Categorieën
Fictie

Dagboek van een blade runner

Zes weken geleden stopte ik mijn benen in de vriezer. Ik zat op de rand van de vrieskist in de schuur en wriemelde mijn tenen tussen de dozen bamischijven en raketijsjes. Het was zondag, mijn ouders waren naar de kerk, en omdat mijn vader dominee is had ik een goede drie uur, wat genoeg moest zijn. Ik las De vanger in het graan, een verschrikkelijk kutboek dat ik moet lezen voor school. Ondertussen beet ik op een houtje. Dat is geen uitdrukking of zo, ik had letterlijk een houtje gepakt uit de haard. Het werkte verrassend goed tegen de pijn. Je zult je hier ergens beginnen af te vragen waar dit verhaal in godsnaam naartoe gaat. Daartegen zeg ik sorry en het moet van dokter Niebolt, het opschrijven dan. Volgens hem werkt het beter als ik net doe alsof ik het aan iemand vertel. Het is niet zo alsof iemand dit ooit te lezen krijgt, daar doe ik mijn uiterste best voor. Ik wurm dit notitieboekje straks weer onder het matras. Mijn ma kan zo nieuwsgierig zijn, waarschijnlijk zou ze fotokopieën maken, voor als ik “ooit de nieuwe blader runner” word. Kleine kans, zou ik zeggen, ik word altijd als laatste gekozen met gym. Oké, terug naar de vriezer. Zoals voorspeld kwamen mijn ouders precies na drie uur thuis en was drie uur net genoeg. Mijn benen zagen eruit alsof ze waren overreden door een vrachtwagen. Ma schreeuwde ‘godsamme Remi, mijn koteletten,’ terwijl mijn vader met een lijkbleek gezicht het alarmnummer draaide.

In het ziekenhuis gaan de ramen op een kier en niet verder. In de kledingkast hangen geen kleerhangers. Ik zeg tegen de verpleger dat ze zijn vergeten mijn schoenveters af te pakken, hij vindt het niet echt grappig. Ik krijg nog net geen doorligwonden van verveling. Ze draaien me om, maar niemand lacht als ik met een hoog stemmetje zeg ‘I’m well done on this side. Turn me over!’ Waarom snapt niemand mijn grapjes hier?

Na een maand gebeuren er ineens een heleboel nieuwe dingen. Eén: ik krijg een nieuwe kamer, op de revalidatieafdeling, waarbij het raam helemaal open kan en ik niet meer in de gaten word gehouden door een stel haviken. Twee: ik mag voor het eerst in een rolstoel, dus ik heb iets meer bewegingsvrijheid. Protheses duren nog een eeuwigheid, die kan ik voorlopig wel op mijn buik schrijven. Drie: ik krijg van zuster Leah een briefje in mijn handen gedrukt, haar wenkbrauwen dansen veelbetekenend als enthousiaste rupsen. ‘Kijk eens, voor jou.’
‘Voor mij?’
Van de jongen aan het einde van de gang. Zijn naam is Omid, schrijft hij. Hond heeft zijn voet eraf gebeten, en nu zit hij hier, aan het einde van de gang.
Ik ben Remi, schrijf ik, ben jij de maffiabaas van deze gang? Ik zeg het maar alvast: ik heb geen drugs. P.s: In mijn vorige kamer had ik geen kleerhangers, enig idee waarom?
Hij schrijft terug: Geen maffiabaas, wel blij een levende ziel te vinden op deze gang van onder de veertig. P.s: suïcidale zwangere tienermeisjes.
Ik vraag hem of hij in God gelooft. Hij vraagt welke van de vierduizend. Dit gaat de hele zomer zo door, tot ik een briefje krijg dat al het bloed naar mijn hoofd doet stromen, en laten we zeggen, ook een andere plek. De volgende dag zegt Leah: ‘Geen briefje?’ en ik staar uit het raam, naar de zomer die zich klaarmaakt voor de herfst. Na een paar dagen snapt Omid dat er geen briefjes meer komen, want als hij langsloopt wendt hij zijn gezicht af. Hij zal van zichzelf walgen, zoals ik van mezelf walg. Wat had ik dan moeten doen? Ik had hem nooit kunnen vertellen over de vriezer.

