Categorieën
Fictie

Cargo

Vandaag is het woensdag. Dan horen we de kinderen die na school naar de speeltuin in onze straat trekken — gejuich op de schommel, echo’s door de buis van de glijbaan, tranen van de kleuter die van de wip is gevallen. We drinken samen thee en staren doelloos voor ons uit omdat we dat gemakkelijker vinden dan praten. Je ellebogen steunen op de vensterbank, je hoofd rust op je vuisten die knokig en verweerd zijn, je hebt echte werkhanden. Drie verdiepingen lager ontvouwt zich een gratis schouwspel voor ons, jij reageert maar zuinig als ik ernaar wijs. Pas als in de verte de cadans van de haventrein weerklinkt, kijk je op. Je hoofd volgt de containers die over het spoor denderen, de stad uit. Naar Zeebrugge, zeg je, tien minuten vertraging. Ik hoef het niet op te zoeken om te weten dat je gelijk hebt. Als geen ander kun jij het goederenverkeer in kaart brengen, weet je waar de grote rederijen aanmeren en ken je de kleurencode achter de verschillende containers. Veel witte vandaag. Niet goed, zeg je, als je daarin zit vries je dood.

*

Vandaag is het donderdag. Dan komt de sociaal assistente langs voor jullie wekelijkse afspraak. Dat doet ze al op een ontiegelijk vroeg uur, omdat ze nu eenmaal met glijdende uren werkt en het wel fijn vindt om kort na de middag haar dossiers al te kunnen dichtsmijten. Een metalig geklepper haalt me uit mijn bed slaap — we moeten echt eens iets doen aan die bel. Omdat mijn kamer het dichtste bij de deur ligt, sta ik op. Ik klop een paar keer op jouw kamerdeur — hoor jij die afschuwelijke bel echt niet? — en laat haar dan ons appartement binnen. Ik verontschuldig me in jouw plaats, leid haar naar de keukentafel en bied koffie aan. Zij nipt ervan en kijkt verveeld op de horloge om haar dunne pols als ik nogmaals op je deur kom kloppen. Ik wil net je kamer binnenkomen als ik recht in je donkerbruine ogen kijk. Zo uitgedost heb ik je nog nooit gezien. Je hemd volledig dichtgeknoopt en in je broek gestopt, een riem hoog boven je heupen, een strakke zijstreep door je haar gekamd. Je hebt zelfs leren schoenen aan, ze glimmen. Ik plof neer op de bank terwijl jullie aan tafel over een stapel papieren gebogen zitten. De sociaal assistente praat meer dan dat ze luistert. Ze is er rotsvast van overtuigd dat al je dromen zullen worden waargemaakt als je haar stappenplan maar volgt. Je taallessen op school en je opleiding in de beenhouwerij als de sleutels van je integratie. Ach, dromen, ik heb er ook nog gehad. Ik wilde eerst circusdirecteur worden, daarna postbode en uiteindelijk architect. En zie mij nu. Ze heeft er geen benul van dat je echte dromen over het Kanaal liggen, bij je neef in Tilbury.

*

Vandaag is het vrijdag. Dan loop je weer rond in je djellaba en vind ik overal kopjes met verlepte restjes theebladeren onder een bodempje water. Om het weekend feestelijk in te zetten stel ik voor om ’s avonds voor ons twee te koken en vanonder je borstelige wenkbrauwen kijk je me eerst wantrouwig aan, knikt dan toch kort. Je hebt er helemaal geen zin in en dat zie ik, ik weet dat je alleen maar toegeeft omdat de sociaal assistente je dat gevraagd heeft. In een vlaag van overmoed besluit ik me aan vol-au-vent te wagen. Jij staat erop de boodschappen te doen, zo weet je tenminste zeker dat alles halal is. Als ik eerlijk ben kwetst het me wel dat je mij ertoe in staat acht om je over zoiets voor te liegen. Het vlees zul je meenemen van de beenhouwerij waar je een opleiding volgt. Alsof ze jou moeten leren wat werken is. Tussen de katoenvelden had jij al je eigen zaak uitgebouwd toen ik mijn tijd nog verdreef met computerspelletjes en basketballen op het pleintje. Plukken, garen spinnen, stikken, naaien en verkopen, je deed het allemaal zelf. Handen zijn je kostbaarste bezit, heb je me eens gezegd. Of het nu met naald en draad of met een hakmes is, het zijn je handen die er iets van maken.
’s Avonds laat je op je wachten. Ik heb geleerd om geduld uit te oefenen maar weet ondertussen al dat onze klokken niet gelijklopen. Het wordt donker en ik slinger verwensingen naar je kop, waar die ook mag zijn, en kan nog net voor sluitingstijd bestellen in het frituur om de hoek. Wanneer ik terugkom is het nog steeds stil in ons appartement. Ook je kamer is leeg. De kastdeuren staan open en op je bed staat een grote sporttas. Veel spullen heb je niet, maar wat je hebt is ingepakt, klaar voor vertrek.

*

Vandaag is het zaterdag. Dan blijven er randjes krantenpapier hangen aan de gleuf van onze brievenbus en hoor ik door de muur het geluid van je wekker en het gestommel waarmee je je gebedsmat uitrolt. Je moet zijn thuisgekomen toen ik al sliep. In de keuken ligt een plastic zakje met kippenbouten, op de stukken vlees nog wat geronnen bloed. Ik leg ze in de koelkast en haal er een pot yoghurt uit. Ik neem mijn verwijten terug, die vol-au-vent kan vanavond ook nog smaken. Het wordt middag en jij staat op, zonder een woord te zeggen neem je de waterkoker mee naar je kamer. De bel gaat een paar keer en je loodst je vrienden binnen. Je komt alleen je kamer uit om verse theebladeren te halen. Je vraagt of ik misschien heet water wil maar ik knik van niet en ontkurk een flesje bier. Het is druk in je kamer. Tot in de keuken hoor ik hoe jullie hevig door elkaar praten in de taal die ik niet begrijp maar die in deze wijk steeds vaker over de tongen gaat. Als ik ga slapen is er nog niemand vertrokken en gaan jullie in discussie met de metalige klanken van een gsm die op speaker staat. Tussen het Pasjtoe door klinken duidelijk Engelse zinnen.

Morgen is het zondag. Ben jij er dan nog?