Categorieën
Fictie

davids strijd

Het is half zes als mijn telefoon gaat en zonder te kijken wie het is neem ik op. ‘Goedenavond met Erik van Beek.’ Het blijft stil aan de andere kant van de lijn. ‘Hallo hallo is daar iemand?’
Net als ik wil ophangen hoor ik heel zachtjes een stem.
‘Erik alsjeblieft niet ophangen, het is belangrijk’
Nu ben ik degene die stil is, al het speeksel in mijn mond lijkt te zijn verdampt. De stem aan de andere kant heb ik al bijna zestien jaar niet gehoord. Als ik antwoord wil geven, is het enige wat uit mijn mond komt na een paar vreemde klanken: ‘moeder?’
‘Ja mijn zoon ik ben het.’
Ik denk dat ze aanvoelde dat ik niet wist wat ik moest doen
´Zeg maar niets, luister alleen maar even’, zegt ze op een zachte toon.
‘Het spijt me het je te moeten zeggen, maar het gaat om je vader, ik weet dat we al heel lang geen contact hebben gehad maar…’ Ik hoor dat ze haar huilen probeert te onderdrukken.
‘Hij is was al een tijdje aan het kwakkelen,’ gaat ze door. ‘Eerst dachten we dat het geelzucht was, maar hij had nog meer klachten en, nou waar het uiteindelijk op neerkomt is hij heeft alvleesklierkanker, en de artsen hebben eigenlijk niet veel opties meer.’ De laatste paar woorden zegt ze zakelijk, bijna kil.
‘Hij vraagt de hele tijd naar jullie, naar jou en je broer. Wist je dat hij huilt in zijn slaap, terwijl hij jouw naam mompelt? Als hij verward is, praat hij tegen jullie alsof er niets gebeurd is, alsof jullie gewoon naast hem zitten.
Zou je misschien, alsjeblieft willen komen?’
De lift naar de 12e etage lijkt eeuwen te duren en als eindelijk de deuren opengaan, doemt de witte gang als een “death row” voor mij op. De moed zakt me bijna letterlijk in mijn schoenen, wanneer ik de lift uitstap op zoek naar kamer 1215. Er heerst hier een soort van serene rust, Ik hoor de piepjes van hartmonitoren en het op een vreemde manier rustgevende geluid van beademingsapparatuur. Ik zie bedden met hoopjes mens en ernaast verslagen gezichten. Mijn voetstappen weerklinken in de lege hal als waterdruppels die in een mergelgrot naar beneden vallen.
Als ik voor de deur sta en naar binnen kijk zie ik mijn moeder zitten. Ze is ouder geworden, maar ze is ook mooier dan dat ik mij haar herinner. Haar halflange grijze haren zijn keurig gekapt, ze ziet er statig uit, ze heeft zelfs wel wat weg van onze oude koningin zoals ze daar zit. En ik weet dat ze zich altijd zo gevoeld heeft als pastoor vrouw. Als ik mijn vader zie liggen, schieten de tranen in mijn ogen. Ik kijk naar een mager klein mannetje, met ingevallen wangen en ogen die de dood al hebben ontmoet. Hij is niet meer de sterke knappe man die ik verlaten heb, niet meer de autoriteit die ik zo lang geleden achter me heb gelaten. Als ik ze zo zie moet ik even denken aan de mooie tijden, toen alles nog goed was. Maar de dood van mijn broer heeft van die eens zo sterke band niets meer overgelaten.
Als ik eerlijk ben, vond ik het moeilijk om thuis te zijn. Het was nu alleen nog maar een huis. Alles herinnerde mij aan Menno, die de liefde en de warmte met zich mee leek te hebben genomen. vroeger noemde mijn vader ons “zijn jongens” en zijn “grote helden”. Mijn broer was zonder twijfel een knappe jongen, met zijn halflange zwarte haar en een lichaam als van een atleet, was hij uitermate populair. Hij had niet zo veel met het geloof en hield van het snelle leven en gierende motoren. Dat is dan ook, net als voor vele jongens in mijn dorp, zijn dood geworden. Ik weet het nog goed, het stormde die avond de regen sloeg als golven tegen het raam. In het donker van de nacht, hoorde ik de takken van de beuk voor mijn raam onheilspellend krakend heen en weer gaan. Het was vijf uur in de ochtend en ik was net naar de wc geweest, toen een bewegend blauw met rode gloed mijn kamer verlichtte. Ondanks dat ik het verwachtte schrok ik toen ik de bel hoorde. Een klein streepje licht kwam er onder mijn deur door toen het licht van de gang aanging.
‘Niet meteen boos worden, hij zal zijn sleutel wel vergeten zijn.’ Mijn moeder praatte zachtjes en ik hoorde de bezorgdheid in haar stem.
‘Dat zal allemaal wel maar genoeg is genoeg.’
Ik stond op uit mijn bed en liep naar de deur. Zachtjes probeerde ik hem open te doen, maar het piepende scharnier verraadde mijn aanwezigheid.
‘Ga terug naar bed jij’, snauwde mijn vader mij toe, terwijl hij een knoop in het koord van zijn badjas probeerde te leggen. Naast hem het bleke, geschokte gezicht van mijn moeder.
Ze zagen er vriendelijk uit, de twee agenten die voor de deur stonden. Een clichébeeld van een lange en een kleine. Terwijl het kleine, gedrongen mannetje ongemakkelijk naar de vloer in de gang bleef kijken, schraapte de lange zijn keel.
‘Meneer en Mevrouw van Beek? Bent u de ouders van Menno van Beek?’
Daarna leek alles tegelijk te gebeuren. ‘Een ongeluk’, hoorde ik hem zeggen. Mijn moeder schreeuwde toen ze tegen de muur van de gang naar beneden gleed. De kleine agent die verschrikt een stap naar voren wilde doen om mijn moeder te helpen, mijn vader die alleen maar schreeuwde. ‘Niet mijn zoon, niet mijn Menno.’
Als verdoofd liep ik naar ze toe, maar op het moment dat mijn moeder mij opmerkte begon ze nog harder te huilen. Mijn vader had niet door dat ik langs hem heen liep. Dat ik de agenten vroeg hoe het nu verder ging, waar mijn broer naartoe zou gaan. Daarna schudde ik ze de hand en sloot de deur achter ze. Ik keek naar mijn moeder die in haar nachtjapon met opgetrokken knieën tegen de muur aan zat. Mijn vader was gestopt met schreeuwen en was overgegaan op een zacht gemompel.
Resoluut liep ik naar de kamer van mijn broer. “Zonder kloppen geen toegang”, “Geen toegang voor onbevoegden”, “Turn around, go back”, “Kamer van Menno” Aan de stikkers op de deur was duidelijk te zien dat dit zijn kamer was.
Voor het eerst trok ik me er niets van aan en ging naar binnen. Langzaam wende mijn ogen aan het donker. Het rook er naar jongenskamer, maar anders dan die van mij. Dit was zijn zweet en zijn geurtje. In het donker sloop ik door de kamer naar zijn bed, pakte zijn aftershave en spoot het op zijn hoofdkussen. Zijn bed voelde koud, ik trok de deken over mijn hoofd, rolde mij op als een balletje en begon langzaam te huilen.

