Categorieën
Fictie

Dagboek van een vriend

15-09-2019

Mijn psycholoog zei laatst dat ik meer van mijzelf moest laten zien, dus bij deze:
Vannacht droomde ik dat de wereld verging. Of ik droomde het niet. Het gebeurde. Ik heb het allemaal zien gebeuren: de vier ruiters van de apocalyps die het luchtruim bestierden, Cthulhu die met zijn tentakels lichamen in tweeën brak, duizenden gigantische vleermuizen die onachtzame mensen van straat oppikten en ze van grote hoogte weer op datzelfde plaveisel neer lieten storten. Fiat iustitia, ruat caelum. Ondertussen regende het as, lagen er door plagen alleen nog maar rotte bananen in de supermarkt en deed het ontsnapte mosterdgas je longen branden. In de verte ontploften de eerste kerncentrales al en het zou niet meer lang moeten duren voor de fall-out de stad bereikte. Ik wilde weg, maar ik kon niet en toen ik mijn ogen open deed, was alles er gewoon nog steeds.
Ik was op stap geweest met mijn vriend Braam, zoals we dat wel vaker deden, in dit afgedraaide doorvoerputje dat wij ons thuis noemen. We liepen daar weer een beetje te lopen lopen. De heuvel af, het dal in, naar de kelders waar alcohol en afleiding ons ten deel zouden vallen. Absit omen, motherfocker! Braam was verliefd en dat zag je aan alles. Om de paar stappen maakte hij een huppelpasje, gooide zijn armen in de lucht en gniffel-gilde het uit als Waluigi (zoek maar op boomer!). Ik was stiekem verliefd op hetzelfde meisje, dus ik hoopte dat we die desbetreffende vanavond maar niet tegen zouden komen. Nemo in amore videt.
Halverwege de heuvel, halverwege het dal hield Braam halt. Hij dook op zijn knieën en drukte zijn wijsvinger tegen zijn lippen. ‘Shht. Ruik je ze?’, vroeg hij, ‘Ruik je de kabouters?’ Een moment lang overwoog ik daadwerkelijk mijn neus in de lucht te steken, maar toen riep ik uit wat hij daar in hemelsnaam zat te staan zitten zitten. Hij haalde uit zijn binnenzak een plastic zakje met daarin een aantal klompjes, die nog het meest leken op rottende konijnenkeutels, en stopte deze onder mijn neus. ‘Dinner’s ready!’, riep hij triomfantelijk en even wist ik niet of hij het nu tegen mij of de kabouters had, maar ik wist dat het een lange reis zou worden en dat we misschien eindelijk, eindelijk weer wat echte eerlijke lol zouden kunnen trappen dankzij deze truffels.
Je moet namelijk weten dat we vorige week besloten hadden er met te stoppen, Braam en ik. We hadden besloten te stoppen met die hele kankerse tering bende. We hadden besloten alleen nog maar dingen voor onszelf te doen. Dus had Braam een taart in het gezicht van zijn baas gegooid, ik een drol in het laatje van de decaan van mijn universiteit gelegd en zonder het oordeel van de buitenwereld af te wachten (Da mihi factum, dabo tibi ius) hadden we ons teruggetrokken in Braams grijze antikraakkrot, waar de bedwantsen uit de muren gutsten, met niets dan drank, chips, sigaretten en games waarin je zombiekoppen in tweeën moet scheuren. We hadden het zo een week vol gehouden, maar nu hadden de stank en Braams verliefdheid ons toch terug naar buiten gedreven.
Toen we de kelder betraden, begon ik al flink scheef te zien. Aan de bar zat een stel Marokkaanse faunen al gniffelend van hun wodka appelsap te sabbelen. In de hoek stond een stelletje spierwitte pinguïns heen en weer te waggelen op de maat van Play That Funky Music White Boy met daarnaast een aantal Antilliaanse gnoes die liepen te briesen naar een stelletje witsnuitdolfijnen in de andere hoek. In de rookkamer vielen alleen maar spoken en niets dan spoken te ontwaren. Ze botsten tegen het glas en vielen direct weer in niets uiteen. Wat een dierenhol. Wat een stinkende dieren verse tering bende. Similia similibus curantur, similia similibus dissolventur.
Nu pas zag ik hoe uit het groepje dolfijnen ons teerhartig bosnimfje zich losweekte. Ze landde vlak voor ons met haar boezem strak in een The Dark Side of the Moon t-shirt gestoken. Dat ik Pink Floyd het toppunt van cultuurmarxisme vond, durfde ik haar natuurlijk niet te zeggen, maar omdat ik Braam (de slijmbal) al hoorde proclameren dat Pink Floyd toch ook wel één van zijn lievelingsbands was, wierp ik vlug op dat Wish you were here wel de betere plaat was, waar Braam natuurlijk niet van terug had.
