Categorieën
Fictie

De ansjovisvaarders

Hij beschikte over een bovenmenselijk vermogen om niets te doen. Lui was hij niet – hij kon de handen uit de mouwen steken als het moest – maar wanneer hij niets te doen had, deed hij dat met opmerkelijke overgave. Dan zat hij dag in, dag uit door het raam te staren. Vroeger had hij wel eens geprobeerd om een boek te lezen, maar zijn aandacht gleed altijd naar buiten; naar het komen en gaan van het water, alsof geen enkel verhaal hem kon beroeren zoals het langzaam slingeren van de getijden.

Zij verveelde zich steendood.

“Ik zou willen dat je me eens verraste,” zei ze.

“Met bloemen, ofzo?” vroeg hij.

“Met jezelf. Door iets te doen dat ik niet verwacht. Kleur eens buiten je lijntjes.”

“Wil je dat ik een bank overval?”

“Bijvoorbeeld.”

Zij had liever iets gekocht vijftien kilometer oostwaarts, waar de dijk krioelde van mensen die zich uit alle macht probeerden over te leveren aan de ongedwongenheid, en waar strandbars en surfclubs dienden als bakens die kust en dag opdeelden in overzichtelijke stukken.

Waar zij woonden was er welbeschouwd niets. Het strand was een magere, donkergrijze strook, en bij vloed kroop het water tot tegen de duin waarop het huisje stond. Wanneer ze ‘s ochtends gingen wandelen kruisten ze enkel de bemoste palen van oude golfbrekers, de appartementsblokken achter de kromming van de waterlijn leken toe te behoren aan een andere beschaving.

“Dat vind ik nu net zo fijn aan deze plek,” had hij eens gezegd, “dat alles er net zo uitziet als vijfhonderd meter verderop. Dat creëert een gevoel van ruimte. Van uitgestrektheid. Is dat niet wat jij wou? Vrijheid? De wind in je haren?”

“De wind in je haren heb je ook vanop een balkon op de dijk,” had zij geantwoord. “En daar moet je geen uur de ziel uit je lijf trappen voor een kaaskroket.”

Aan de voet van de duin lag een oude vissersboot aan een ketting. Enkel bij hoogtij werd het schip een uur of twee door de golven opgetild, maar het gros van de dag helde zij op haar roestige kiel, aandoenlijk als een gestrande tuimelaar.

De boot heette Pequod (volgens hem) of Pepijn (volgens haar). Dit twistpunt vond zijn oorzaak in de slechte staat van het schilderwerk, waardoor enkel de eerste twee letters op de boeg nog duidelijk herkenbaar waren.

Zij zei: “Pepijn was de naam van het zoontje van de visser. Een prachtig jongetje met hemelsblauwe ogen. Toen hij vijf jaar was is hij verdronken in zee.”

“Hoe kom je daarbij?” vroeg hij.

“Gehoord van de slager.”

“Pequod is de naam van de boot in Moby Dick,” zei hij. “Er moeten niet altijd jongetjes met hemelsblauwe ogen verdrinken.”

“Vroeger lag er een hele vloot,” vervolgde zij, “voor de zwaardvisvangst.”

“Nonsens, daarvoor is die boot veel te klein. Kabeljauw, hoogstens. Waarschijnlijk ansjovis.”

Ze zuchtte. “Saaie vent. Wat moet ik met jou?”

Op een dag begon de man joggers te zien.

“Ik heb iets hoogst eigenaardigs waargenomen vandaag,” zei hij.

“Ja?” vroeg zij. “Wat dan?”

“Een jogger.”

Ze ging naast hem in de zetel zitten en legde een hand op zijn knie. “Dat is niet eigenaardig, lieverd.”

“Toch wel! Want hij kwam maar in één richting voorbij.” Met zijn wijsvinger trok hij een lijn van oost naar west. “Zo. Dat was bijna vier uur geleden. En hij is nog steeds niet terug.”

“Misschien heeft hij een andere route teruggenomen. Of woont hij verderop.”

“Er is geen andere route terug. En er woont helemaal niemand verderop.”

Ze fronste diep. “Moet ik me zorgen maken om jou?”

“Maak je liever zorgen om die jogger,” zei hij, zonder zijn blik af te wenden van de zee, alsof de golven elk moment een man in looptenue zouden kunnen uitspuwen.

De volgende dag rende hij de badkamer binnen terwijl zij in bad zat.

“Kom snel!” riep hij.

“Wat is er?”

“Kom dan!”

Ze haastte zich uit bad en sloeg een handdoek om. Ze volgde hem naar de woonkamer. Hij wees naar het raam. “Hij is net verdwenen, daar achter die duin. Kom mee naar buiten, dan kunnen we hem nog zien!”

“Wie, in godsnaam?”

“Die jogger! Van gisteren! Hij zwaaide zelfs naar mij!”

Hij wou via de verandadeur naar buiten lopen, maar zij greep hem bij de mouw van zijn hemd. “Wat scheelt er toch verdomme met jou? Mij zo de stuipen op het lijf jagen voor een jogger? Zoek verdomme toch eens een hobby, in plaats van godganse dagen uit dat raam te zitten staren! Ga zelf eens joggen misschien! Wat mij betreft loop je maar in één richting!”