Als ik zachtjes op het glas van de deur klop om mijn komst aan te kondigen zie ik mijn moeder opveren om te gaan staan, om vervolgens door mijn vaders arm te worden tegengehouden en weer in haar stoel neer te ploffen
‘Dus als ik doodga kom je wel, nou dan hoeft het voor mij ook niet hoor.’ Ondanks dat zijn lichaam niet meer is zoals ik het kende, is de afkeur in zijn stem niet veranderd. Zijn ogen hebben weer even de felheid van vroeger en ik moet moeite doen om niet heel hard weg te rennen.
‘Hallo vader,’ zeg ik. De glimlach die ik wil maken, eindigt in een vreemde grimas
‘Ik heb hem gebeld Hendrik, het kan niet zo eindigen, we zijn een gezin’ hoor ik mijn moeder zeggen. “Wees verdraagzaam. Vergeef elkaar als je iets tegen elkaar hebt. Net zoals Christus jullie vergeven heeft, moeten jullie ook elkaar vergeven.”’ Ze is goed in het strooien van Bijbelverzen en voor elke situatie kan ze er wel een bedenken.
Ik wil haar weerspreken met de woorden van apostel Paulus, ik wilde zeggen: we zijn al heel lang geen gezin meer.
‘De geest van christus waait niet door dit huis, jullie zijn ongeduldig. jullie zijn driftig en gauw boos. Hij is hard voor de kinderen. Bitter als zijn kinderen fouten maken en weinig vergevingsgezind.’
Maar die woorden kon ik niet vinden.
‘Sorry dat is niet eerlijk, ik ben dankbaar dat u gebeld heeft moeder en u heeft gelijk. Het zal niet makkelijk zijn en wij hebben niet veel tijd maar u heeft gelijk’
De zinnen die uit mijn mond komen klinken niet als van mijzelf.
Ze lijken op die van mijn vader in zijn zondagse preek, het zijn lege woorden van troost en onderdrukking, stichtelijk, nietszeggende, opbeurende onzin.
Woorden die in vele gevallen het antwoord zouden kunnen zijn maar niets en dan ook niets te maken met de werkelijke problemen.
Ze zeggen niets en zeggen alles
Als ik weg loop komen de tranen, de tranen van zestien jaar angstvallig weggestopte emoties, van ongewilde gebreken en verbleekte verlangens.