Categorieën
Fictie

Casino Corbeau

In het uur van de nacht dat achteraf altijd verdwenen blijkt, zetten twee jonge mensen een voet op de grauwe dorpel van een casino. Ze zouden geliefden kunnen zijn. Alleen weigert de vrouw te geloven in iets minder dan volmaaktheid. De portier verwelkomt hen met een zwierig gebaar en een plechtige buiging. Niets aan zijn houding verraadt hoe lang hij zijn post al bemant, maar zijn pak is kreukloos en de witte handschoenen die hij draagt zijn kraaknet. Hij duwt de metalen deur open en met een uitgestoken hand leidt hij de twee naar binnen. De deur valt met een gedempte klik weer in het slot.

De twee jonge mensen houden een ogenblik halt. Heel even maar, alsof een aarzeling zich van hen meester maakt. Een moment waarin de man zijn vingers rond de pols van de vrouw tracht te leggen, tot zij zich in het raamloze vertrek begeeft en de man haar achterna stapt. Zij draagt zwarte stiletto’s. De gokmachines langs de wanden stoten een bezwerende mix van klanken uit, symfonisch bijna, wat het des te moeilijker maakt om het getik van de hakken op de grijze tegelvloer niet te horen. De spelers heffen een voor een hun hoofd en keren zich naar het tweetal. Ze hebben allen een diepe frons op hun voorhoofd, maar zeggen verder geen woord. Enkel een vrouw met donkerrood haar trekt haar wenkbrauwen hoog op. Ze blaast haar benauwdheid de zaal in. In het helwitte licht krijgen de lijnen onder haar opgemaakte ogen iets macabers, alsof het leven nu al aan haar leden onttrokken is. Zo jong nog, denkt ze. Zo soepel.

Aan de andere zijde van een afscheidingswand in plexiglas zit een oude man aan een ronde speeltafel. Hij heeft een volle, grijzende haarbos en een donkere snor. De twee jonge mensen vertragen hun pas als ze de speeltafel naderen. De oude man lijkt hen niet op te merken. Zijn aandacht zit bij de witte kogel, die de spelcomputer net heeft uitgeworpen op de razendsnel rondtollende roulette die is ingebouwd in de tafel. De grijsaard zit voorover gebogen. Zijn wijsvinger rammelt ongedurig op het houten tafelblad, dezelfde vinger waarmee hij een ogenblik eerder de kleur heeft aangegeven waarop hij zijn geld inzet. De kogel rolt en tolt, vertraagt en sputtert en komt ten slotte tot stilstand in een daartoe bestemd vakje. Als ook de cilinder stopt en de kogel zich niet meer roert, blijft de wijsvinger in de lucht hangen. Hij trilt licht en verdwijnt dan in een gebalde vuist.

Wanneer de oude man zijn rug recht, stijgt vanuit het binnenste van de speeltafel een gebrom op, als dat van een motor die te lang stilgestaan heeft. Vervolgens weerklinken metalige klikken van kleppen die open en dicht gaan, tot de computer een stapeltje munten laat vallen in een bakje dat de twee jonge mensen niet kunnen zien.

De jongeman hangt de vest van zijn fijngesneden maatpak over de stoelleuning en gaat zitten, recht tegenover de grijsaard. De vrouw neemt plaats op de stoel ernaast. Nog steeds heeft niemand een woord gezegd, maar voor het eerst kijkt de oude man naar hen op. Zijn blik blijft hangen in de ruimte boven hun schouders. Wat het tweetal dan ziet, zullen ze wellicht nooit goed in woorden kunnen uitdrukken. Daar waar ze de ogen van de man hadden verwacht, prijken twee glanzende bollen, of zijn het gaten, zo zwart als de nacht, alsof zijn pupillen zich hebben verwijd en eerst de irissen en dan al het oogwit hebben opgevreten. In de gedachten van de twee bezoekers bijt zich een zekerheid vast. Achter die blik schuilt de dood, de absolute leegte. Het gelaat van de vrouw trekt bleek weg. Ze reikt naar de hand van de jongeman. Hij kijkt haar aan met ogen vol verschrikking, waarachter niettemin nog steeds een aura van vertrouwen te bespeuren valt.

