dagen gingen voorbij in het bos. Sippy werd weer de vrolijke clown die hij ooit was. Soms had hij een rotdag. Dat mocht. Zijn vrienden lieten hem dan met rust. Bello was nog steeds geen held. Maar met Camilla en Sippy bij zich, was hij niet meer zo bang. Camilla was lief. Ze hoefde niet meer gemeen te zijn. Koken liet ze aan Sippy over. Zelf maakte ze alleen nog maar toverdrankjes. Niet om mensen te betoveren. Ze gebruikte haar toverkracht alleen nog voor goede dingen. Zo toverde ze de voeten van Sippy naar een kleinere maat, zodat hij niet steeds meer struikelde. Bello’s stem betoverde ze in een grom. Nog steeds was hij een bange poeperd. Maar als er gevaar dreigde, hoefde hij alleen maar te grommen en ze waren weer veilig. Na maanden, was het druk geworden in het heksenhuisje. Er waren huisjes bijgebouwd, het was een heel dorp geworden. Ook was er een vijver aangelegd, met een dun laagje water. Speciaal voor de vis die niet kon zwemmen. Het huisje voor de kabouter was te klein geworden. Daarvan hadden ze het dak weggehaald. De kabouter bleef namelijk maar groeien en groeien. Camilla was bezig met een toverdrank. Op een dag zou ze dit aan de kabouter geven. Maar totdat het klaar was, moest de kabouter het zonder dak doen. En dan was er nog de nachtegaal, met zijn eeuwige verkoudheid. Zijn mooie zangstem was veranderd in een schoor geluid. Sommigen bleven maanden in het dorp, anderen slechts een week. Maar één ding veranderde nooit: Sippy, Bello en Camilla bleven bij elkaar. Want hoe je ook wordt geboren, voor echte vriendschap is dat niet belangrijk!

EINDE