Daarna ging ze weer in bad zitten.

Die nacht maakte hij haar wakker. “Luister!”

“Wat?” vroeg zij, slaapdronken.

“Hoor je dat dan niet?”

“Hoor ik wat niet.”

“Dat geluid.”

Het was een stormachtige nacht: de wind floot, de golven braken, de luiken klapperden.

“Welk geluid?”

“Dat schel geluid. KLANG. Als een hamer op een aanbeeld.”

Zij zuchtte. “De kerktoren. Je hoort de kerktoren. Ga slapen.” Ze draaide haar rug naar hem toe.

Hij keek op de wekkerradio. “De kerktoren, de kerktoren,” zei hij smalend. “Om tien na een!”

De man gleed uit bed en sjorde zijn badjas om. Hij sloop de kamer uit en liep door de gang. Bij het openen van de voordeur striemde het zand in zijn gezicht. Snel glipte hij naar buiten, hij moest met zijn volle gewicht aan de klink hangen om de deur achter zich dicht te trekken.

De nacht was inktzwart, laag boven het water hingen rommelende stapelwolken. De man begon te stappen, blootvoets in het vochtige zand. Af en toe stopte hij even, en spitste hij zijn oren.

Het geluid verscherpte. Hij zag de contouren van de boot. En daarnaast, gehurkt bij de ketting, het silhouet van een man.

De jogger zag hem komen. Hij liet de steen vallen en stak zijn handen in de lucht, alsof hij duidelijk wou maken dat hij zich overgaf. Hij stond recht, klopte wat zand van zijn knieën. “Betrapt,” zei de jogger, met een ondeugende glimlach. Hij was atletisch gebouwd en had een knap gezicht.

Zo keken ze elkaar een tijdje aan. De man moest zijn armen om zijn lijf slaan opdat zijn kamerjas niet zou gaan vliegen.

“Is dat, euh, uw boot?” vroeg hij aan de jogger. Het was de enige vraag die hij kon bedenken.

De jogger lachte hartelijk. “Nee. God, nee. Dan zou ik hier niet in het holst van de nacht komen kloppen, of wel? Die boot ligt hier al jaren te verpieteren, ziet u. Zwerfafval noem ik het. En die ketting ligt lelijk in de weg. Ik ben er al meermaals over gestruikeld. Vanmiddag weer. Ik dacht: nu is het genoeg geweest. Vanavond maak ik er komaf mee.”

De man dacht even na. “U bent niet goed snik,” besloot hij. “Bovendien zal u kouvatten, zo in uw korte broek en zonder jas. Kom mee naar binnen. U kan overnachten op de bank.”

“Hoe attent van u,” zei de jogger. “Maar ik moet helaas weer verder. Tot ziens. En vaarwel!” Hij trappelde kort ter plaatse, bij wijze van symbolische opwarming, en toen begon hij te rennen, recht op de zee af. Vlak voor de waterlijn boog hij af naar het westen.

“U gaat de verkeerde kant op!” riep de man hem na. “Er is niets daar! Helemaal niets!”

De jogger stak zijn hand op en zwaaide.

De man bleef staan tot het zwart de jogger had opgeslokt. Toen knielde hij en inspecteerde hij de ketting. Eén van de ringen was zwaar beschadigd. Nog enkele slagen…

Voor hij het wist lag de steen in zijn hand. Hij haalde uit, en liet het ding met volle kracht neerkomen op het metaal.

KLANG

KLANG

KLANG

Zweet parelde op zijn slapen. Hij haakte de ketting aan weerszijden los van de gebroken link. Dan keek hij naar het bootje. Hij twijfelde maar heel even.

De man liep naar de lage kant, trok zich op aan de reling en zwaaide zijn benen over de boeg. Hij ging languit liggen in de kuip, bovenop een visnet, en hij wachtte.

Een uur of twee, schatte hij. Hij hoorde de zee die dichterbij sloop. Het milde klotsen van water over de kiel. En hij voelde, langzaam, hoe de boot zich oprichtte.

Een paar kibbelende zilvermeeuwen schreeuwden hem wakker. De lucht was fel, de ochtendzon woog zwaar op zijn oogleden.

De man stond op en tuurde om zich heen. In de verte zag hij de zee, een vaalblauwe streep tegen de horizon. Achter hem lagen de duinen. Het huisje. Beneden in het zand spotte hij de gebroken ketting, een meter of twee verderop.

“Hmm,” deed de man. Hij klom naar beneden, wandelde naar huis en zette koffie. Daarna ging hij achter het raam zitten.

Een kwartier later kwam zij de woonkamer binnen. Ze rekte zich uit. “Koffie, lekker.”

Ze keek naar de man, en zag hoe zijn blik aan het raam gekluisterd was. Ze glimlachte minzaam.

“Alles mooi op z’n plaats,” zei ze plagerig.

“Ja,” zei hij zacht. “Let maar op.”