Om de mond van de grijsaard sluipt een grimas, een verwrongen trek die lijkt op een glimlach. De oude man zuigt zich vol met de spanning. Zijn hand zakt af tussen zijn benen en grijpt naar de munten in het bakje, steekt ze nadien allemaal weer in de gleuf. “Moyenne”, knarst hij en hij drukt een van de ivoren toetsen in. De spelcomputer schiet de kogel in de cilinder, laat hem ronddraaien, tientallen seconden lang, tot hij vertraagt en de kogel buitelend tot stilstand komt. Daaropvolgend bromt de machine kortstondig en vallen meer munten in het bakje.

De oude man, die de hele tijd in de richting van het tweetal is blijven turen, leunt voorover en kijkt naar de speeltafel. Krakende klanken verlaten zijn keel. Hij wil iets zeggen maar schijnt niet te weten hoe dat moet. Nu zij van onder de drukkende kracht van zijn blik zijn uitgekomen, zijn de jongeman en de vrouw weer in staat te ademen. Het besef dat er geen weg terug meer is, doet de jongeman naar geldstukken in zijn vestzak tasten. Zijn liefde voor haar wacht op bekrachtiging. Hij legt vijf gouden munten met vaste hand op een stapeltje voor hem op tafel.

De grijsaard slikt de resterende klanken in. Hij graait naar zijn eigen munten, duwt ze in de gleuf en houdt een toets ingedrukt. Weer is daar de rollende kogel, een vertragende cilinder en een vakje op de draaischijf waarin het balletje tot rust komt. “Colonne”, krijst hij. Een vuist schiet de lucht in.

Het spel zet zich in een eindeloze lus. Zonder ophouden herhaalt het procédé zich van vooraf aan. Elke twijfel is verdwenen. Steeds dieper steunt de oude man op de speeltafel, steeds groter wordt de berg munten. Ook de twee jonge bezoekers geven zich over aan de tollende spil en de zwarte en rode spelvakken die in het geraas schaduwen worden van elkaar. Eerst haalt hij een carré binnen, daarna een cheval. De jongeman verliest twee munten. Hij kijkt de vrouw aan, strijkt een lok donkerblond haar weg en laat zijn vingers langs haar wang glijden.

De grijsaard stoot een scherpe lach uit. Nog één doel heeft hij. De hoofdprijs. Een enkel nummer en een inzet die in vijfendertigvoud niet meer in zijn klauwen zal passen. Hij duwt een ivoren toets in. De roulette begint te draaien, voor het laatst, en de oude man buigt zich nog dieper over de tafel. De kogel blikkert in zijn ogen. Het mechanisme komt piepend tot stilstand, uitgeteld. Een paar oneindig lang uitgerekte tellen twijfelt de kogel tussen de rode 18 en de zwarte 29.

De beslissing valt in een onherroepelijk moment van geluidloosheid. Ogenblikkelijk begint de spelcomputer te ratelen. De oude man barst in een krassende lach uit, uitbundig en meedogenloos, met de borst vooruit en een opengesperde mond. Zijn handen grijpen naar de tafelrand. Het volle gewicht van zijn extase laat de speeltafel in die mate trillen dat ze voelbaar is in de vingertoppen van de vrouw, vanwaar ze in haar bloedbaan doordringt en als een kramp in haar maag schiet. De jongeman hapt naar adem wanneer een kilte om zijn hart slaat.

En terwijl de oude man onbedaarlijk blijft lachen, gebeuren drie dingen tegelijk. De vrouw veert recht, ijskoud is de blik die ze op de jongeman laat vallen. Hij laat op zijn beurt de schouders hangen, alsof hij zich ontspant, maar zijn ogen verstarren en zijn lichaam verstijft. Gegokt en alles verloren. De oude man, de grijsaard strompelt van zijn stoel en dreigt om te vallen, zo diep hangt hij voorover.

Maar hij valt niet om, want het lachen wordt krassen, en het krassen wordt kraaien. In zijn nek verschijnen donzige pluimpjes en als hij zijn armen naar achter duwt, schieten talloze veren uit zijn poriën. Het zwart van zijn ogen verspreidt zich over de rest van zijn lichaam. Hij zwaait met zijn armen als wiekende vleugels en komt van de grond los. Zijn voeten zijn klauwen geworden, even spartelen ze tegen, en dan vliegt hij, hoger en hoger. Hij vliegt naar het plafond, en dan nog hoger, met een oorverdovend gekrijs.

Hij vliegt alsof er nooit een dak is geweest.