Categorieën
Fictie

De baret

De baret

Beiroet is kapot. In onze appgroep is het druk. Vorig jaar zijn we op herdenkingsreis voor veteranen naar ons missiegebied gegaan: Libanon. Vandaag is het land weer kapot, voor de zoveelste keer beschoten of ander onrecht aangedaan. We weten niet waardoor. Berichten over de afstand tot het vliegveld, de oude kustweg of het hotel waar we vorig jaar zaten volgen snel elkaar op. We hebben allemaal het filmpje bekeken en iedereen beweert dat we langs dit deel van de haven zijn gereden, maar ik weet dat niemand daar zeker van is.
Het is 1978 als Nederland besluit om deel te nemen aan een missie van de VN in Libanon. Het door oorlog verscheurde land heeft de hulp nodig van onze jongens en iedereen die in dienst zit of gaat, mag zich opgeven. Op het moment dat ik opgeroepen wordt, twijfel ik geen moment en kruis het hokje aan. Ik vraag me af of ik wel mag deelnemen, maar als de majoor ziet dat ik achttien ben, verzekert hij me ervan dat mijn ouders me niet kunnen tegenhouden. In de voorlichtingsfilmpjes zie je de mooiste kanten van Libanon: sporten, zonnen, een dankbare bevolking. De kans om daar te mogen helpen, grijp ik met beide handen aan.
Na een training van enkele weken is het zover. Het is bewolkt en koud buiten, maar dat zal daar wel anders zijn. Ik vertrek aan het begin van de winter naar het land aan de Middellandse Zee. In het vliegtuig ontvang ik mijn nieuwe strepen: sergeant-majoor. De jongens om me heen maken lol door de condooms die ze mee hebben genomen onder de kleine ventilator boven ons hoofd op te blazen. Een stewardess vangt mijn blik en ze glimlacht. ‘Nu zijn jullie nog jongens,’ zegt ze. ‘Wat?’ vraag ik haar verlegen. ‘We brengen jullie weg als jongens, maar we halen mannen op.’
Als ik weer terugga, is donker als we de kust langs vliegen. De lichten van Beiroet schitteren ons tegemoet en kreten van herkenning schallen door het vliegtuig. ‘Toen wij aankwamen was het licht!’ Foto’s worden uit mapjes gehaald of vanaf de kleine schermpjes van telefoons bekeken. Iedereen wacht op dezelfde geur, dezelfde geluiden. Zullen we die krijgen? Ik druk mijn neus tegen het raampje en wacht op de herkenning waardoor deze mannen harder gaan praten, maar ik zie alleen een stad zoals hij nu is. Licht, veilig en modern.
Als we uit het vliegtuig stappen, is het kouder dan ik had verwacht. Na tien stappen over de betonnen platen kijk ik om me heen. Kapotgeschoten vliegtuigen sieren de randen van het vliegveld en in de verte hoor ik geweersalvo’s. De oude stomp loopt richting de ingang van ons vliegveld. Hun mouwen zijn afgescheurd over hun bruine armen, de schoenen ongepoetst en de baretten scheef op hun hoofd. Ze kijken ons minachtend aan als we ze voorbijlopen. In de bak van de viertonners die ons naar de post brengen, kijken we naar de oceaan terwijl we over de oude kustweg rijden. Er kriebelt stof in mijn neus, de lucht is zwaarder dan in Nederland en kouder dan ik had verwacht.
De eerste dagen in Beiroet zijn makkelijk. Niemand heeft hier gediend en herinneringen aan vroeger zijn schaars. We zijn op vakantie, maar dan is het tijd om naar het zuiden te gaan. Tyre wacht op ons. We kunnen niet over de oude kustroute rijden, omdat die gevaarlijk is en we eerst langs de beka-vallei willen. Er wordt ons nogmaals op het hart gedrukt om niet te praten over ‘Disneyland’, de ‘zuiderburen’ of ‘geel’. Wij zijn neutraal en kiezen geen partij. Onze reisleider vertelt een verhaal over hoe hij eens moest kakken bij een dorpshoofd en niets anders had dan een kraantje om zijn gat mee te spoelen. Met besmeurde handen sloeg hij het laatste kopje thee van de dag af. Ik kijk naar buiten en zie de vluchtelingenkampen van Syriërs of Palestijnen of allebei. Ik lach liever niet mee.
