Categorieën
Fictie

Coronapuppy

Met een zucht hing ik de telefoon op; ik moest helaas weer naar de praktijk voor een spoedafspraak. Dat was al de tweede keer vannacht. Met ogen dik door mijn verstoorde slaap keek ik op mijn telefoon. De hoop om na de dienstafspraak nog even in bed te kunnen kruipen vervloog toen ik de tijd zag. Half vijf. Om acht uur begon mijn ochtendprogramma alweer. Met moeite sloeg ik de warme dekens van me af en stapte uit bed. Naast me sliep Joris rustig verder, niet gestoord door mijn telefoongesprek. Soms vroeg ik me af of ik wel dierenarts was geworden als ik had geweten hoe vaak ik er ’s nachts uit zou moeten voor spoedpatiënten. De vergelijking van mijn werk met dat van Joris was als een vergelijking van dag en nacht; zijn werkdagen van negen tot vijf, zonder diensten, maakten mij met enige regelmaat jaloers.

Tien minuten later kwam ik aan op de praktijk. Op de stoep stonden de eigenaren van Shiba al op mij te wachten. De man leek relatief rustig, maar de vrouw was volledig in paniek. Haar hele lichaam trilde, en tranen stroomde over haar wangen en drupten op de kleine pup die ze in haar armen had. Ik nam ze snel mee naar binnen, de spreekkamer in.
‘Sinds wanneer is ze aan het braken?’ Ik nam de pup van mevrouw over en vroeg de eigenaren om afstand te houden. Sinds het coronavirus hadden we onze werkwijze aanzienlijk moeten veranderen.
‘Vanaf gisterochtend’, zei de man. ‘We dachten dat ze iets verkeerds had gegeten, dat het vanzelf wel over zou gaan.’
Dat was duidelijk niet het geval geweest. Het arme beestje hing als een slappe vaatdoek in mijn armen. Terwijl ik wat aanvullende vragen stelde onderzocht ik de pup in rap tempo om in te schatten welke en hoeveel spoedzorg ze nodig zou hebben. Ik schrok van mijn bevindingen. Ze was uitgedroogd, onderkoeld, had een snelle hartslag, en terwijl ik haar buik bevoelde gaf ze nogmaals over op tafel. ‘Hoe ziet haar ontlasting eruit?’ vroeg ik, en het antwoord bevestigde mijn vermoeden.
‘Ze heeft nu een paar dagen wat diarree gehad, en daar zat wat bloed bij.’
Ik knikte. Precies wat ik dacht, het parvovirus.
Vorige week was de man bij mij geweest voor de kennismaking met Shiba. Haar hondenpaspoort liet direct alarmbellen bij mij rinkelen: de combinatie van een Hongaars paspoort met een afwijkend vaccinatieschema deden mij direct denken aan de illegale hondenhandel. Het feit dat haar gebit liet zien dat ze dermate jonger was dan de vier maanden die ze volgens haar paspoort zou zijn bevestigde het: Shiba was het slachtoffer van illegale hondenhandel. Helaas was de man daar niet van te overtuigen geweest, ondanks dat hij haar vanuit een busje over de grens in België had gekocht. Dat was nou niet bepaald een normale manier om een puppy te kopen. Ik had geadviseerd om Shiba direct te vaccineren. Ik had gepraat als brugman, maar de man wilde het niet. Nu lag het gevolg van die keuze als een doodziek hondje voor mij op de tafel.
Ik sprak mijn vermoeden uit naar de eigenaren, legde hen uit dat deze ziekte een dodelijk verloop kon hebben, en besprak met hen de kosten van de therapie. Ik zou alles op alles moeten zetten om de pup er weer bovenop te krijgen: ze zou dagen bij ons in de opname moeten blijven, en in het slechtste geval zou ik haar moeten verwijzen voor een bloedtransfusie naar de spoedkliniek. Dan zouden de kosten oplopen tot minimaal tweeduizend euro.
‘Zóveel?’ De man keek mij met grote ogen aan. Ik zag hem opvallend slikken.
‘We doen het’, zei de vrouw, haar ogen rood van het huilen. ‘Doe alsjeblieft alles om onze Shiba te helpen.’
Ik keek de man nog een keer aan, wachtte op zijn akkoord. Een moment ging voorbij, tijd die Shiba eigenlijk niet had. De vrouw keek haar man smekend aan en hij knikte naar mij. Hij was akkoord.
‘Ik ga direct aan de slag’, zei ik. ‘Neem plaats in de wachtkamer. Vanwege corona kunt u helaas niet mee.’

Ik voerde een sneltest uit om mijn diagnose te bevestigen, plaatste twee infusen in het uitgedroogde hondje, gaf haar medicatie om het braken te stoppen en de diarree te behandelen, en plaatste Shiba in de couveuse om langzaam op temperatuur te komen. Nu was het afwachten; hopen dat ze veerkrachtig genoeg was om er weer bovenop te komen. Tegen onze coronaregels in nam ik de vrouw nog even mee naar achteren. Ik gaf haar even de tijd om de pup te knuffelen. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen dat ze Shiba niet meer mocht zien, zeker nu ik haar niet kon garanderen dat de pup het zou overleven.

Na tien minuten verlieten de eigenaren samen de praktijk: de vrouw overmand door emoties; de man deed alsof het hem niks deed. Ik wist wel beter. Mijn hart deed pijn voor deze pup: het zoveelste slachtoffer van de illegale hondenhandel. De vraag naar pups was de afgelopen maanden gestegen, vermoedelijk door corona. Er was momenteel zoveel vraag dat de Nederlandse fokkers het niet aankonden. Dat opende de markt voor criminelen die puppy’s veel te jong van hun moeder weghaalden en onder slechte omstandigheden naar Nederland transporteerden. Voor hen een lucratieve handel; maar wel een die ontzettend veel dierenleed veroorzaakte.
Ik controleerde de pup nog een keer en veranderde wat instellingen op het infuus. De lokroep van mijn warme bed zwol aan en ik keek op de klok. Ik zou nog drie kwartier kunnen genieten van wat welverdiende slaap. Ik twijfelde om naar huis te gaan, maar een blik op Shiba maakte de keuze voor mij. Ik zou dit hoopje ellende niet alleen kunnen laten. Met een zucht ging ik zitten. Zou de illegale hondenhandel ooit stoppen? Ik kon het alleen maar hopen.