Toen veranderde de vloer plots in het plafond, het discolicht in jellybeans, huid zo kwetsbaar als bubbelplastic. Novum in vetere latet, vetus in novo patet. Ik had iets nodig, iets wat ik vast kon houden, iets waarvan ik wist dat het echt was. Est modus in rebus, sunt certi denique fines.
Na iets wat op een tienjarige zwerftocht leek vol tussenstops zoals het contact zoeken met de erg knappe cycloop van een barman en het vinden van mijn juiste pincode omdat contactloos weer niet werkte, zag ik dat Braam net bezig was zijn move te maken. Plots was ik buitenstaander geworden. Ik keek naar de wereld als naar een natuurdocumentaire en David Attenborough zei mij dat ik beter weg kon gaan. Dat je mengen in een paringsdans die al gedanst wordt een zekere dood betekent. Een zwak specimen moet met zijn koppie erbij blijven, anders staat er altijd wel iemand sterker klaar.
Dus holde ik terug, terug naar mijn hol. Terug naar waar mijn kinderspeelgoed staat, waar mijn deken nog altijd een Spongebob Squarepants bedovertrek heeft, waar mijn ouders één keer in de week spaghetti bolognese voor mij koken en niets mij raakt. De kelder uit, het dal uit, de heuvel op en terwijl ik daar weer een beetje terug liep te lopen lopen, zag mijn hoofd toch ineens een inheemse poster tegen de muur van de plaatselijke bibliotheek plakken. Een paars rood gedrocht van zeker vier bij twee meter dat de blijde boodschap verkondigde dat in maart de Black History Month gevierd zal worden met tal van evenementen.
Een moment lang stond ik naar deze vreemde verschijning te apegapen tot mij plots een ongelofelijke misselijkheid overviel. Ik moest mezelf tegen de muur van de bibliotheek overeind houden, terwijl ik het spuwsel naast mijn schoenen probeerde te mikken. Ik hijgde en huilde als een wild beest, afgestoten door de kudde en klaar om te sterven. Maar toen ik een beetje was bijgekomen en vooralsnog bleek te leven, viel mij ineens op dat het hoekje van de poster loshing. Ik strekte mijn duim en wijsvinger ernaar uit en nam het vast. Een moment lang voelde ik hoe het papier kraakte en steunde onder het lichtste beetje spanning. Hoe het te lijden heeft. Even leek het alsof ik er medelijden of genade voor ging kunnen opbrengen, maar toen gaf ik, ingegeven door een onderaardse electroshock, een flinke ruk aan het papier. Ik bleef eraan rukken en rukken, tot die hele black history als een hoopje gekleurde confetti aan mijn voeten lag. Calcat iacentem vulgus.
Even bleef ik staan en genoot van de stilte die het scheuren achter liet. Maar toen bekroop mij het gevoel dat ik niet alleen was. Dat er de heel tijd iemand naar mij had zitten kijken kijken. Terwijl ik mij langzaam omdraaide, verwachtte ik eerst nog recht in de ogen van één van de briezende, Antilliaanse gnoes te zullen kijken. Toen ik in plaats daarvan het blonde, glanzende gezicht van Braam zag, wist ik dat God niet bestaat en schuld en boete al evenmin.
Manmoedig vlogen we elkaar in de armen en hinkel-gniffel-gillend als Mario en Luigi huppelde we terug naar huis, alwaar ik snel in slaap viel en droomde over een wereld die verging. Nadat ik uit deze angstdroom was ontwaakt en alles nog steeds op zijn plek bleek te staan, dacht ik een moment lang dat de gebeurtenissen van de afgelopen avond misschien ook gedroomd zouden kunnen zijn. Maar toen ik Braam vredig snurkend naast mij zag liggen, het morgenrood door de gordijnen viel en er op de tv een reportage speelde over hoe de superrijken uit Silicon Valley schuilkelders laten bouwen voor het geval dat de 99% in opstand komt, kwam het mij voor dat het er eigenlijk ook niet toe doet wat waar is en wat niet. Op het einde van de dag draait het erom dat je weer een dag overleefd hebt en dat morgen misschien wél de dag wordt. De dag waarop een groot en waarachtig leven ons eindelijk ten deel valt.
Maar tot die tijd: Acta est fabula.