Samen met Paul word ik gedropt in een dorp. In het midden is een grote plas waar vrouwen de was doen en koeien grazen. Op de hoek zit een jongen met grote tanden. Hij kijkt vrolijk als hij nieuwe jongens aan ziet komen. Mijn kuiten spannen zich bij het laatste stuk weg dat omhoog loopt tot de post. 7.11 staat er op de zijkant. Is dit mijn stukje Libanon? Binnen ruikt het vreemd bekend. De luitenant staat pannenkoeken te bakken. Ik meld me bij hem en krijg een slaapplek aangewezen. Vanavond loop ik de eerste patrouille.
In de bus krijgen we de laatste instructies. Toen wilde ik ze graag en nu komen ze ongewenst. Op iedere straathoek staat een jongen met brommer en zodra de bus voorbij rijdt, rijdt de jongen een stukje vooruit. Naast me prevelt Willem iets over PLO en Haddad. Hij krijgt de zenuwen van de jongens op brommers. Als ik zijn blik vang, lijkt hij dwars door me heen te kijken. Het is al zo lang geleden, maar hij is nog steeds in 1980. Of 1983? Ik weet niet meer wanneer hij is uitgezonden. Het kameraadschap van toen is vervlogen en ik bekommer me maar weinig om de anderen. Alles wat zij ervaren is er niet. Ik kijk over de weg en zie het huis waar het gebeurde. Stilstaan of beter kijken mag niet. Dan vertrek ik, voor het eerst, terug naar oudejaarsavond 1981.
Op honderd meter van het dorp sta je stil. Je vraagt om licht. Een witte granaat wordt de lucht in geschoten en het enige vuurwerk dat je vanavond zult zien, maakt de wadi zichtbaar. Spookachtig schommelt de lichtgranaat boven de kloof. De wadi is niet leeg. Voor jullie rent een man richting het dorp, op zoek naar zijn huis. Hij rent gebogen, probeert het licht te vermijden, maar je zag hem al voordat hij zichtbaar werd. Door de radio hoor je de kapitein tegen je schreeuwen. Je draait de radio uit, de verbinding is te slecht. Het dorp rijden jullie binnen met het licht aan, muziek aan, iedereen moet zien wie jullie zijn. Dat is jullie veiligheid.
Voor het huis van de man wachten jullie. Hij is geroepen en hij moet naar buiten komen. Achter het huis kan hij niet weg, hij komt straks door de voordeur. Het duurt te lang. Als je het trapje naar zijn deur beklimt, gaat de deur open. De man frommelt zijn geweer in je gezicht, een meter afstand hooguit. De haan is gespannen, zijn vinger ligt om de trekker. Je ziet de deurpost, de witte afgebladderde verf, maar je voelt geen medeleven. Je loopt achteruit, weet je gedekt door Paul en wenkt de YP. Overmacht. De boordschutter laadt en iedereen kan horen dat jullie in de gunstigste positie zitten. De man trekt zich terug in zijn huis. Lafaard.
Als jullie de volgende ochtend voor zijn huis ontbijten, gaat de deur langzaam open. Je staat op en trekt je geweer. De boosheid laat je vinger niet naast, maar op de trekker liggen. Hij is gewend aan wapens, zal altijd een fractie sneller afdrukken dan jij, maar niet vandaag. De Libanezen rennen op hem af en werken hem tegen de grond. De man schreeuwt. Jouw ogen schreeuwen. Wist je dat je ogen konden schreeuwen? Als de man achterin de wagen ligt, pak je een glas en je gooit het tegen het hout van zijn huis. De verf bladdert verder af.
Willem vangt mijn blik en ik weet dat hij mij herkent zoals ik hem nu pas herken. Hij vraagt niets, zegt niets, hij knikt alleen. We weten dat we allebei in vroeger waren. Ik kijk weer naar buiten en zie het dorp zoals het nu is. Waar vroeger de waterplaats was, is nu een cultureel centrum.Ik doe mijn ogen even dicht als ik de moskee hoor en ben toch in het Yatar van toen. Als ik mijn ogen open, zie ik een man op me aflopen. Zijn haar is lang en hij loopt moeilijk. Zijn tanden zijn groter dan bij wie ik ooit gezien heb. Het is de jongen van toen. Mijn keel knijpt zich samen en ik voel mijn tranen opkomen. Sommige dingen veranderen niet.