Omdat de briefjesstroom me niet langer meevoert, breng ik veel tijd door met mijn moeder. Als ze een sigaret opsteekt, zegt een zuster: ‘Mevrouw, u mag hier niet roken.’
‘Je mag ook helemaal niets meer tegenwoordig.’
De zuster zet me in een rolstoel en ik rol mezelf naar het raam om te zien hoe mijn moeder een sigaret uitleent aan een kankerpatiënt met een zuurstofcanule in zijn neus. Het lijkt mij persoonlijk een explosiegevaar, maar als je lichaam vol met tumoren zit ben je toch al een tikkende tijdbom. Papa roert zwijgend in zijn koffie, hij is een man van weinig woorden. Het grootste gedeelte van zijn leven beleeft hij in zijn hoofd. Hij werpt een blik op mijn boek dat ondersteboven op het nachtkastje ligt. ‘Wist je dat de moordenaar van John Lennon dat boek bij zich had?’
‘Ja pap, dat weet ik.’
‘En die Manson-grietjes, die ook.’

Als mijn ma terug is, zegt ze: ‘Ik word helemaal lamlendig van dat joch dat elke keer naar binnen loert hier als hij voorbij hinkelt. Vreemde snuiter.’ Mijn moeder is en blijft een grote bol mysterie voor me. Ze praat tien keer zoveel als mijn vader, en toch zegt ze duizend keer minder. Als ze fruit eet, trekt ze altijd een vies gezicht. Ze doet het nu weer, ze schuift voorzichtig de partjes van een appel naar binnen terwijl haar gezicht in elkaar verfrommelt als een prop papier. Ik heb geen flauw idee van wat voor soort muziek ze houdt, of ze een honden- of een kattenpersoon is. (Ik gok geen van beide.) Is het raar dat ik dit niet weet? Weten andere mensen van mijn leeftijd dit wel over hun ouders? Ervaren ouders fantoompijn elke keer als ze naar hun kind kijken, omdat het beeld in hun hoofd niet klopt met de werkelijkheid?

Op een dag begint ze uit het niets zachtjes te sniffen, terwijl ze mijn rolstoel door de ziekenhuistuin duwt. ‘Het is mijn schuld.’
‘Waar heb je het over?’
Ze parkeert mijn rolstoel en zet hem op de rem, schudt een sigaret uit een pakje, maar steekt hem niet aan. ‘Toen je tien weken oud was, liet ik je op je hoofd vallen. Ik heb het tegen niemand verteld, zelfs niet je vader.’
‘Ik denk niet dat het zo werkt, mama.’
Ze haalt haar neus zo luidruchtig op, dat een paar mensen om ons heen opkijken. ‘Nou ja, we zullen er nooit achter komen,’ zegt ze met een flauw glimlachje.
‘Zeg mam,’ zeg ik, als ze me een halfuur later weer over de drempel rijdt, ‘ben jij een honden- of een kattenpersoon?’
‘Wat is dat nou weer voor mallote vraag? Het zijn allebei vieze stinkbeesten.’ Ze trakteert me op een punt appeltaart in de lunchroom van het ziekenhuis. Het fijne aan een ziekenhuis is dat niemand hier gek opkijkt van een jongen zonder onderbenen. Het barst van de mensen die niet helemaal compleet zijn. Vanuit mijn ooghoek herken ik Omid meteen aan de manier waarop hij loopt, als een hert dat net is neergeschoten. Hij torent uit boven zijn ouders, die allebei klein van stuk zijn. We doen allebei alsof we elkaar niet zien, misschien maar het beste.

Gisteren nam dokter Niebolt me mee naar het strand, zodat ik het zout van de wind op mijn tong kon proeven. Ma rookte geen sigaret dit keer, ze zegt ze dat ze gaat stoppen. (Eerst zien, dan geloven.) Ik keek naar beneden, naar mijn bovenbenen die gewikkeld waren in een deken en ik dacht terug aan toen ik voor het eerst wakker werd in het ziekenhuis en ik merkte dat er geen tenen weer waren om te wiebelen. Dat waren pure tranen van euforie geweest, een geluksmomentje. Misschien noemen ze het daarom zo, omdat geluk niet bestaat, alleen geluksmomenten. We keken zwijgend naar de rollende golven. Ik draaide me om, zo goed en zo kwaad als dat ging, en bedacht me wat voor een gek stel we waren met zijn vieren. De dokter, met zijn plechtige hoofd en zijn potloodsnorretje, en mijn ma die geen idee had wat ze nu met haar handen aan moest, en mijn pa die waarschijnlijk de preek voor volgende week in zijn hoofd aan het schrijven was. De waarheid is dat ik weer aan het janken was. Tenminste, dat denk ik, misschien was het zout uit de zee. Ja, laten we het daarop houden.
Hier is nog een waarheid. Ik wilde het zand tussen mijn tenen voelen.